Journalisten Gerry van der List en Lotfi El Hamidi beschrijven dezelfde gebeurtenissen en citeren uit dezelfde bronnen, en trekken totaal verschillende conclusies.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Ik ben bang voor naalden. Al sinds mijn basisschooltijd, na een lang ziekenhuisverblijf. Telkens als ik deze fobie benoem, haasten mensen zich om te zeggen: joh, het is maar een prikje, het is zo voorbij, het doet geen pijn.
Dat weet ik en dat is het hele punt. Het is een fobie, en dus niet rationeel.
Ergens dacht ik dat Gerry van der List, journalist bij EW (voorheen Elsevier), deze irrationaliteit zou onderzoeken in zijn pas verschenen boek Het recht op islamofobie.
Dit bleek rijkelijk naïef. In zijn boek schiet Van der List helder door drie decennia publiek debat heen om tot zijn conclusie te komen dat islamofobie niet zozeer een recht is, maar de logische conclusie van ‘de islamitische uitdagingen voor de Nederlandse samenleving’. Hij schrijft: ‘Wat door moslims, en door opmerkelijk veel linkse intellectuelen, voor islamofobie wordt versleten, is vaak begrijpelijke beduchtheid.’
Het toeval wilde dat ik Van der List las kort nadat ik een boek had gelezen van precies zo’n linkse intellectueel, moslim bovendien, Lotfi El Hamidi, getiteld Stakkers en wolven. (Ik zeg er maar meteen bij dat Lotfi ooit mijn collega was bij De Groene Amsterdammer, onafhankelijk weekblad sedert 1877.)
Die twee boeken leverden een unieke leeservaring op. Zelden verschenen twee boeken die zozeer overlapten en elkaar zozeer tegenspraken. El Hamidi en Van der List beschrijven veel van dezelfde gebeurtenissen, citeren uit dezelfde stukken – en geven er een diametraal andere betekenis aan.
Van der List citeert met instemming een NRC-column van Gerrit Komrij, die furieus was over de duizenden moslims die de straat op gingen om hun steun uit te spreken voor Khomeini’s fatwa over Salman Rushdie: ‘We hebben ze als stakkers verwend, en we krijgen ze als wolven terug.’
El Hamidi citeert Komrij ook – hij vernoemde zelfs zijn boek ernaar – maar dan als voorbeeld van de giftige taal die al decennia over moslims wordt uitgestort.
Van der List haalt met instemming Frans Timmermans aan, die over de moordpartijen van Hamas op 7 oktober 2023 zei dat Hamas ‘een cultuur van de dood [is] en wij zijn een cultuur van het leven’.
Van der List schrijft ook: ‘Mensen zijn niet gelijk, en culturen evenmin. (…) Hoewel ‘de’ islamitische wereld tal van stromingen kent, scoort zij over het geheel genomen bedroevend wat betreft vrijheid van meningsuiting, vereniging en godsdienst, democratische en economische ontwikkeling en de rechtspositie van minderheden en vrouwen. Uitgaande van het fraaie ideaal van de mensenrechten lopen islamitische landen dus inderdaad flink achter.’
El Hamidi citeert ook Timmermans, maar plaatst er juist een vraagteken bij. Kun je nog volhouden, denkt hij, dat ‘wij’ de cultuur van het leven zijn, als wij Israëls genocidale geweld in Gaza een hand boven het hoofd houden?
Als de twee boeken één ding laten zien, is het wel hoe weinig neutraal terrein er in dit debat is. Wat El Hamidi ‘pro-Palestijns’ noemt, zal Van der List ‘antisemitisch’ noemen. Van der List citeert deskundigen en filosofen als Ruud Koopmans, Bernard Lewis en Roger Scruton, waarvan El Hamidi vermoedelijk zou zeggen: dat zijn geen neutrale bronnen, vrind, dat zijn partijdige opiniemakers. El Hamidi citeert bronnen als Frantz Fanon en Edward Said, van wie Van der List allicht zou zeggen: pardon, dat zijn terroristenapologeten.
Natuurlijk zijn de boeken geen gelijke grootheden. Van der List is de soms deftige, soms sneren uitdelende commentator, die zich beroept op zijn lezing van de Koran en tal van WRR-rapporten. Herhaaldelijk betoogt hij dat de media en dan vooral linkse intellectuelen en academici wegkijken van islamitisch geweld.
El Hamidi beschrijft de islamitische migrantengemeenschap persoonlijk, van binnenuit, als een wereld die constant in beweging is. Hij laat de frustratie voelen die ontstaat wanneer media glashard moslims en migranten het gevoel geven dat hun levens minder waard zijn: ‘Twintig Palestijnse doden was een kort nieuwsbericht, twintig Israëliërs breaking news.’
Beiden voldoen aan elkaars kritiekpunten: El Hamidi schrijft zelden over extremistische aanslagen van de laatste jaren of het IS-kalifaat. Van der List noemt daarentegen Gaza welgeteld één keer.
Maar om even terug te komen op fobieën en angsten die onredelijk zijn.
Een paar jaar geleden verscheen Van der Lists boek over de VVD: Liberale lessen – Macht en onmacht van de VVD. Dat was ijzersterk, omdat Van der List intuïtief aanvoelde wat ideologie was en wat persoonsgedreven, wat symbool was en wat écht. Kortom, welke retoriek je bij de VVD serieus moest nemen, en welke je kon relativeren.
Dat relativeren miste ik nu. Wat telt voor Van der List als de islamificering van Nederland? Hij heeft het over de zelfcensuur die bijvoorbeeld publieke intellectuelen en cartoonisten zichzelf opleggen wanneer ze over de islam spreken. Én hij heeft het over een voetbalwedstrijd die een paar minuten wordt stilgelegd, zodat een islamitische speler tijdens de ramadan bij zonsondergang vlug iets kan eten.
Het een is inderdaad een probleem, het ander nauwelijks een ongemak (ik heb het nagezocht; de Sparta-wedstrijd lag twee minuten stil). Waar zijn islamofoben precies bang voor? Dat Suikerfeest een feestdag wordt? Voor de lange arm van Saoedi-Arabië? Dat het land waarin ze leven verandert?
Van der List heeft het vooral over de dreiging die hij waarneemt voor onze verlichtingswaarden, en precies daar bleef ik aan haken. Ik begon hierover na te denken toen ik las wat Van der List schreef over 11 september 2001:
‘Wat de regering van George W. Bush ook fout moge hebben gedaan, zij zal altijd met dank en eerbied worden herinnerd voor de beheerste reactie na 11 september. De Amerikaanse president maakte direct duidelijk geen oorlog met de islam te willen en eiste respect voor moslims. Daarnaast bereidde hij rustig een militaire actie tegen Afghanistan voor, een actie die een belangrijk bolwerk van de terroristen verwoestte en tot de (helaas tijdelijke) verdwijning van een totalitair regime leidde.’
Met dank en eerbied? Beheerst? Ik krabde aan mijn hoofd en pakte Reign of Terror (2021) erbij, het boek van Pulitzerprijswinnaar Spencer Ackerman, die voor onder meer The Guardian en The New Republic verslag doet vanuit plekken als Washington, Irak en Afghanistan.
Ackerman schrijft: ‘Als antwoord op 9/11 viel Amerika twee landen binnen en bezette ze, bombardeerde vier andere landen, doodde ten minste 801 duizend mensen – het volledige aantal zal nooit bekend worden – joeg miljoenen mensen schrik aan, martelde honderden, sloot duizenden op, gaf zichzelf de bevoegdheid om een mondiaal surveillancesleepnet op te bouwen, liet zijn veteranen onverschillig aan hun lot over, behandelde een volledig werelddeel als crimineel, maakte van immigratie een misdrijf en gaf te verstaan dat vrijwel alles wat het deed legaal en grondwettelijk was.’
Het klopt dat Bush direct na de aanslagen zei dat hij geen oorlog tegen de islam wilde, maar dagen later ondermijnde hij die boodschap al door over ‘een kruistocht’ tegen Amerika’s vijanden te spreken. Kruistocht heeft een toch niet te missen connotatie van christenen vs. moslims, en gek is dat niet, want de vijanden die Amerika te lijf ging waren exclusief moslims.
Het grote probleem, betoogt Ackerman, is dat Bush de vijand nooit definieerde en dus ook nooit een raamwerk creëerde voor hoe en waar en wanneer de oorlog zich moest afspelen. Zo werd het operationele gebied van het Amerikaanse leger en vooral de veiligheidsdiensten steeds verder uitgebreid, kregen ze steeds verder reikende bevoegdheden die ten koste gingen van burger- en mensenrechten, en werd overzicht op die diensten en op de executive powers van de president ingeperkt.
De vijand was wie je wilde dat de vijand was: Al Qaida in Afghanistan, Saddam Hoessein in Irak of migranten in eigen land.
