Oud-premier Mark Rutte tijdens verhoor van de Parlementaire Enquêtecommissie Corona.
Oud-premier Mark Rutte (VVD) is ”best een beetje geïrriteerd” over dat de enquêtecommissie naar het coronabeleid vorige week appjes uit de coronatijd heeft geopenbaard, waarin oud-ministers Hugo de Jonge en Ferd Grapperhaus (beiden CDA) toenmalige collega-politici beledigden.
„Mensen werken onder hoge druk. Het is een manier van stoom afblazen”, zei Rutte maandagochtend toen hij voor de tweede keer werd verhoord door de commissie. „Het is niet per se kwaad bedoeld. Maar het komt op tafel en dan is de hele samenleving er een paar dagen mee bezig. Het is niet fraai, maar het zegt helemaal niks.”
Grapperhaus noemde onder meer toenmalig minister Arie Slob (CU) een „soepjurkje” en een „jankerd”, De Jonge omschreef collega Kajsa Ollongren (D66) als „een bak grind in de machine van ieder besluitvormingsproces”. Ook noemde De Jonge een Kamerdebat „ruk” en schreef hij dat Kamerleden „gestraft worden in het hiernamaals”, omdat ze het kabinet van het werk hielden.
Bewindslieden zullen openhartige appjes niet meer uitwisselen als de mogelijkheid bestaat dat ze openbaar worden gemaakt, meent Rutte: „De volgende keer zullen ze het niet sturen, maar zullen ze het zeggen.” De apps kwamen volgens hem voort uit de „bonhomie” tussen Grapperhaus en De Jonge.
De enquêtecommissie verhoort deze week voor het laatst betrokkenen uit de coronatijd, met als thema ‘reflecteren en vooruitkijken’. Zelf reflecteerde Rutte de afgelopen tijd uitvoerig op de crisis, waarbij hij als premier twee jaar lang de leiding had, zo verklaarde hij maandag. De conclusie die hij trok, valt in één woord samen te vatten: „Onvermijdelijk.” Al tijdens het eerste halfuur van dit tweede verhoor nam Rutte dat woord ruim tien keer in de mond.
De huidige NAVO-baas bleef herhalen: dat het kabinetsbeleid zich vanaf maart 2020 voornamelijk richtte op besmettingen terugdringen – om een ‘code zwart’ in de ziekenhuizen te voorkomen – was onvermijdelijk. Evenals dat andere belangen, zoals de economie of het mentale welzijn van jongeren, op de tweede plaats kwamen.
Veel andere betrokkenen waren tijdens hun verhoor kritisch op die aanpak. Maar, zo benadrukte Rutte telkens: het kabinet kon niet anders. „Het is niet zo dat we de luxe hadden om maatregelen niet te nemen.” Dat voor zulke besluiten vooral werd geleund op de virusexperts in het Outbreak Management Team, was daarom volgens Rutte ook onvermijdelijk.
Sterker: „Als je stuurt op [het voorkomen van] code zwart dan is het onvermijdelijk dat je oplopende maatregelen neemt”, zei Rutte. „Als alle andere maatregelen zijn genomen dan kom je uit op een scholensluiting en een avondklok. En dat gaat de volgende keer weer gebeuren.”
De commissie probeerde Rutte soms van zijn boodschap af te brengen, maar dat lukte geenszins. De oud-premier herhaalde zijn stelling zo vaak dat commissielid Songül Mutluer (Pro) op enig moment opmerkte: „Ik ga mezelf herhalen om te kijken of u misschien een ander antwoord geeft.” Dat gebeurde niet.
Het kabinet had alléén tot andere afwegingen kunnen komen als de politiek had besloten dat het voorkomen van besmettingen niet het hoofddoel was geweest, betoogde de oud-premier. „Je had ook een andere indicator kunnen kiezen, zoals: we isoleren mensen met een zwakke gezondheid en zetten ouderen meer apart. Je kunt ook zeggen: we accepteren meer mensen die ernstig ziek zijn.”
Volgens Rutte vraagt dat om een „maatschappelijke discussie” waarvoor tijdens de plotselinge gezondheidscrisis nu eenmaal geen ruimte was. „Ik voorspel u: als er weer zo’n crisis komt en die discussie is niet gevoerd, dan gaat er weer een scholensluiting komen, weer een avondklok. Dat is onvermijdelijk.”
Wat een kabinet in een volgende crisis wel beter zou kunnen doen, volgens Rutte, is elke zes tot acht weken „reflectiemomenten” in te lassen, ”met de benen op tafel” en „zonder de druk van besluitvorming” om te kijken of het beleid nog werkt. „Dat is een van de lessen die ik zou trekken. Maar ik denk niet dat het bij mij tot heel andere conslusies zou leiden.”