Hoe hoger in de bergen marmotten leven, des te kouder hun holen zijn. Dan is het verleidelijk even op te warmen in de zon, waar ze wel ten prooi kunnen vallen aan adelaars, beren en andere rovers.
De Himalayamarmot is een van de hoogst levende zoogdieren op aarde: tot circa 5.500 meter in Nepal, Tibet en delen van India.
Opgegeten worden of kou lijden: wie voor die keuze komt te staan, zal hoogstwaarschijnlijk de voorkeur geven aan de tweede optie. Toch is het voor marmotten in de Himalaya geen makkelijk dilemma, ontdekte de Wageningse emeritus-hoogleraar Herbert Prins. Want in de holen van marmotten kan het flink koud worden – en dan kost het extra veel energie om warm te blijven.
Hoe hoger in de bergen de marmotten leven, des te kouder hun holen, schrijven Prins en zijn collega’s in Polar and cold regions research: op 4.750 meter hoogte is het begin juni op ruim een meter diepte slechts 0,7 graden Celsius. Ter vergelijking: op diezelfde hoogte rond dezelfde tijd kan een zonnige zuidhelling opwarmen tot wel 23 graden Celsius.
De energiebesparing die zo’n warme plek oplevert kan zó voordelig zijn voor hun overleving dat de marmotten de dreiging van sneeuwluipaarden, adelaars, bruine beren en wilde honden met enige regelmaat trotseren. Dat geldt wel alleen overdag, want ’s nachts koelt het buiten zodanig af dat het in de holen warmer is dan in de open lucht. En in de winter? Dan komen de marmotten helemaal niet naar buiten, omdat ze in diepe winterslaap verkeren.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin