Tentoonstelling In de eerste grote expositie ooit over het nachtstuk in de beeldende kunst illustreert het Dordrechts Museum de vriendelijke en de angstaanjagende gezichten van de nacht.
Cornelis Snellinck: Stadsgezicht Rotterdam, fruitmarkt bij kaars- en maanlicht, met standbeeld Erasmus (ca. 1650-1660).
In Geoff Dyers onlangs vertaalde boek over jazz But Beautiful valt te lezen dat de befaamde saxofonist Lester Young (1909-1959) graag overdag naar de bioscoop ging. Hij had daarbij een voorkeur voor westerns omdat die zich volgens hem altijd ’s middags afspelen. Aldus liep de fictieve klok als het ware gelijk met de echte en kon Young na afloop van de voorstelling weer gemakkelijk landen in de werkelijkheid. Volgens deze redenering zou een bezoek aan de tentoonstelling From Dusk Till Dawn in het Dordrechts Museum over nachtstukken in de beeldende kunst, het beste kunnen plaatsvinden buiten de reguliere openingstijden. De thema’s en taferelen van de getoonde kunstwerken spelen zich immers af in het tijdvak tussen de avondschemering en het moment dat de bakker, letterlijk voor dag en dauw, zijn winkel opent.
From Dusk Till Dawn. T/m 21 februari, Dordrechts Museum. Info: dordrechtsmuseum.nl
Exposities over een historische periode of een bepaalde kunstenaar hebben vaak een chronologische opbouw. Maar waar die zich dan uitstrekt over jaren of decennia, is in deze tentoonstelling gekozen voor een inperking tot hooguit twaalf uren. Daarmee wordt niet alleen voor het eerst systematische aandacht besteed aan het genre van het historische nachtstuk (toentertijd bekend onder namen als ‘maneschijntjes’, ‘nachtjes’ of ‘nagtlicht’), maar wordt dat ook vanuit een originele invalshoek gepresenteerd. Ongeveer honderd schilderijen en tekeningen uit de 17de- en 18de-eeuwse Nederlanden zijn samengebracht, uit de eigen collectie en in bruikleen van voornamelijk Nederlandse musea. Ze zijn gerangschikt in een parcours waarin vignetten van klokjes steeds de blokuren aangeven waarin de weergegeven taferelen zich ongeveer voltrekken. De vraag is wel hoe nauw de thematiek van afzonderlijke kunstwerken werkelijk aansluit bij het overkoepelende narratief.
De rondgang begint bijna vanzelfsprekend bij het ‘gouden uur’ van namiddag en vroege avond. De Dordtse schilder Albert Cuyp wist de bijbehorende schemering meesterlijk weer te geven, bijvoorbeeld in een groot schilderij van Rustende ruiters in een landschap (1655-1660) waarin de twee figuren, hun paarden en een groep koeien baden in een diffuus, warm zonlicht dat lange schaduwen werpt. Een later tijdstip karakteriseert nachtelijke, maanverlichte landschappen waarin de schilder Aert van der Neer zich specialiseerde.
Aert van der Neer: Riviergezicht met trekschuit bij maanlicht (ca. 1646).
Omstreeks 1650 maakte hij een Riviergezicht met trekschuit bij maanlicht (Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam) met een landschap in groenbruine tinten onder een blauwgrijze wolkenlucht. Zoals eigenlijk altijd in de nachtgezichten van Van der Neer is het volle maan en daardoor betrekkelijk licht. Hoewel het, te oordelen naar de kale takken aan de bomen, een frisse herfst- of winternacht moet zijn, is er nog genoeg bedrijvigheid. Op de rivier liggen een trekschuit en nog twee bootjes met mensen erin. Op de voorgrond staat een groepje van vier figuren en een hond, misschien boeren of vissers die profiteren van het natuurlijke licht. De maan die het, net als de sterrenhemel, tegenwoordig al snel aflegt tegen lichtvervuiling was destijds een factor waarop nachtelijke reizen en werkzaamheden werden afgestemd.
Maar als we op de getoonde schilderijen mogen afgaan, speelden dergelijke bezigheden zich toch vooral binnenshuis af. Zo wordt er geslapen, zoals een groep fraaie tekeningen laat zien. Maar het is onwaarschijnlijk dat de figuren die, met al hun kleren aan en soms de hoed nog op, zitten te dommelen op een stoel, voor hun tukje hebben gewacht op het duister van de nacht. Een duidelijker verband met de kleine uurtjes vertonen schilderijen van wetenschappers en andere studieuze types die bij het flakkerende licht van kaars of olielamp folianten bestuderen of zitten te schrijven. Maar ook hier is ruimte voor twijfel, want kunstlicht was ook toen niet exclusief voor de nacht. In 1631 schilderde Dirck Hals een aandoenlijk tafereeltje van slechts 16 bij 21 cm van een moeder die de lokken van haar peuters op luizen controleert. Licht komt van de brandende lont van een lampje, maar de scène kan zich natuurlijk evengoed ’s nachts als overdag in een permanent schaars verlicht, raamloos kamertje afspelen.
De opvatting van de nacht als ‘ontijd’ geeft aanleiding tot thema’s met negatieve associaties, die ook in de kunst ontsnappen aan de weergave van de dagelijkse realiteit. Zo wordt de slaap soms gekaapt door nachtmerries, en is het donker de dekmantel voor ongure bijeenkomsten zoals de heksensabbat. David Teniers de Jonge schilderde een duistere Heksenscène (1645-1650), met in het midden een toverkol met een toorts in de hand. Ze wordt omringd door uilen en vleermuizen, Jheronimus Bosch-achtige duivels en, bovenin nog net zichtbaar, de bungelende benen van een figuur aan de galg.
Gerrit Dou: De astronoom (ca. 1650).
Bijna onlosmakelijk verbonden met het duister zijn ook reële activiteiten die spreekwoordelijk het daglicht niet kunnen verdragen, zoals stelen en stropen, mishandelen en doodslaan. Het zijn aspecten die de nacht ook tegenwoordig onherbergzaam en angstaanjagend maken. Niet voor niets heet de stichting die opkomt voor vrouwenrechten ‘Wij eisen de nacht op’. Ook in vroegere tijden loerden geweld en gevaar in het donker, maar het zijn geen aspecten die vaak worden uitgebeeld. Deze expositie benadrukt dan ook niet de criminaliteit, maar eerder de uitbundigheid van avondlijk vuurwerk en nachtelijke natuurfenomenen zoals kometen. Verder is het waarschijnlijk veelzeggend dat ook de doorsnee kunstenaar in de 17de eeuw de nacht toch maar liever binnenshuis doorbracht.