Terwijl Irak en Afghanistan implodeerden, kreeg de burger martelschandalen als Guantánamo Bay en Abu Ghraib voor de kiezen. Talloze politici deden die eufemistisch af als foutjes, incidenten, niets om je druk over te maken, met de subtekst: wat je moslims aandoet, telt niet. Bovendien: wie kritiek heeft, is niet patriottistisch.
Via deze weg trekt Ackerman een interessante lijn naar de wankelende Amerikaanse democratie van vandaag. Trump belichaamt een unieke paradox, betoogt Ackerman. Hij belichaamt de woekerende onvrede die bij miljoenen Amerikanen loskwam over de mislukte uitvoering van de war on terror, waarbij technocraten, beleidsmakers en andere bestuurlijke elites hun autoriteit verspeelden. Hij praktiseert dagelijks de war-on-terror-retoriek, waarbij je iedereen kunt aanwijzen als terrorist of landverrader, en hij gebruikt veiligheidsdiensten en zijn uitgebreide uitvoerende machten om naar willekeur migranten, buitenlandse machten of persoonlijke vijanden aan te vallen. Hij is zowel de erfgenaam van de afkeer van de war on terror als de macht die erbij loskwam.
Volgens mij ligt hier de blinde vlek van Het recht op islamofobie. Van der List geeft het Westen een superioriteitspositie ten opzichte van de islamitische wereld, omdat wij de verlichtingsidealen bezitten: vrijheid, gelijkheid, broederschap, scheiding van kerk en staat, vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting.
Dat zijn allemaal grote rechten, waarover je niet relativerend moet doen. Vanuit het belang van die vrijheden wil je ook mensen hun angsten gunnen, en niet zeggen; joh, het is maar een prikje. We hebben allemaal onze geleefde ervaringen, en je kunt niet wegwuivend doen over hoezeer de beelden van de aanslagen van 11 september, of op Theo van Gogh, of op de Bataclan, of laatst nog, op de Pride in Berlijn, uitgevoerd door moordenaars die zich op de Profeet beriepen, zich in de geest van mensen hebben genesteld. Ze staan op het collectieve netvlies gebrand.
(Het had El Hamidi gesierd als hij hier meer oog voor had gehad, en niet zo snel elk ongemak met de islam had afgedaan als een blijkbaar inherent racisme van de Nederlandse bevolking.)
Maar uiteindelijk zijn we ook volwassenen, en als het tijd is voor die vaccinatie, dan rol je je mouw op. We bezitten de intellectuele vermogens om de daden van een extremistische minderheid niet op een veel grotere, heterogene groep te projecteren. We hebben ook de verplichting rationeel naar de wereld te kijken, door onze fobieën heen. En dus, als je je zorgen maakt over de verlichtingsvrijheden in het Westen, dan zie je (of ik tenminste) dat die vrijheden hoofdzakelijk worden bedreigd door gekozen politici met nota bene een uitgesproken anti-islamagenda.
Hier sluit Ackermans betoog aan, want je ziet het in de VS en je ziet het op talloze plekken in Europa. Het zijn de radicaal-rechtse, uitgesproken islamofobe leiders die de rechtspraak willen politiseren, die kritische journalisten en wetenschappers demoniseren, voor wie vrijheid en gelijkheid alleen gelden voor wie het hun uitkomt, die broederschap met iemand buiten de eigen groep sowieso onzin vinden, die in wet en beleid de dagelijkse levens van vrouwen, homo’s en trans personen verzuren door verworven rechten terug te draaien.
Wie zich zorgen maakt over verlichtingswaarden, zou eens moeten kijken naar de AI-oligarchen en de techbaronnen die aan tafel zitten bij Trump en ook in Europa hun politieke invloed laten gelden. Zij schuren aan tegen wat (ook door henzelf) de Duistere Verlichting wordt genoemd: de filosofie dat mensen niet gelijk zijn, dat de democratie tekortschiet, dat mensen schapen zijn die met harde hand door een sterke leider moeten worden gedirigeerd.
Als je bang bent dat het land waarin je leeft onherkenbaar verandert, dat jouw verlichtingswaarden worden ondergraven, wie vormt dan het grootste gevaar? Zoals El Hamidi opschrijft: wij zijn niet met de meesten. Dat is het rechts van ‘eigen volk eerst’, het rechts dat alleen maar groeit.
Gerry van der List: Het recht op islamofobie. Prometheus; 256 pagina’s; € 23,99.
Lotfi El Hamidi: Stakkers en wolven – In de schaduw van Gaza. Pluim; 159 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant