Particuliere musea Museum Voorlinden in Wassenaar bestaat deze week tien jaar, maar het succesvolle museum is allerminst het enige museum dat door particuliere vermogenden is gebouwd. Komende maanden komen er vier nieuwe privémusea bij in Nederland. Verandert dat iets aan het museumlandschap? „Je kan het beter een terugkeer noemen.”
Tijdens het opbouwen van ‘Boy’ van de Australische kunstenaar Ron Mueck mogen toeschouwers meekijken, in Museum Voorlinden.
„Kijk, daar staat Ron Mueck.” Suzanne Swarts, directeur van Museum Voorlinden, wijst op een onopvallende man in een blauw overhemd in de lange museumhal. Hij komt niet eens tot de knie van zijn enorme hyperrealistische sculptuur Boy (1999), een jongen op zijn hurken, die schuchter de hal in kijkt. Bezoekers staan eromheen, maar de Australische kunstenaar let niet op hen; hij is geconcentreerd aan Boy aan het werk.
Typisch voor tien jaar Museum Voorlinden is deze situatie, vindt Swarts. Dit enorme kunstwerk van publiekslieveling Mueck is nooit eerder buiten het Deense museum Aros geweest, maar komt voor de jubileumexpositie Celebrating the Icons of Art wel naar Voorlinden in Wassenaar. Volgens haar is dat een bewijs van het „warme en vriendelijke netwerk” dat haar museum in tien jaar in heel Europa kon opbouwen. En de aanwezigheid van de kunstenaar zelf? Ach, hij wilde nog wat retoucheren voor het vanaf 12 september getoond wordt – en ja, dat kon natuurlijk direct, in een museum dat geheel zelfstandig is en waar de lijntjes kort zijn.
Even klinkt het alsof het particuliere Museum Voorlinden, waarvan het gebouw, het landgoed en de kunstcollectie geschonken zijn door Joop van Caldenborgh, oprichter van het Rotterdamse chemieconcern Caldic, al een heel officieel bestanddeel van het Nederlandse museumlandschap is geworden. Maar eigenlijk is dat gevoel er pas sinds kort, zegt Swarts. De eerste jaren overheerste in het niet-gesubsideerde museum vooral nog dat „start-upgevoel”, spannend maar ook onzeker. Daarna kwam corona, waarin ze even niet meer wisten hoe het verder zou gaan.
En nu? Cijfers geeft Swarts niet, uit principe, maar haar gevoel wordt volgens haar bevestigd door de bezoekersaantallen, met name door de herhaling waarmee mensen een kaartje kopen: bezoekers keren steeds weer terug. Daarnaast merkt ze het „aan de zichtbaarheid”, zoals het socialemediasucces van het kunstwerk Swimming Pool (2016) van Leandro Erlich, dat „een hit op dating apps” is geworden – en daarmee „de beste ‘mond-tot-mondreclame’ voor de doelgroep twintigers en dertigers die andere musea maar moeizaam bereiken”.
Museum Voorlinden in Wassenaar.
Tien jaar Voorlinden is daarmee ook een soort symbolisch moment voor het Nederlandse museumlandschap geworden. Het museum staat namelijk niet op zichzelf. Precies op het moment dat Voorlinden opende in 2016, was er wereldwijd een hausse van 24 nieuwe particuliere musea gericht op hedendaagse kunst, zegt Olav Velthuis, hoogleraar kunstsociologie aan de UvA, die een onderzoek naar particuliere musea aan het afronden is. Nadat deze opkomst rond 2020 even was gestokt en een aantal initiatieven ook failliet ging, lijkt er nu, tien jaar ná Voorlinden, juist in Nederland een extra toename te zijn.
Komende maanden komen er vier nieuwe particuliere musea voor hedendaagse kunst en één nieuwe dependance in Nederland bij: Showdepot, Drift, ZaMu, Hartwig en een derde vestiging van More (zie inzet). Voor Nederland is dat een opvallende toename in korte tijd. De initiatieven zijn allemaal anders, benadrukt socioloog Velthuis, maar ze hebben wel één overeenkomst: ze zijn in tegenstelling tot het in Nederland gangbare gesubsidieerde museum ontstaan uit particulier initiatief, vrijwel zonder uitzondering van zeer vermogende kunstliefhebbers met grote eigen kunstcollecties. Daardoor worden ze soms ook wel ‘miljonairsmusea’ genoemd.
Nieuw is dit type musea in Nederland niet. Je zou het eerder „een hernieuwd fenomeen” kunnen noemen, zegt Velthuis. Meerdere grote publieke musea van nu zijn tussen midden 19de eeuw en de Tweede Wereldoorlog als particulier initiatief ontstaan, zoals Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, het Kröller-Möller Museum in Otterlo, het Van Abbe Museum in Eindhoven. Maar na 1945 veranderde het Nederlandse museumlandschap; cultuur, zeker de wereld van de hedendaagse kunst, werd een zaak van de overheid, musea werden betaald met subsidie van het rijk of de gemeente. Het fenomeen ‘miljonairsmusea’ leek – op een aantal uitzonderingen na – in die tijd iets voor landen als de Verenigde Staten, waar cultuur meer op particulier initiatief steunde.
De vraag is daarom vooral: waar komt die „hernieuwing” van particuliere musea voor hedendaagse kunst in de 21ste eeuw vandaan – en wat is het gevolg ervan voor de Nederlandse cultuurwereld?
Het Fenix Museum in Rotterdam.
Al van ver is het museum Fenix te zien. De ‘tornado’, zoals de kronkelende trapformatie op het dak van het vorig jaar geopende particuliere museum ook wel wordt genoemd, torent glimmend zilverkleurig boven de Rotterdamse havenkade uit. Hij doet zowel aan de glijbanen van het Tikibad Duinrell als aan een Frank Gehry-museum denken.
Fenix, dat hedendaagse kunst rond het thema migratie laat zien, heeft zijn bezoekcijfers wél bekendgemaakt: in het eerste jaar heeft het museum een half miljoen bezoekers gekregen. Ter vergelijking: het publieke Stedelijk Museum in Amsterdam, het belangrijkste museum voor moderne en hedendaagse kunst in Nederland, had er 675.000 in 2025. En nee, het is niet de grote geldstroom waardoor het museum een publiekssucces is, zegt Wim Pijbes. Hij was tot 2016 directeur van het Rijksmuseum Amsterdam en is daarna als directeur van de stichting Droom en Daad, gefinancierd door de vorig jaar overleden Rotterdamse investeerder Martijn van der Vorm, drijvende kracht achter de oprichting van Fenix.
Speciaal voor het gesprek heeft Pijbes een formule bedacht die het succes van het nieuwe museum zou kunnen verklaren, „eentje die rijmt: vrijheid, blijheid, snelheid”. Deze kenmerken verklaren volgens hem het succes van Fenix, Voorlinden en andere particuliere initiatieven: „Vrijheid kunnen de particuliere musea zich permitteren, en dat geeft meer blijheid en snelheid.” Maar hoe vrolijk deze formule ook klinkt, Pijbes bedoelt dit ook kritisch.
Want juist het „plezier om naar het museum te gaan” is volgens hem in veel publieke musea verloren gegaan. In plaats van plezier is een kramp in de plaats gekomen. Musea willen het zo graag „goed doen, ze willen geen fouten maken”, maar daardoor is „een heel pakket aan codes en regels” ontstaan. En ja, dat bedoelt hij ook politiek, met alle ethische codes, zoals rond MeToo en Black Lives Matter: „Maar het publiek wil gewoon weer goede kunst zien.” In Fenix blijkt volgens hem dat het publiek, ondanks het zware thema, wel „zin” heeft om te komen.
De trap binnen in Fenix.
In Voorlinden klinkt het vergelijkbaar uit de mond van Suzanne Swarts: „Ik hoor weleens hoeveel water andere musea bij de wijn moeten doen om de overheden tevreden te stellen”, zegt Swarts. Zij kan in de museumzalen daarentegen gewoon laten zien waar ze zelf als samensteller echt „verliefd” op is geworden. En ze heeft „de vrijheid om naar mijn eigen moraal te kunnen beslissen”.
Swarts vertelt hoe ze met Anselm Kiefer door de Wassenaarse duinen liep. De Duitse wereldster was in 2023 in Voorlinden om zijn tentoonstelling op te bouwen, en tijdens de wandeling zei hij ineens dat dit „een waanzinnige plek zou zijn om zijn torens op te bouwen”. Alles viel voor hem op zijn plek, zegt Swarts: de duinen, de zee in de verte, de bunkers uit de oorlog. Dat gesprek was „een trigger om na te denken: wat als we dat gewoon proberen?” En ja, Kiefers sculptuur van twee torens staat nu in de duinen, net binnen het hek van Voorlindens grondgebied.
Deze ‘vrije’ en ‘snelle’ aanpak kan alleen aanslaan omdat er een aantal pijlers onder zitten, zegt ze. Cruciaal is de architectuur van het museum, ontstaan nadat verzamelaar Van Caldenborgh en zijzelf vele boeken hadden gelezen, Amerikaanse voorbeelden hadden bezocht, en ontdekten dat het gebouw „niet groter dan een voetbalveld mocht zijn” om het bezoek behapbaar te houden. De architectuur en het idyllische landgoed in Wassenaar moesten in elkaar grijpen, buiten en binnen, het moest een totaalervaring worden, waarin de bezoeker tot rust kan komen. Geen tekstbordjes naast de kunst, de „visuele kracht” staat voorop, zodat de bezoeker energie krijgt, „zoals kunst bedoeld is”.
In 2022 staan bezoekers in de voormalige rechtbank aan de Parnassusweg Amsterdam, waar nu het Hartwig Museum wordt gebouwd.
Particuliere musea als een teken van crisis van de publieke sector? Het is, met andere argumenten, bij meer nieuwe initiatieven te horen. Aan de Parnassusweg op de Amsterdamse Zuidas zit Beatrix Ruf, voormalig directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam en nu voorzitter van de Hartwig Art Foundation, in haar kantoortje.
Schuin tegenover het kantoor wordt in het oude Gerechtsgebouw op de Zuidas tot 2028 het Hartwig Museum gebouwd. Het gebouw voor het Hartwig Museum is van de gemeente gehuurd, maar de programmering zal onafhankelijk zijn, zonder subsidie, de stichting krijgt het geld van miljardair Rob Defares – al benadrukt Ruf dat alle afspraken in „samenspraak met de gemeente” zijn gemaakt. Nu wordt de toekomst gepland: „In het huurcontract is vastgelegd dat het in ieder geval 100 jaar een museum zal blijven.”
Ruf plaatst de terugkeer van particuliere musea in een breder maatschappelijk verband. Publieke culturele instellingen in Nederland maar ook erbuiten hebben volgens haar in de jaren negentig „een trauma” opgelopen. Met de terugtrekkende overheidssubsidie werden ze steeds meer afgerekend op dat wat er „aan de kassa binnenkwam”, en verdween „de tijd om te falen en te slagen”. Hierdoor, zegt Ruf, verdween dat wat zij als „de basis van de kunstproductie” ziet: het onderzoek, het uitproberen, het experimenteren.
Precies die luxe van het onderzoek wil ze met haar Hartwig Art Foundation terugbrengen. Het museum moet gaan doen wat de stichting sinds 2020 eigenlijk ook al doet, zegt Ruf. Er wordt niet alleen nieuwe kunst aangekocht, maar met opdrachten en samenwerkingen wordt ook nieuwe kunst ontwikkeld, zowel beeldende kunst als muziek of theater. Inmiddels zijn er samenwerkingen met het Holland Festival tot aan de Biënnale van Venetië, waarbij de stichting onder andere betrokken was bij Seaworld Venice van Florentina Holzinger, dé Biënnale-hit van 2026.
Een productie van de Hartwig Foundation bij ITA 2025: Okwui Okpokwasili in ‘Minor Music at the End of the World’ van Saidiya Hartman.
Historisch gezien klopt de analyse van een veranderend cultureel klimaat als voedingsbodem voor particuliere musea, zegt socioloog Velthuis. Er komt een aantal oorzaken samen in de terugkeer, stelt hij. De makkelijkste verklaring is dat er simpelweg meer „heel vermogende mensen zijn gekomen, die al langer kunst verzamelden”. Maar het nieuwe geld is niet de enige reden, het heeft ook te maken met een veranderde culturele sector, waarin de overheid zich als geldgever meer heeft teruggetrokken en particulier initiatief groter belang heeft gekregen.
Na de oorlog was „de koninklijke weg voor een vermogende kunstverzamelaar die zijn collectie aan het publiek wilde laten zien, om die aan een publiek museum te schenken”, zegt Velthuis. Maar die depots zitten inmiddels vol. Tegelijkertijd zijn publieke musea vanaf de jaren negentig steeds sterker gestimuleerd om eigen geld te genereren, sponsors te zoeken. In dit nieuwe culturele klimaat zijn de nieuwe particuliere musea niet meer ‘on-Nederlands’. Particulier initiatief is nodig geworden, en daarmee worden ook privémusea van de allerrijksten makkelijker geaccepteerd.
Opvallend is dat onder de nieuwe museumoprichters weinig ‘oud geld’ zit, de meesten zijn ondernemers, zegt Velthuis. Hun motieven variëren, blijkt uit zijn onderzoek. Winst uit kaartverkoop speelt geen rol, want dat wordt volgens de socioloog met een eigen museum meestal niet gemaakt, een van de redenen dat faillissement nogal eens voorkomt. ‘De eigen collectie bij elkaar kunnen houden’ wordt wel vaak genoemd, of ‘iets aan de samenleving terug willen geven’, zoals de Hartwig Art Foundation het graag omschrijft. Ook is de status van kunstbezit in de 21ste eeuw duidelijk gegroeid, mede als gevolg van de hoge prijzen op de kunstmarkt. Een beduidend belastingvoordeel bij het doneren aan een eigen stichting is ook niet uit te sluiten, al kan dat moeilijk worden nagegaan.
De vraag is dan hoe de toename van deze nieuwe musea het museumlandschap in Nederland zal veranderen. Tot nu toe richtte een groot deel van de nieuwe musea zich op niches, zegt Velthuis, waarmee ze heel bewust iets anders willen doen dan de „gevestigde publieke musea”, zegt Velthuis. Voorbeelden hiervan zijn museum LAM (van ondernemer Jan van der Broek, van supermarktketen Dirk) met kunst rond voedsel, Museum More (van de in 2023 overleden zakenman Hans Melchers) met hedendaagse figuratieve kunst en in zekere zin ook Fenix over migratie. Maar inmiddels wordt de groep die vist in de vijver van de grote publieke musea groter – en daarmee wordt de discussie toch feller.
Naast een voormalige industriële hangar op het Hembrugterrein in Zaandam staat een Bentley geparkeerd. In dit oude munitiedepot zou dit najaar het ZaMu openen, een nieuw museum voor hedendaagse kunst schuin tegenover Amsterdam, dat qua oppervlakte groter dan het Rijksmuseum zou kunnen worden. Gebouwd wordt er al, maar het gaat toch wat langer duren, zegt mede-initiatiefnemer Serge Hannecart, Vlaams vastgoedondernemer: de opening is tot april 2027 uitgesteld.
Veel publiciteit kreeg de aankondiging van ZaMu in 2024, ook omdat er een discussie over het particuliere geld in de kunsten door oplaaide. De kern van de kritiek, onder andere in NRC, was dat met initiatieven als het ZaMu het grote geld – ‘de smaak van de miljardair’ – een beslissende factor in de presentatie van kunst zou kunnen worden. Volgens de critici zouden dit soort collecties vooral gedreven worden door de belofte van waardevermeerdering op de kunstmarkt – terwijl gesubsidieerde instellingen tenminste ruimte bieden aan experiment.
Ook socioloog Velthuis begon zijn onderzoek naar de particuliere musea in 2023 kritisch, vertelt hij: hij zag de opkomst van de „miljonairsmusea” als een uiting van de groeiende vermogensongelijkheid, die zich steeds meer zou weerspiegelen in het cultuuraanbod. Maar na drie jaar onderzoek is zijn conclusie anders. De bepalende ‘smaak van de miljardair’ blijkt volgens hem mee te vallen. Particuliere musea programmeren over het algemeen hetzelfde als de gevestigde publieke musea, zegt hij, en zijn daarmee eerder volgend dan sturend. Een museum als Voorlinden toont kunst die al „vrij bekend is, en die ook te zien is in de toptien van de bekende publieke musea, MoMa, Centre Pompidou”. Maar daarmee ligt er wel een tweede kritiekpunt op tafel: particuliere musea zouden alleen maar de grote namen laten zien, meer van hetzelfde.
In Voorlinden zorgt de discussie voor irritatie. De smaak van miljonairs, marktdenken? „Wij hebben geen adviseurs, we doen alles zelf”, zegt museumdirecteur Swarts. De suggestie dat haar museum slechts de grote musea en de markt zou volgen, wijst zij af. Ook vraagt ze zich af in hoeverre die discussie klopt: ook in publieke musea, met al die codes en voorschriften, zijn er mensen die willen bepalen wat er te zien is, ook politici, zegt ze: „En ik vraag me af of dat nu zoveel beter is.”
Nee, Voorlinden toont niet alleen gevestigde namen, zegt Swarts. De kunstwerken die Van Caldenborgh aan het museum schonk vormen het uitgangspunt, maar de museumcollectie groeit dagelijks, en ze „kan bij wijze van spreken schilderijen waarvan de verf nog nat is ophangen”, ook jong en experimenteel. „Ja, lekker mag het zijn”, zegt Swarts, want: „Lekker is niet vies, maar let wel: dat staat niet gelijk aan inhoudsloos.”
Showdepot van collectie De.Groen.
Volgens Beatrix Ruf van Hartwig zijn juist veel publieke instituten „bevestigend geworden”, uit noodzaak om genoeg publiek binnen te krijgen. Particuliere initiatieven kunnen hierop een aanvulling zijn – en zij is niet de enige met deze motivatie.
In Arnhem staat sinds deze week een nieuw zilver glimmend gebouw aan het water. Showdepot heet het monolithische gebouw aan de rand van de stad, rode led-letters staan op het dak, met ‘IETS ZIEN’ erop. Als een museum herken je het eerst niet, omdat het op een industrieterrein met meer rechthoekige gebouwen staat. Maar als je het gebouw binnenkomt, is het direct duidelijk: dit is een kunstruimte.
Hoge, bijna museale zalen worden in het Showdepot afgewisseld met opslagruimtes vol kisten met kunstwerken, zoals bekend uit het Depot van het Boijmans Van Beuningen. De getoonde kunst varieert van videokunst en conceptuele installaties tot hedendaagse figuratie, van sculpturen van Maria Roosen tot een échte wolk van Berndnaut Smilde. Maar één overeenkomst hebben de werken: dit is kunst die je vooral in experimentele kunstruimtes ziet, geen makkelijk werk voor boven de bank. Marktdenken speelt hier geen rol: „Het merendeel is onverkoopbaar”, vertelt verzamelaar Marjolein de Groen een week voor de opening. Ze verzamelt puur vanuit de eigen interesse, aanvankelijk gericht op haar eigen regio Arnhem, inmiddels Nederland en soms ook erbuiten.
De Groen, samen met haar vorig jaar overleden man Peter Jordaan initiatiefnemer van het ‘collectiegebouw’ Showdepot, is zelf kunstenaar. Aan de ene kant voelt ze zich daarom helemaal niet verwant met de particuliere musea van vermogende verzamelaars. Maar er zijn toch ook overeenkomsten. Kunstenaars De Groen en Jordaan begonnen in 2012 kunst te verzamelen, nadat De Groen een erfenis had gekregen, en toen de verzameling groeide wilden ze die ook graag aan publiek laten zien. Kort nadat Voorlinden was geopend, openden ze in 2017 hun eerste collectiegebouw in de binnenstad van Arnhem, en met het nieuwe Showdepot aan de Neder-Rijn zal de focus nog meer op tentoonstellingen komen te liggen.
Maar toen ze eenmaal hadden besloten „zich in het wereldje te gaan mengen”, wilden ze het wel „helemaal anders gaan doen”. Volgens De Groen tonen de gevestigde publieke musea vaak „hetzelfde”: „Er is nauwelijks nog plek voor iets dat afwijkt”, ook niet op de academies. „‘Bewezen talent’ heette de subsidieregeling van het Mondriaan Fonds voor kunstenaars. Dat laat het verschil goed zien, want wij willen juist ‘onbewezen talent’ laten zien.” Nu hoopt het Showdepot een stempel te kunnen drukken op het aanbod, zegt De Groen: „Het gebouw is niet voor niets een soort uitroepteken.”
Berndnaut Smilde, ’10 sec. ether’
Volgens Velthuis heeft de ‘terugkeer’ van de particuliere musea met zijn vele niches voor een „verrijking” van het aanbod in Nederland gezorgd. Maar aan de andere kant: met het succes van Voorlinden en de ambities van Hartwig lijkt de tijd van de particuliere musea als ‘niche’ toch ook wel voorbij. Zichtbaar wil het Hartwig Museum juist worden: „Experimenten moet je niet onder de museumtrap doen, je moet er juist groot mee uitpakken”, zegt Ruf.
