Koelen bomen de zomerse stad? Een tocht met een thermometer draait uit op een lelijke teleurstelling.
De lommerrijke Lomanstraat in Amsterdam-Zuid.
De meest lommerrijke straat van Amsterdam is de Lomanstraat in Zuid zeggen de AI-machines. De Jacob Obrechtstraat, de Bredeweg en de Apollolaan zijn ook lommerrijk maar het lommerrijkst is de Lomanstraat. Dus daar op af! En het viel niet tegen want er staan daar platanen zoals je ze nergens ziet. Maar diepe schaduwen werpen die platanen niet. De Lomanstraat heet lommerrijk omdat makelaars hem zo noemen.
De waarschijnlijk meest belommerde weg van Amsterdam is de Willem de Zwijgerlaan in de wijk Bos en Lommer. Daar staat een dubbele rij oeroude platanen die de bewoners alle zicht op de hemel beneemt. Zelfs midden overdag zie je er geen hand voor ogen. Ook in deze straat is de luchttemperatuur gemeten.
Voor vrijdag 14 augustus was de laatste tropische dag van het seizoen aangekondigd, het was nog de enige kans om na te gaan wat bomen voor de stad kunnen betekenen. Steeds vaker hoor je beweren dat er meer bomen moeten komen omdat bomen de stad koel houden. Ze zouden die prettige eigenschap niet alleen danken aan hun schaduwwerking maar ook of vooral aan de latente warmte die ze inzetten om hun vocht te verdampen. Uit de ontelbare huidmondjes van de ontelbare boomblaadjes zou verkwikkende koele waterdamp de stad in stromen.
Maar zou het ook waar zijn? Dat moest nog van AW-wege worden onderzocht en het werd een lelijke teleurstelling.
Die vrijdag is tussen 15.45 en 16.30 uur de temperatuur opgemeten op twaalf punten in de stad, in straten met en zonder bomen en op drukke kruispunten. De gemeten waarden lagen tussen 35,1 en 33,6 graad en de spreiding was nog kleiner geweest als die middag niet geleidelijk koelere lucht uit het westen Amsterdam was binnengedrongen. De conclusie moet dus zijn: bomen doen praktisch niks met de temperatuur.
Dit stemt overeen met Minnaerts opmerking in De natuurkunde van ’t vrije veld (deel 2) dat tussen de temperatuur binnen en buiten een bos meestal maar een graad verschil zit, een uitspraak die vorige week nog kon worden bevestigd in een bos van eiken, linden en Spaanse aak bij Bergerac. Het was daar inderdaad maar één, soms twee graden warmer of kouder dan in de omgeving en veel systeem zat er niet in.
Dat het op zonnige zomerdagen binnen bossen toch zoveel koeler lijkt dan daarbuiten zit hem in het wegvallen van de directe zonnestraling, zegt Minnaert. Een paraplu kan die straling ook tegenhouden, maar een paraplu warmt dan zelf op en gaat evenzeer (zij het langgolvige) straling afgeven. Dat is ook het euvel van de stad waar muren, plaveisel en auto’s zó sterk kunnen opwarmen dat ze voelbaar hitte gaan afgeven. De temperatuur van die oppervlakken kan wel 20, 30 of 40 graden boven de luchttemperatuur uit stijgen.
Binnen een bos gebeurt dat niet. Boombladeren zijn „zo goed gekoeld door de wind en de verdamping” (Minnaert) dat ze praktisch geen straling meer afgeven. Dat is wat anders dan beweren dat de verdamping via de huidmondjes de lucht afkoelt.
Hoeveel zou de lucht theoretisch kúnnen afkoelen van die verdamping? Daar kan de amateuronderzoeker wel een slag naar slaan. We stellen ons een goed bebladerde linde voor met een bolvormige kroon van 12 meter diameter. Zo’n kroon verdampt ’s zomers bij voldoende vochtaanvoer per etmaal zo’n 325 liter water (AI). Let wel: alleen overdag. Het betekent een waterverlies van 7,5 gram per seconde. Staat de linde in een lichte (laminair gedachte) bries van 10 km/u, dat is 2,8 m/s, dan stroomt er per seconde 317 m3 lucht door de boom (π⋅r2⋅v). Als alle energie die voor de waterverdamping nodig is aan deze lucht wordt onttrokken, dan daalt die daardoor 0,05 graad in temperatuur. (Want de verdampingswarmte van water is 2.430 joule per gram en de soortelijke warmte van lucht 1.200 joule per m3 per graad). In werkelijkheid stroomt lang niet alle wind die op de linde afkomt door de kroon, de bulk stroomt eromheen. Voor de winddoorlatendheid (porositeit) van de linde wordt een waarde van zo’n 25 procent opgegeven (AI). Dan stroomt er per seconde maar 79 m3 door en zou de temperatuur 0,2 graad kunnen dalen. Maar áchter de boom verenigt deze lucht zich snel weer met de lucht die een omweg moest maken en waarschijnlijk nog wel méér omdat turbulentie is ontstaan. Voilà: de invloed van de verdamping is nihil.
’t Is ruw werk maar het staat toch wel vast dat verdamping nauwelijks invloed kan hebben. Subtielere modellen laten hoogstens een heel dunne schil van koele lucht rond alleenstaande bomen zien. Door AI opgedolven literatuur constateerde dat al een paar meter achter een boom geen enkel koelend effect meetbaar is.
Hier valt nog aan toe te voegen dat lang niet alle energie die voor het verdampen van het water nodig is aan de lucht onttrokken wordt. Een belangrijk deel wordt uit de bladeren zelf gehaald, vooral de bladeren die aan de buitenkant van de kroon door de zon beschenen worden. Zonder verdamping zouden die bladeren – vooral in tropische omgeving – zó heet kunnen worden dat fotosynthese en andere processen gevaar lopen. De laatste jaren wordt veel onderzoek gedaan aan de vraag welke mechanismen bomen kunnen inzetten om oververhitting te voorkomen. Op grote schaal wordt met infrarood stralingsmeters de temperatuur van boombladeren gemeten. Zelden worden bladeren gevonden met een temperatuur beneden de luchttemperatuur.
Samenvattend: het nuttig klimatologisch effect van bomen zit hem in hun schaduw. Die kan het plaveisel koel houden wat – indirect – weer enig invloed kan hebben op de luchttemperatuur. Maar niet veel.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin