Cultuurdebat Het Paradisodebat in Amsterdam trapt jaarlijks het nieuwe culturele seizoen af. Tijdens de 25ste editie gingen makers, media en de politiek in gesprek over de macht en kracht van AI in het cultuurlandschap. Conclusie: we moeten uit de Amerikaanse tech-trein stappen.
Het Paradisodebat 2026. Op de foto: Laurens Dassen (Volt), Erik van der Maas (VVD), Sarah El Boujdaini (D66), Barbara Kathmann (PRO) en Jantine Zwinkels (CDA).
„AI is cultuurpolitiek”, zegt Jeroen Bartelse, voorzitter van belangenvereniging Kunsten ’92 aan het begin van het jaarlijkse Paradisodebat. Maar wat betekenen die woorden precies? Daarover gingen makers, softwareontwikkelaars en politici zondag tijdens het 25ste Paradisodebat in gesprek. De conclusie: regelgeving voor kunstmatige intelligentie moet aangescherpt en Europa moet minder afhankelijk worden van Amerikaanse Big Tech.
Het thema blijkt eigenlijk te breed voor de opzet van het debat: twee uur gesprekstijd, vijftien sprekers. Zonder pauzes en met ruimte voor een handjevol publieksvragen blijft het gesprek steken in een fragmentarische verzameling ervaringen. Waar het debat af en toe richting de verdoemenis van de cultuursector dreigt te hellen, biedt de ‘auto’-metafoor die iemand in het publiek aandraagt geruststelling: AI mag onoverzichtelijk en bedreigend lijken, paardenkoetsiers waren óók bang toen de auto werd uitgevonden.
Softwareontwikkelaar Bert Hubert heeft een andere metafoor: volgens hem zitten we in een trein, bestuurd door Amerika. Europese programmeurs zijn volgens Hubert overgeleverd aan een steeds kleiner wordende groep Amerikaanse Big Tech-bedrijven, die gezamenlijk zo’n drieduizend miljard dollar rondschuiven. We stappen blindelings in deze „Amerikaanse trein”, al hebben we met chipfabrikant ASML wel een behoorlijke vinger in de pap.
Europa probeert het wel, maar volgens Hubert nog te weinig productief. Zo trekt de EU 30 miljard euro uit voor AI-fabrieken. „Maar dat is iets als de literatuur stimuleren met drukpersen en papier”, vindt hij. Europa moet volgens hem op een geheel eigen trein stappen. Een duurzame, bij voorkeur.
Stefan Heijdendael van NDP Nieuwsmedia, de brancheorganisatie voor private nieuwsorganisaties, benadrukt dat (media-)makers nu te veel functioneren als grondstofleveranciers voor Amerikaanse techbedrijven. Samen met GPT-NL ontwikkelde NDP een blauwdruk voor een nieuw AI-model, getraind met eigen archiefmateriaal en gebonden aan auteursrecht, privacywetgeving en met goede afspraken over vergoeding. Zijn boodschap aan Brussel: het kan wel. „Het is een taaie puzzel, maar ik wil niet dat een chatbot de wereld voor mij samenvat.”
Ook kunstenaars en makers nemen deel aan het debat. Filmregisseur Jean Charles Counet vertelt over de euforie die hij voelde toen hij AI ontdekte; „de grootste uitvinding sinds de uitvinding van film zelf”. Maar die euforie sloeg al snel om in scepsis. Counet maakt zich nu, net als de andere makers aan tafel, vooral zorgen over de ‘goudroof’: kunstenaars voeden zonder toestemming hun robotische evenbeeld.
Het aansluitende politieke debat met vertegenwoordigers van D66, PRO, VVD, Volt en CDA blijkt daarna verfrissend door de zeldzame politieke consensus. Kamerleden kibbelen over details, maar zijn het eens over de noodzaak van strengere regelgeving rond AI en het verminderen van de Europese afhankelijkheid van Amerikaanse Big Tech. „Zullen we de begrotingen voortaan ook in Paradiso doen?”, verzucht een jongerenvertegenwoordiger van de EU.
Hoe die regelgeving er precies uit moet komen te zien, blijft onduidelijk in de dertig seconden spreektijd die voor elke politicus beschikbaar is. De toehoorder blijft achter met dezelfde vraag: hoe vertaalt deze politieke eensgezindheid zich naar de praktijk?
Het meest vernieuwende perspectief komt van antropologe Payal Arora, hoogleraar inclusieve AI en oprichter van het Inclusive AI Lab. Volgens Arora wordt het Westerse debat over kunstmatige intelligentie onterecht gedomineerd door angst. „Het Zuiden heeft meer te verliezen en is toch veel optimistischer”. AI is een kans op democratisering, aldus Arora. Voor mensen in minder goed bediende gebieden kan AI toegang en emancipatie bieden. Zo kan een klein Indiaas mediabedrijf met behulp van AI als tolk een veel grotere markt bedienen. Daarbij mogen we de huidige machtsverhoudingen niet uit het oog verliezen. De macht van Silicon Valley baart haar wel zorgen.
De consensus: ‘we’ moeten uit de Amerikaanse tech-trein stappen. Maar om te bepalen hoe dat moet gebeuren, is langer tijd nodig dan één ochtend.
Payal Arora, hoogleraar Inclusieve AI Culturen aan de Universiteit Utrecht en oprichter van the Inclusive AI LAB.