In Amsterdam zal over een paar jaar in het noorden het ZaMu staan, in het midden het Stedelijk Museum, in het zuiden Hartwig; en allemaal tonen ze hedendaagse kunst. Ontbrandt er daarmee een concurrentieslag tussen publiek en privaat geld? Nee, sust Beatrix Ruf, de toename van het aanbod zal uiteindelijk alleen maar goed voor de cultuur in Nederland zijn. De komst van meer particuliere musea ziet ze als een positieve ontwikkeling, omdat het een nieuwe „civiele betrokkenheid bij cultuur” laat zien: als meer particulieren geld aan kunst willen geven, ontstaat er meer binding met de cultuur.
De samenwerking tussen publiek en privaat zal toenemen, denkt ze. Zo worden de kunstwerken die het Hartwig Museum aankoopt geen onderdeel van de kunstverzameling van de stichting, ze worden aan de Rijkscollectie geschonken, zodat álle Nederlandse musea die kunnen lenen. Ook wijst ze op de samenwerkingen die haar stichting aangaat. In Rotterdam is het de stichting Droom en Daad van Pijbes, die meerdere publieke instellingen met particulier geld ondersteunt.
In Voorlinden is de samenwerking tussen publiek en privaat in de jubileumexpositie Celebrating the Icons of Art letterlijk terug te zien. De expositie gaat over de „iconen” uit de eigen hedendaagse kunstcollectie, de kunstwerken die het publiek van Voorlinden „in het hart heeft gesloten”, zegt museumdirecteur Suzanne Swarts. Ze worden gecombineerd met bruiklenen moderne kunst uit grote publieke musea, in Nederland en daarbuiten.
Terwijl Ron Mueck nog wat verder aan zijn Boy-sculptuur retoucheert, opent Swarts behoedzaam de deur van de aangrenzende zaal. Daar hangt een groot blauw drieluik van Joan Miró, een Française staat op een ladder om het op te hangen. Het schilderij is uitgeleend door het Centre Pompidou, het grootste staatsmuseum voor moderne kunst in Parijs. „Een teken van vertrouwen”, vindt Swarts, „en bij ons ziet het er ook weer heel anders uit.”
Komende maanden openen vier nieuwe particuliere musea voor hedendaagse kunst en één dependance. Deze week opent in Arnhem het nieuwe Showdepot van de collectie De.Groen. Gepland dit jaar is het Drift Museum in Amsterdam, in 2027 ZaMu in Zaandam, in 2028 het nieuwe museum van de Hartwig Foundation op de Amsterdamse Zuidas. Later deze maand volgt de derde dependance van Museum More, More Twickel in Delden, dat opent op de plek van museum No Hero, dat in 2025 failliet ging. Vorig jaar openden Fenix Rotterdam en ArtZoo Amsterdam.
Rond tien jaar geleden was er ook een opleving in Nederland. Toen openden in 2015 onder andere More in Gorssel, Moco in Amsterdam, in 2019 LAM in Lisse. Bekende particuliere musea die in de jaren negentig openden zijn De Pont in Tilburg (1992) en Beelden aan Zee in Scheveningen (1994), het Frisia Museum (1997, na 2005 Scheringa Museum voor Realisme genoemd; failliet in 2009).
De musea zijn meestal het initiatief van vermogende kunstverzamelaars, het merendeel mannen, overeenkomstig met de grotere hoeveelheid mannen onder de allerrijksten. Joop van Caldenborgh, wiens Caldic-collectie aan de basis van Museum Voorlinden staat, verdiende zijn vermogen met het Rotterdamse chemiebedrijf Caldic. Achter het Hartwig Museum staat Rob Defares, die zijn miljarden met beurshandelshuis IMC verdiende. ZaMu is een initiatief van de Vlaamse vastgoedontwikkelaar Serge Hannecart en de Limburgse producent Ernest Mourmans. Achter het Drift Museum staat niet alleen de ontwerpersstudio Drift maar ook ondernemer Eduard Zanen, bekend van Bugaboo. LAM is gefinancierd door de familie van supermarktketen Dirk (ondernemer Jan van der Broek), Fenix is gefinancierd door de dit jaar overleden Martijn van der Vorm van investeringsmaatschappij HAL. Museum More is gebaseerd op de collectie van de in 2023 overleden Hans Melchers van het Arnhemse chemieconcern Melchemie.
De meeste particuliere musea staan in Duitsland (60) en in de VS (59). Eén ding blijft typisch Nederlands: terwijl particuliere musea in het buitenland regelmatig de naam van de schenker als museumsnaam gebruiken, is dat bij Nederlandse privémusea niet het geval, behalve in het kortstondige Scheringa Museum.