Home

Het huilende vrouwtje

Ik ben zo iemand die huilt op het werk. Niet dagelijks, natuurlijk. Maar wel, pak ‘m beet, jaarlijks.

De afgelopen jaren gebeurde het toen mijn oma overleed, toen ik me zorgen maakte over de democratische rechtsstaat (één keer), toen ik me zorgen maakte over mijn proefschrift (drie keer) en toen ik tijdens een cursus presentatievaardigheden tot waanzin werd gedreven door een theaterdocente van wie ik ten overstaan van een groepje collega’s telkens opnieuw dezelfde paar zinnen moest voordragen, terwijl zij me maar bleef onderbreken met commentaren als: ”Ik vóél het niet!” en ”Het komt pas bij ons binnen als je er iets van jezélf inlegt!”

Nou, dat heeft men geweten.

Toen ik over dat laatste huilincident naderhand met zorgvuldig gedoseerde zelfspot verslag uitbracht aan een bevriende filosofe met een paar decennia meer professionele ervaring achter de rug, reageerde zij met enige ironie: ”Ah, je was ‘dat vrouwtje’.”

Met die woorden vatte ze inderdaad precies samen hoe ik me had gevoeld toen het gebeurde, en hoe ik me eigenlijk altijd voel als ik moet huilen op het werk. Van mijn eigen natte ogen schiet mijn aandacht gelijk naar de blik van collega’s: wat zien zij als ze naar me kijken? Een verstoring van de sociale normaliteit, waartegenover zij zich op een of andere manier weer een houding moeten weten te geven. Een arm stumpertje, in plaats van de flegmatieke vakvrouw die ik zou willen zijn.

En, ja, meer dan ik zou willen toegeven voel ik me op zo’n moment dus ook heel erg: een vrouw. Uit onderzoek blijkt dat vrouwen jaarlijks gemiddeld tussen de 30 en 64 keer huilen; mannen 5 tot 17 keer. Afgaande op mijn eigen ervaringen en rondvraag bij vrienden zou het mij niet verbazen als ook op de werkvloer vrouwen zeker vijf keer zo vaak huilen als mannen. ”We zijn allemáál een keer ‘dat vrouwtje’”, zei de bevriende filosofe in het gesprek over die huilbui, en ik denk niet dat ze met de ‘we’ in die zin ook mannetjes bedoelde.

Bij de huilkloof tussen mannen en vrouwen schijnen hormonen een belangrijke rol te spelen. Schrijvers Maxim Februari en Tobi Lakmaker, beiden transman, hebben weleens opgemerkt dat ze sinds hun testosteronbehandeling veel minder in staat zijn tot huilen. Fascinerend vind ik dat, en jaloersmakend. Ik zou ook wel wat minder willen janken, in elk geval in de publieke ruimte en al helemaal in professionele context.

Dat heeft vooral te maken met de grote conclusies die er al snel worden verbonden aan huilen op het werk. Die kunnen zowel positief als negatief zijn. Denk aan de huilbuien van oud-NSC-leider Pieter Omtzigt, die een paar jaar terug breed werden uitgemeten in de media en het politieke roddelcircuit. De ene groep mensen zag in het gehuil het bewijs dat we hier te maken hadden met een volstrekt labiele figuur, ongeschikt als politicus. Anderen zagen Omtzigts tranen juist als een teken dat hij diep betrokken was bij de mensen, precíés wat we in de politiek nodig hebben.

Zulke zware gevolgtrekkingen zijn nou net wat ik vrees, als collega’s me zien grienen. Dat ze zullen denken dat ik een zwakkeling ben: dat zou natuurlijk het ergst zijn. Maar opmerkingen met tegenovergestelde strekking – ‘het toont juist dapperheid, dat je je emoties durft te laten zien!’ – slaan eveneens de plank mis, hoe goedbedoeld ook.

In de kern draait het hier denk ik om wat in de psychologie de ‘fundamental attribution error’ wordt genoemd: onze neiging om verklaringen voor iemands gedrag te veel te zoeken in diens karakter, en te weinig in de omstandigheden waarin diegene zich toevallig bevindt. Iemand komt te laat op een afspraak en we denken: ‘Wat een nonchalant type’. Terwijl het waarschijnlijker is dat de laatkomer onderweg met een oponthoud werd geconfronteerd.

Voor wenen op werk gaat hetzelfde op. Een collega die huilt heeft waarschijnlijk gewoon een slechte dag, een dode oma, of een traandrempelverlagende hormoonspiegel. Met een zwak of juist deugdzaam karakter heeft het allemaal weinig te maken.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next