Home

Vlak voor een trio beseft agent Peter dat z’n vaste seksdate toch echt drugs dealt. Heeft de diender ook informatie gelekt aan de dealer?

De Zitting Agent Peter D. verdenkt z’n vaste sekspartner al een poos van drugs- en wapenhandel. Wanneer hij uiteindelijk in paniek raakt en z’n leidinggevenden inschakelt, blijkt dat hij vertrouwelijke informatie aan de man heeft doorgespeeld.

Illustratie Leonieke Fontijn

De zaak

Politieagent Peter D. (31) staat vorig jaar januari op het punt een trio te hebben met een vriendin en een terugkerende ‘seksdate’, maar dan slaat de twijfel toe. Hij verdenkt die date, gastheer Sven M., al een tijdje van drugs- en wapenhandel en beseft nu plotseling dat het contact met M. weleens gevaarlijk zou kunnen uitpakken.

„Ik dacht ineens: wat ben ik in godsnaam aan het doen?” vertelt hij anderhalf jaar later in de rechtbank in Den Haag. „Ik weet dat dit een foute jongen is – en toch neem ik d’r een dame mee naartoe.”

D. heeft die avond harddrugs gebruikt van het soort dat woelige onrust opwekt – welke precies kan hij zich niet herinneren – en maakt zich zorgen. Hij annuleert het trio en vertrekt in staat van paniek naar z’n huis in Oegstgeest. 

Thuis vraagt hij een collega langs te komen. D. vertelt dat hij heeft ontdekt dat de man met wie hij geregeld seks heeft, betrokken is bij drugs- en wapenhandel. Hij zou ook gezegd hebben dat M. explosieven in huis heeft. Maar hoe kan D. veilig het contact verbreken? M. weet dat hij politieagent is én drugs gebruikt.

En D. heeft meer te bekennen. Hij heeft M. in de politiesystemen opgezocht en is gestuit op een melding. Die informatie heeft hij, zo vertelt D. die avond, aan M. doorgespeeld. M. zei al te vermoeden wie de melding had gedaan: z’n overbuurman, eveneens agent. Daar zou M. „iets aan gaan doen”.

In de uren daarna smeekt D. zijn leidinggevenden om snel in te grijpen. Anders zal M. ongetwijfeld ontdekken dat hij zijn collega’s heeft ingelicht, zo redeneert hij.

De naam van M. was D. eerder toevallig tegengekomen tijdens zijn werk, toen hij onderzoek deed naar een adres dat in verband werd gebracht met drugs en overlast. Als hij later vermoedt dat M. bij zwaardere criminaliteit is betrokken, zoekt hij gerichter naar diens woonadres, auto en antecedenten. Hij wilde zijn leidinggevenden informeren en dat zo volledig mogelijk doen, verklaart D.

Op zijn telefoon staan op dat moment 41 notities en ruim honderd foto’s uit politiesystemen, waaronder kentekens en registraties. Een deel daarvan gaat over M.

Een week nadat D. zijn verhaal heeft gedaan, valt de politie de woning van M. in Rotterdam binnen. Tussen de drugs en wapens treffen de agenten een onverwachte bezoeker aan op de bank: agent D.

Hij wordt aangehouden en vastgehouden op verdenking van betrokkenheid bij de drugs en wapens. Daarvan wordt hij later vrijgesproken, maar zijn baan raakt hij die maand kwijt. M. wordt wel veroordeeld. 

Ruim anderhalf jaar later staat D. opnieuw terecht, dit keer bij de politierechter in Den Haag. De zaak draait om drie vragen: zocht hij zonder legitiem politiedoel naar M. in de systemen; mocht hij de aangetroffen gegevens op z’n privételefoon bewaren; heeft hij de geheimhoudingsplicht geschonden door M. over de melding van de overbuurman te vertellen.

Volgens de officier van justitie gebruikte D. politiebevoegdheden voor een privéprobleem. In plaats van het contact met M. te melden, ging hij zelfstandig uitpluizen. Bovendien bewaarde hij politiegegevens op zijn telefoon en deelde hij vertrouwelijke informatie met iemand die hij van drugs- en wapenhandel verdacht. De officier eist tachtig uur taakstraf.

„Ik vind het oneerlijk dat ik word vervolgd”, zegt D., die in een losse, donkergrijze trui voor de rechter verschijnt. „Ik heb niets fout gedaan.”

Dat hij politiegegevens op zijn privételefoon bewaarde, was volgens hem niet ongebruikelijk. „Dat doet iedereen”, zegt hij. „Vroeger hadden mensen een notitieblokje”, vult de advocaat aan. „Dat mocht ook gewoon.”

Ook ontkent D. dat hij informatie aan M. heeft gelekt. „Dat zal ik wel gezegd hebben tegen mijn collega, maar ik was erg in de war die avond”, zegt hij. Hij wijst erop dat hij die avond „van alles zei dat niet klopte”. De explosieven die volgens hem in M.’s huis lagen, werden immers „nooit gevonden”.

Het oordeel

De rechter komt op twee punten tot vrijspraak. D. zocht volgens hem wel degelijk met een politiedoel: hij verzamelde informatie om zijn leidinggevenden over M. te kunnen inlichten. Ook is het niet per definitie strafbaar om politiegegevens op te slaan op een privételefoon.

Op één punt volgt de rechter het Openbaar Ministerie wel: D. heeft de melding aan M. doorgespeeld. Het grootste deel van wat D. die avond vertelde, bleek waar en bevatte een beslissend detail: de naam van de agent die M. verdacht, stond niet in D.’s zoekresultaten. Dus D. moet die van M. hebben gehoord, nadat hij de melding ter sprake had gebracht.

De rechter legt geen straf op. D. kampt met psychische problemen, waaronder ADHD en PTSS. Bovendien heeft hij vastgezeten – zij het voor een ander delict – en is daarvan vervolgens vrijgesproken. Waarschijnlijk krijgt hij daarvoor wel een vergoeding, maar die tijd krijgt hij niet meer terug, zegt de rechter. Daarnaast is de kans klein dat D. z’n baan terugkrijgt. En dat lijkt de rechter straf genoeg.

In deze rubriek beschrijven verslaggevers elke week een rechtszaak.

De Zitting

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next