Koopkracht Anders dan het publieke discours doet vermoeden, doet elke nieuwe generatie het beter dan de vorige. Zo gaat het heel goed met GenZ en de millennials, blijkt uit de vergelijking van de financiële welvaart van verschillende generaties.
Volgens het CBS hebben jongere generaties doorgaans meer koopkracht en een groter vermogen dan eerdere generaties op dezelfde leeftijd.
Ze zijn lui, snel beledigd en telefoonverslaafd. Hebben een korte aandachtsspanne en vinden tegenslagen maar moeilijk. Dat zijn de resultaten op de simpele zoekopdracht ‘kenmerken GenZ en Millenials’. Tientallen websites geven behulpzaam handleidingen hoe werkgevers met de andersdenkende generatie om kunnen gaan. Een site kopt: ‘Moeite met GenZ begrijpen? Zo spreek je hun taal’.
Het algemene heersende beeld van mensen die tussen 1985 en 2015 geboren zijn is dat ze het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt en geen huis kunnen kopen. Toch blijkt uit de vergelijking van de financiële welvaart van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat jongere generaties doorgaans juist meer koopkracht hebben en een groter vermogen (inclusief woningbezit) dan eerdere generaties op dezelfde leeftijd. Dat komt door een discrepantie tussen cijfers en beleving, zeggen experts die NRC sprak.
De koopkracht is in de periode van 1977 tot 2024 structureel gestegen. Daardoor is die van de jongere generatie hoger dan die van oudere, op vrijwel elke leeftijd. De pragmaten, de generatie geboren tussen 1970 en 1985, heeft op 45-jarige leeftijd een koopkracht die bijna anderhalf keer zo groot is als die van babyboomers (1945-1955) op dezelfde leeftijd, blijkt uit de CBS-cijfers.
Voor Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom bij CBS, is de over het algemeen positieve uitkomst geen verrassing. „Vijf jaar geleden publiceerden we een vergelijkbaar beeld. Iedere nieuwe generatie doet het op koopkracht en vermogen beter dan de generatie ervoor.”
Des te belangrijker om het verschil tussen „objectieve cijfers” en „subjectieve belevingen” te duiden, zegt Wilco van Dijk, hoogleraar economische psychologie aan Universiteit Leiden. „Je hoort vaak dat oudere generaties iets zeggen in de trant van ‘toen wij jong waren hadden we het echt moeilijk en nu koopt de jeugd alleen maar matcha lattes, dus ze moeten niet zeuren’. Maar die bewering is niet waar, natuurlijk.” Voor beleid moet je niet alleen afgaan op de cijfers, maar ook rekening houden met de beleving erachter, zegt de hoogleraar.
Hij noemt een voorbeeld uit de coronatijd. „Tijdens de pandemie nam het spaargeld van Nederlanders toe, werd trots verkondigd. Voor een deel klopt dat. Mensen met een vaste baan bleven geld verdienen, maar konden het niet uitgeven aan vliegvakanties of in een restaurant. Maar tegelijkertijd waren er ook Nederlanders die een nulurencontract hadden en dus helemaal niets verdienden.”
Diezelfde nuance moet volgens Van Dijk nu ook gemaakt worden. „Dat de jongere generatie meer koopkracht en een groter vermogen heeft dan de generatie ervoor op die leeftijd zegt dus niet alles.” Zo blijkt uit de nieuwste Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen uit 2024 dat ongeveer de helft van de Nederlandse jongeren (tussen 16 en 25 jaar) hun eigen mentale gezondheid ‘matig tot zeer slecht’ kwalificeert – ondanks de betere koopkracht en het vermogen.
„Daarnaast maken we het jongeren niet makkelijk door online gokken mogelijk te maken en ‘koop nu, betaal later’-aanbieders als Klarna de ruimte te geven”, zegt Van Dijk. „We moeten met zijn allen gezond financieel gedrag creëren.”
Het hogere doorsnee vermogen komt door een algemene toename tussen 1993 en 2024, meldt het CBS. Vooral in de periode tussen 2014 en 2022 is een flinke stijging te zien, door de oplopende huizenprijzen. Daarnaast heeft 75 procent van de jongeren een (bij)baan, wat leidt tot een groter vermogen. Een duidelijke knik in de grafiek over vermogens is zichtbaar aan het einde van die periode, in 2022. Dat komt door de hoge inflatie van destijds.
Op het eigenwoningbezit scoort GenZ juist weer het laagst ten opzichte van de generaties vanaf 1945. Uit het onderzoek blijkt dat de oorzaak ligt bij het woningtekort en de relatief hoge huizenprijzen. Tussen 25 jaar en 45 jaar is het woningbezit het hoogst bij de ‘pragmaten’ (1970-1985), zegt hoofdeconoom Van Mulligen. De ‘stille generatie’ (tot 1945) heeft veruit het minste eigenwoningbezit.
Het ‘comfortniveau’ verandert per generatie, zegt hoofdeconoom Van Mulligen. „Je ziet dat hoewel Nederlanders over de hele linie veel rijker zijn dan eerst, ze dat niet per se als zodanig ervaren. Dat komt door de perceptie en de standaarden van Nederlanders. Neem vliegen: als jongeren op vakantie gaan, nemen ze niet zelden het vliegtuig. Vroeger was dat iets bijzonder, nu betekent het niet eens per se dat je welvarend bent.”