In de laatste verhoorweek van de parlementaire enquêtecommissie corona mag ook Mark Rutte reflecteren op de pandemie. Volgens de oud-premier zal een kabinet bij een volgende crisis dezelfde keuzes maken. ‘We wilden code zwart voorkomen.’
is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over de volksgezondheid.
Aan het begin van zijn tweede verhoor waagt Mark Rutte zich aan een ontnuchterende voorspelling. De schoolsluitingen? De invoering van de avondklok? Al die zware maatregelen zullen volgens Rutte bij een volgende, vergelijkbare pandemie weer worden genomen.
Net als tijdens zijn vorige verhoor, voor de zomer, houdt de Navo-baas stevig vast aan zijn lijn dat hij als leider van een kabinet in crisis simpelweg ‘niet anders kon’. Hoewel in veel verhoren de kritiek klonk dat er te weinig oog was voor de maatschappelijke gevolgen van de coronamaatregelen, vindt Rutte in de kern niet dat er iets mis is gegaan in de bestrijding van de pandemie, zo blijkt maandag opnieuw.
Rutte is er niet op tegen om meer ruimte te geven aan meerdere perspectieven. Als een van de ‘lessen voor de toekomst’ suggereert hij dat een kabinet bij een volgende crisis ‘iedere zes tot acht weken’ een reflectiemoment inlast om te kijken of het beleid nog werkt. Maar of dat daadwerkelijk tot ander beleid leidt, betwijfelt de oud-premier.
Dat zit volgens Rutte in de doelstelling. Zo lang het uitgangspunt is dat ‘code zwart in de ziekenhuizen’ koste wat kost moet worden voorkomen, is er vaak geen ruimte voor een andere beslissing. In de toekomst zullen ‘dezelfde keuzes worden gemaakt’, zegt hij.
Hoe goed de adviezen over de ontwrichtende effecten van maatregelen in de samenleving ook waren, bij stijgende besmettingen kwamen ze simpelweg op de tweede plek, zegt Rutte. Het enige scenario waarin die weging anders was geweest, was als het kabinet de doelstelling had veranderd.
Het had er dan bijvoorbeeld voor moeten kiezen om meer sterfte te accepteren. Een andere optie was het isoleren van mensen die het meeste risico liepen op ernstige ziekte en sterfte, zoals kwetsbaren en ouderen. ‘Er waren mensen die daarvoor pleitten. Maar ik was daar tegen, en ik zou daar nog steeds op tegen zijn.’
In de kern komt Ruttes betoog deze maandagochtend eigenlijk neer op één woord: vrijwel alles wat tijdens de pandemie werd besloten, was uiteindelijk simpelweg ‘onvermijdelijk’.
Dat geldt ook voor de meest bekritiseerde maatregelen, zoals de avondklok en de scholensluiting. De avondklok zou volgens critici te repressief zijn geweest en een te grote inperking van de grondrechten hebben gevormd. Ook was het effect ervan voor betrokkenen onduidelijk.
Maar die kritiek heeft Ruttes lezing van het besluit niet beïnvloed. De modellen waren volgens hem duidelijk en al het andere was geprobeerd. Als de avondklok niet was ingevoerd, waren de ziekenhuizen volgens hem volgestroomd. ‘En dat wilden we niet, we wilden code zwart voorkomen.’
Datzelfde gaat volgens Rutte op voor de derde scholensluiting, in december 2021. Op die sluiting kwam kritiek, omdat de gevolgen voor kinderen toen goed duidelijk waren en de virusvariant die toen rondging weliswaar besmettelijker was, maar minder ziekmakend. Toch was de onzekerheid daarover toen te groot, zegt Rutte. Als het virus toch net zo ziekmakend was geweest als de vorige variant was ‘code zwart onafwendbaar geweest’.
De onvermijdelijkheid waarover Rutte maandag spreekt zit volgens hem ook in de werkwijze van het kabinet tijdens de pandemie. Zo legt de commissie de kritiek van oud-Kamerleden voor. Doordat maatregelen al voorafgaand aan een debat werden bekendgemaakt, stonden zij voor een ‘voldongen feit’. Ze voelden nauwelijks ruimte om bij te sturen en konden daardoor hun controlerende taak niet goed uitvoeren.
Maar Rutte vindt dat de Kamer haar taak wel degelijk goed heeft kunnen vervullen. Aan de volgorde van bekendmaking van de maatregelen zou hij bij een volgende crisis ook niet willen tornen. ‘Het lijkt me onvermijdelijk dat je het zo snel mogelijk met de samenleving deelt.’
Onvermijdelijk was volgens de oud-premier zelfs het berichtenverkeer tussen oud-ministers Ferd Grapperhaus (Justitie) en Hugo de Jonge (Volksgezondheid), waarmee zij in hun verhoren werden geconfronteerd. Grapperhaus noemde in een van de berichten toenmalig minister van Onderwijs Arie Slob ‘een soepjurkje’ en een ‘jankerd’. De Jonge noemde in een van de berichten een tijdrovend debat met de Kamer ‘ruk’. ‘Ooit zullen ze hiervoor gestraft worden in het hiernamaals’, schreef de minister.
In een crisis is het volgens Rutte ‘onvermijdelijk dat je af en toe stoom afblaast’. Hij is ‘best een beetje geïrriteerd’ dat de commissie de appjes überhaupt heeft voorgelegd. Volgens de oud-premier zeggen zulke berichten ‘helemaal niets’ over het functioneren van het toenmalige kabinet. ‘Het is niet fraai. Ik pleit er ook niet voor, maar het hoort bij het leven.’
Ook als de commissie benadrukt dat de berichten vragen oproepen over hoe er met tegenspraak werd omgegaan, houdt Rutte voet bij stuk. ‘Daarmee zou je de suggestie wekken dat andere bewindslieden niet in staat zijn hun eigen standpunt te verdedigen’, zegt de oud-premier. ‘Dit is wel de eredivisie (...) We waren niet aan het knikkeren.’
Het is kenmerkend voor Ruttes houding gedurende de twee verhoren: op vrijwel geen enkel vlak komt hij tegemoet aan de kritiek. In het kader van ‘lessen voor de toekomst’ kan de commissie wat Rutte betreft dus wel degelijk leren van het coronabeleid zoals het is gevoerd. Hijzelf zou het bij een volgende crisis in ieder geval niet heel anders doen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant