Home

In ‘Johnnie Walker’ schrijft Connie Palmen zinnen van graniet, die steeds meer vragen oproepen

Nederlandse literatuur Wie een verhaal maakt van zijn leven, selecteert, vult aan, vult in, verzint dus. Daar is Connie Palmen zich als weinig andere schrijvers scherp van bewust. Toch kiest ze in haar nieuwe, autobiografische roman vooral voor stelligheid. Wat zoekt ze?

Connie Palmen.

Johnnie Walker, de nieuwe roman van Connie Palmen (1955), is een terugblik. Op een leven, een schrijverschap, een jeugd. En een verslaving aan de drank: het whiskymerk uit de titel is de naam die de verteller er romantisch-eufemistisch aan geeft. Johnnie Walker is de personificatie van de alcohol, als een stoere, begeerlijke, meeslepende kameraad, die in de vormende jaren van de hoofdpersoon de verhoopte plek ging innemen van het gezin. Zij koos voor een andere route dan waarheen de gemeenschap van haar jeugd haar zou leiden: geen voortplanting en huisvrouwenleven, maar het individualisme en de eenzaamheid van het schrijverschap. Johnnie Walker wees haar die weg.

Connie Palmen: Johnnie Walker. Prometheus, 228 blz. € 23,99

De ‘verteller’, de ‘hoofdpersoon’? Moeten we wel zo braaf en voorzichtig ervan uitgaan dat in iets dat zich roman noemt de hoofdpersoon en de auteur niet zomaar vereenzelvigd mogen worden? Nee hoor, hier kunnen we gewoon zeggen: Connie Palmen, auteur en tevens hoofdpersoon. Natúúrlijk is dit autobiografisch. Tegen het einde van haar verhaal verklaart Palmen „de roman als per definitie autobiografisch” te beschouwen. Want „al gaat hij over een witte walvis of een vuurtoren, niets eigener dan onze verbeelding, ons denken, hoe aangeleerd ook”.

Wel vreemd dat Palmen in diezelfde alinea ook verklaart een „lichte afkeer” te hebben van autobiografieën. Ze wantrouwt het genre, „net als dagboeken en brieven” en als „het evenzo bedrieglijke genre van de memoir”. Opmerkelijk, want wat lezen we hier eigenlijk? Johnnie Walker mag ‘roman’ heten, maar heeft veel weg van een autobiografie of memoir.

Zichzelf fileren

Niettemin past het wantrouwen in een lange lijn die door het oeuvre van Palmen loopt: het draait om bedrog, om zelfbedrog misschien wel. Ze filosofeerde al eerder over de autobiografie, in haar essay Het geluk van de eenzaamheid (2009), dat als uitgangspunt had „dat de wijze waarop we ons leven ervaren, door fictie […] wordt bepaald”. Wie een verhaal maakt van zijn leven, selecteert, vult aan, vult in, vervormt dus, verzint. „Elke autobiografie, geschreven of ongeschreven, is een product van verdichting”, schreef ze. „Het ‘zelf’ uit een autobiografie is noodgedwongen een gemaakt zelf, en autobiografische verhalen zijn per definitie gefictionaliseerde verhalen.”

Maar is de autobiograaf zich daarvan wel bewust? Het genre bepaalt anders. De verteller van een autobiografie of memoir neemt de vrijheid om onweersproken zijn zegje te doen, om een verhaal te maken zonder zijn zwakte te erkennen: precies die verdichting, fictionalisering. Hij vertelt het zoals het was – zogenaamd. Maar kan de autobiograaf de motieven van zijn object, zichzelf, wel kennen? Kan íémand zichzelf helemaal zien, doorzien en tot op het bot fileren, of is het hooghartig dat te denken? Als lezer van de autobiografie heb je maar te vertrouwen op wat je opgediend krijgt.

Of je wantrouwt het. Dat laatste doet de romanschrijver die Connie Palmen is. Omdat zij, zoals ze in Johnnie Walker schrijft, „overtuigd” is „van de invloed van taal op ons leven, hoe de wetten van genres en personages ons stuwen en beperken”, is zij gewend zich altijd – nooit niet aan het werk, immers – af te vragen in welk verhaal de mensen die ze tegenkomt geloven dat ze leven. Ze leest de mens zoals je een literaire roman met een ik-verteller leest: in het besef dat die verteller niet onaantastbaar boven het verhaal zweeft, maar er deel van uitmaakt. Zijn verhaal is een constructie. De schrijver met de literatuuropvatting van Connie Palmen weet dat de roman gaat over wat er niet letterlijk staat, dat er meer staat dan er staat, dat het ware verhaal zich tussen de regels bevindt, dat de ik misschien wel meer verzwijgt dan hij uitspreekt. De roman kan dat openbaren.

Palmens literaire werk draait dan ook om „de demontage van dat zorgvuldig geconstrueerde zelf, het ontmythologiseren van geschreven en ongeschreven biografieën”, schrijft ze in Johnnie Walker. Voor die daad van deconstructie is fictie die zijn eigen fictionaliteit inziet de ideale vorm. In Het geluk van de eenzaamheid zei ze dat mooi: „Ik houd van het valse dat van zichzelf weet dat het vals is. Ik houd niet van het gemaakte dat voor waar wordt versleten.”

De vraag is in welk van die categorieën Johnnie Walker valt.

Sektes en seriemoordenaars

Doordat Johnnie Walker ‘roman’ heet, ben je, als je Palmens poëtica kent, op je hoede. Maar dat valt niet lang vol te houden: dit proza vergt overgave. De zinnen hebben zowel een forse omvang als een hoge dichtheid: de woorden staan er alsof ze in brons gegoten zijn of in marmer gebeiteld, allesbehalve vluchtig of vlot, juist stellig en soeverein. Ongenaakbaar ook.

De invloed van haar moeder portretteert ze bijvoorbeeld zo: „Ze was mijn alfa en omega, bron van mijn macht en onmacht, matrix van alles waartegen ik nee zou zeggen, ze heeft elk liefdesverbond dat ik ooit sloot bepaald.” Zo’n opsomming is indrukwekkend, geen speld tussen te krijgen, je zou ook niet durven, met zulke grote woorden. Maar als lezer krijg je nauwelijks gelegenheid om tot je door te laten dringen wat daar allemaal staat. Dat schiet dan ook alle kanten uit. Haar moeder was kennelijk zowel bron van „macht”, dus een moeder die haar aanmoedigde en tot grote hoogten stuwde, als van „onmacht”, wat juist weer neerdrukkend en beklemmend klinkt – en dat dus tegelijkertijd. Dat is alsof ze het alfabet introduceert door A en Z te zeggen, waarna je de rest er zelf maar bij moet bedenken. Hóé was moeder die „matrix” voor haar weigeringen? En hoe bepaalde ze elk liefdesverbond?

Natuurlijk hoeven zulke vragen niet altijd meteen geadresseerd te worden, en ze hoeft de antwoorden niet uit te spellen. Maar om zulke beweringen betekenisvol te laten zijn, heb je scènes en anekdotes nodig die ze inkleuren. In Johnnie Walker kiest Palmen vooral voor stelligheid – en voor de breedte. Ze essayeert over tal van onderwerpen, van sektes tot seriemoordenaars, die ze met elkaar in verband brengt en met de wording van zichzelf. Johnnie Walker leest daarmee, misschien niet verrassend, ook als het sluitstuk van haar oeuvre. Nog een keer laat ze de thema’s uit haar werk de revue passeren, als een medley van greatest hits: de vormende mannen uit De wetten, de neiging tot vergaande verknochtheid uit De vriendschap en Geheel de uwe, de true crime uit Lucifer. De vraag naar de invloed van haar moeder is dan ook slechts een streng in een kluwen, rond de overkoepelende terugblikvraag: bij wie hoor ik?

Gemeenschappen hebben Palmen altijd gefascineerd – omdat ze er in principe verre van bleef: als buitenbeentje in het burgerlijke dorp van haar jeugd, als stille rebel, die zich sociaal handiger en wijzer opstelde dan de lastpakken. Een groep zou haar haar individualiteit afnemen, maar ze was des te meer begeesterd door sektes, die geheimzinnige clubs die mensen aaneenklonken „door iets waarin je moet geloven, iets zo krachtig dat het in staat is willekeurige individuen te verenigen”. Haar vormende jaren waren ook de tijd van de Rote Armee Fraktion, van terroriste Ulrike Meinhof, de klopjacht op haar. Meinhof was een outlaw, een beetje zoals Palmen zich zelf voelde, maar dan anders. Palmen bewonderde Meinhof om haar radicaliteit, vreesde haar om haar zelfopoffering. „Op de fatale dag dat ze […] de pen inwisselde voor het pistool, koos ze tegen alles waarvoor ik wilde leven, maar ze deed het met de rigiditeit die ik van mezelf kende, die me sterk maakte en sloopte”, concludeert Palmen.

Ja, mooi gezegd. Strik erom, geen vragen verder.

Goed afgelopen

Of eigenlijk toch een vraag. „Sloopte” – hoe zit dat precies? Die rigide overgave aan de drank was natuurlijk niet zo bevorderlijk voor de gezondheid, en kon natuurlijk nooit een echte vervanging zijn voor de veiligheid van het dorp, de familie, het gezin. Al vanaf „de eerste slok” wist ze dat Johnnie Walker geen vriend was, en „dat hij er alles aan zou doen om mij te vernietigen”. Maar uiteindelijk is het toch best goed afgelopen? De 70-jarige, terugblikkende Palmen gaat weer nuchter en niet-gesloopt door het leven. En het heeft iets opgeleverd: het schrijverschap is erkend, bekroond, niet onopgemerkt gebleven.

Wat was dan het al te grote offer, het falen? Waar zit de pijn? Waaruit bestond die eenzaamheid, in een leven dat toch ook gevuld was met grote liefdes, vriendschappen en literaire roem? Ondanks haar eigen koers was er toch ook geen sprake van verstoting uit de warme schoot van het gezin? Er gaat een verhaallijn in Johnnie Walker over hoe een oude vriend van de familie rebelleerde en zich vervreemdde van zijn gezin. De portee is vooral: dat deed Connie gelukkig anders.

In plaats van een inkijkje in wat haar eenzaamheid vormde, krijgen we zinnen van graniet, die maar vragen blijven oproepen: „Tot op de dag dat mijn verlosser en moordenaar uit mijn leven verdween, accepteerde ik dat schrijven en het leven met Johnnie Walker redding en verwoesting ineen waren, dat het een zegevierende zelfvernietiging was, quid pro quo, mijn lichaam voor een boek, mijn beweeglijke ik opgelost en uitgewist in een onwrikbaar alter ego, een liefdesdans met de dood om over het onbevattelijke verdwijnen te triomferen in de kortstondige eeuwigheid van de taal.” Haar lichaam voor een boek? Wat voor transactie was dat? Omdat Palmen het bij die omschrijving houdt en niet in detail treedt, is de „verwoesting” moeilijk voor te stellen.

Moeten we het maar aannemen? Waaruit de vraag volgt: hoe betrouwbaar is deze verteller?

Want Connie Palmen heeft dit een roman genoemd. Maar is haar verteller zich er nog wel van bewust dat zij ook in een verhaal aan het geloven is, dat het ‘zelf’ gemaakt is, dat het gemaakte niet voor waar versleten moet worden? Als lezer raak je gaandeweg steeds meer het idee kwijt dat er onder de oppervlakte nog meer gaande is. Door de stelligheid van de analyse – Palmen zoekt niet, ze vindt – en de zinnen, die geen ruimte voor twijfel laten, ga je Johnnie Walker steeds minder als roman lezen. En wantrouwen.

En niet op de goede manier. Dat was geweest: het wantrouwen dat Jij zegt het in je losmaakte, omdat de Ted Hughes-figuur alle ruimte kreeg om zijn zegje te doen, maar je als lezer ook wist dat zijn relaas per definitie eenzijdig was, en dat dat juist betekenisvol was. Of het dubbele gevoel dat in Adriaan van Dis’ roman Alles voor de reis zat, omdat hij kieren in zijn verhaal liet bestaan, een zekere afstand tussen de liefdevolle kijk van de verteller en de pijnlijke zaken waarover hij schreef. Die discrepantie wekte argwaan, waardoor je hem als tragische figuur kon beschouwen.

Er is in Johnnie Walker één moment, en dat is echt te weinig, waarop Palmen haar falen erkent: als ze in oude dagboeken probeert terug te vinden hoe het leven vroeger was. Ze treft „teleurstellend weinig feiten, nauwelijks verslagen van gebeurtenissen”. Al het leven is weggeasfalteerd onder een dikke laag analyse. Ze schrijft: „Jaar in, jaar uit vormde het proza een schild van kennis waarmee ik mezelf en de werkelijkheid aan het oog onttrok, uitgebreide analyses van denkbeelden over literatuur, kunst, filosofie en fysica, frenetieke pogingen greep te krijgen op het leven, me in een maliënkolder van reflectie overeind te houden, een weke krijger, tot aan de tanden gewapend met ideeën.” Die volgestopte zin is geniaal in zijn tragiek.

Boekrecensies fictie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next