Staande-ovatie-inflatie Waar in West-Europa het traditie is om tijdens een ovatie op te staan als je iets echt, écht heel goed vond, vind je in Nederland nauwelijks nog een voorstelling waar het níét gebeurt. „Dat beleefdheidslaagje hebben we niet nodig. Als je het slecht vindt, is het voor een artiest ‘fijn’ om dat te ervaren.”
„Acta est fabula, plaudite!” ‘Het spel is uit, applaudiseer!’ riep een Romein op het toneel naar het publiek. Romeinse (muziek)theateravonden schijnen luidruchtige ratjetoes te zijn geweest, en zonder lichten die aan kunnen gaan of gordijnen die kunnen neervallen, was het blijkbaar niet altijd duidelijk wanneer het spel afgelopen was. „Plaudite, cives!”, applaudiseer, burgers! riep de hoofdzanger daarom voor de duidelijkheid. Of, zoals Plautus uitschreef in zijn komedie Epidicus: „Plaudite et valete. Lumbos porgite atque exsurgite.” „Applaudiseer en ga in gezondheid. Sta op en strek de lendenen.” Verhip. Zou dat alles niet ook nu een stuk eenvoudiger maken in de klassieke muziek? Wel applaudisseren, niet applaudisseren, wel gaan staan, niet gaan staan? Nee, we wachten met klappen tot sterviolist Janine Jansen ophoudt met spelen en duidelijke instructies geeft: „Sta op en klap.”
Ik loop nu een tijdje mee in klassiekemuziekland en heb behoorlijk wat concerten gehoord. Muzikaal kan ik inmiddels behoorlijk meekomen, maar er is één ding waarover ik me elke keer weer verbaas: het applaus. Niet het applaus dat soms tussen de delen door klinkt (tot ergernis van klassieke hardliners die vinden dat het stil moet zijn tussen delen van één werk); dat dat gebeurt is begrijpelijk. Nee, ik verbaas me over het eindapplaus. Het Nederlandse eindapplaus.
Applausgewoontes verschillen per land. In Japan uit publiek enthousiasme beheerst en net als de Romeinen graag op uitnodiging. In Zuid-Korea gaat publiek juist los aan het einde. In Oost-Europa benut een enthousiaste zaal de natuurlijke synchronisatie van een applaus; het wonderlijke fenomeen dat een groep klappende mensen onder de juiste voorwaarden van het een op het andere moment synchroon klapt. Daar kun je geen grotere blijk van waardering geven.
In West-Europa is het gebruikelijk om bij een ovatie op te staan als je iets echt, écht heel goed vond: de staande ovatie. Bij klassieke concerten die ik hoorde in de landen om ons heen gebeurde dat een enkele keer. Logisch, veel concerten zijn niet écht heel goed. Soms staat wel een handjevol mensen op, waaraan je kunt zien dat het concert hun specifieke smaak behaagd heeft. Maar de rest blijft zitten. Dat zijn fijne zalen, want je kunt er direct een paar dingen aan aflezen. Dat mensen daadwerkelijk goed hebben geluisterd. Dat musici ook maar mensen zijn, geen superhelden die altijd super presteren. En dat er daadwerkelijk kunst is bedreven; kunst die de een raakt en de ander niet, om welke magische reden dan ook.
Maar er is één land dat daar dapper weerstand tegen biedt: Nederland. Hier is iets wonderlijks gebeurd met de staande ovatie. Hij is er altijd. Maar echt. Altijd. Nog steeds kan ik daar na een matig concert met open mond naar staren. Wat betekent een staande ovatie dan nog? Vindt Nederlands publiek dan echt álles mooi? Hoe fijn is die onvoorwaardelijke steun voor een artiest? Waarom zou een musicus diens best nog doen, als het publiek toch het verschil tussen goed en geweldig niet hoort? In Nederland kun je gerust spreken van een stevige staande-ovatie-inflatie.
„Ik denk dat het samenhangt met de Nederlandse cultuur van gezelligheid”, verklaart blokfluitiste en zangeres Lucie Horsch. „In Nederland willen we het graag samen leuk hebben, zelfs als we een concert niet geweldig vonden. Ik denk dat Nederlanders wel degelijk onderscheid kunnen maken tussen goede en fantastische concerten. Al heb ik soms ook het gevoel dat mensen graag een fantastische avond wíllen beleven en daarom een fantastische beleving op het concert projecteren. Verwachting is een groot deel van de ervaring.”
Maar levert dat voor een artiest betrouwbare feedback op? Volgens componist der Nederlanden Camiel Jansen is de Nederlandse staande ovatie „een beetje als iemand die áltijd in superlatieven praat. Die neem je al snel met een korrel zout.” Nee, over het algemeen gelooft Jansen het opstaan niet. Voor Horsch helpt het dat ze ook veel in het buitenland mag spelen, waar het publiek anders reageert. „Ik vind het altijd super om terug te komen bij het enthousiaste Nederlandse publiek, maar het is inderdaad zo dat ik de staande ovatie in Nederland iets minder serieus neem.”
„We staan er internationaal om bekend. Er worden grapjes over gemaakt”, zegt violiste Liza Ferschtman, die onder andere lang het Delft Chamber Music Festival leidde. Voor internationale artiesten die in Nederland komen spelen, maar het níét weten, is het vaak even wennen. Dirigent Peter Oundjian herinnert zich in een interview dat hij na zijn eerste concert in Nederland zei: „Wow, we kregen een staande ovatie!”, waarop zijn medemusici hem direct uit de droom hielpen: „Dat is overal in Nederland.” Jansen hoort er ook regelmatig als presentator van live concerten op NPO Klassiek, als er internationale musici zijn: „Wat bijzonder dat iedereen gaat staan!” Ook hij moet dan vertellen dat dat een Nederlands gebruik is. De populaire oud-chef van het Nederlands Philharmonisch, Lorenzo Viotti, werd er zelfs vooraf voor gewaarschuwd, vertelde hij in de podcast Klassiek inside: „Pardon, maar dat is afschuwelijk. Ik heb alle liefde voor het Nederlandse publiek, maar altijd een staande ovatie is tegen de kunst. We zijn geen machines, we zijn mensen, we onderpresteren weleens.”
Tegen publiek dat zich verplicht voelt om te gaan staan, bijvoorbeeld omdat ze anderen zien opstaan, zegt Jansen: „Een beleefdheidslaagje hebben we niet nodig. Als je het slecht vindt, is het voor een artiest ‘fijn’ om dat te ervaren. Als een maker voelt hoe een voorstelling landt, kan die daar wat mee.”
Toch vinden Ferschtman, Jansen en Horsch ook: applaus is uiteindelijk niet de lat waarlangs je kunst moet meten. Horsch: „Je moet altijd zélf je grootste criticus zijn. Applaus is een beloning, maar niet wat musiceren de moeite waard maakt.” Daarbij kun je volgens Ferschtman tijdens een staande ovatie wel degelijk merken wat een Nederlands publiek er écht van vond. „Alleen moet je bij ons op andere graadmeters leren letten: hoe snel het publiek opstaat. Wat er op de gezichten te lezen is. Of mensen hard klappen, of plichtmatig. Ook tijdens het concert merk je het al: zitten mensen te hoesten, of ademen ze met je mee?”
Zo is er inderdaad nog een graadmetertje: de duur van een dolenthousiast Nederlands applaus. Als de zaal weer laaiend staat te springen na een matige uitvoering, kan ik de laatste tijd een schaterlach nauwelijks onderdrukken als een joelende ovatie stante pede uitsterft als de artiest in de coulissen verdwijnt. Lief publiek, eigenlijk is de gedachte dat je de artiest met die staande ovatie een paar keer terug op het podium vraagt; als waardering, en een beetje in de hoop dat er een toegift komt. Maar nee, u stiefelt al naar de garderobe nog voor ze zich omgedraaid hebben. Zulke momenten geven me hoop: Nederlands publiek (h)erkent kunst inderdaad wel degelijk. Ze hebben alleen een beetje een aparte manier om het te laten merken.
Ik ben de afgelopen jaren meerdere categorieën staande ovateurs gaan herkennen. Mijn verzameling is nog niet compleet, maar deze heb ik alvast:
Je zal toch artiest zijn, je stinkende best gedaan hebben de hele avond, en mensen op de eerste rij blijven zítten. De ik-zit-vooraan-schuldbewuste is zich pijnlijk bewust van diens plicht: de artiest een goed gevoel geven. Ze hebben al de hele avond bemoedigend zitten glimlachen, maar nu zien ze niet of de mensen achter ze al zijn opgestaan. Geen tijd om op te kijken, er staan gevoelens op het spel. Hup: overeind.
Deze ovateur ként het stuk, weet al een tijd dat het einde eraan zit te komen en wil dat laten merken door het applaus te beginnen. Ondanks dat veel muziek juist om stilte vraagt als het uit is, roept de opspringer al ‘bravo!’ als de muziek nog na-echoot. Goed hè, van hun, dat ze wisten dat dit het moment is dat je mag klappen. De opspringer laat geconcentreerde musici nog weleens schrikken.
Een grote groep, in direct causaal verband met de schuldbewuste en de opspringer. Je ziet ze denken: ‘Oh, gaan we nu al staan? Pff. Óoh-ké.’ Het ovatiegroepsdier wil wel kunnen zíén waarvoor het klapt.
Een kleine subgroep van het groepsdier: de ostentatieveling staat ook op omdat het de artiest wil blijven zien, maar vond het niks en klapt dus niet. Deze categorie blijft vaak met de armen over elkaar een beetje half op de omhooggeklapte stoel hangen.
Had deze ovateur maar wat meer zelfvertrouwen. Het hele concert heeft-ie piekfijn aangevoeld dat er iets aan schort en zich afgevraagd: waarom voel ik niets? Maar juist wanneer-ie dat met de buur wil bespreken, vliegt de hele zaal overeind. O nee toch, de zelf-onderschatter heeft er natuurlijk weer niks van begrepen. Wat was het ontzettend goed!
We weten best: duurder is niet altijd beter. Toch gelooft de het-was-duur-dus-het-was-goed-calvinist dat graag. Want wat nou als het concert misschien toch niet zo goed was? Dan is er geld verspild! De calvinist past een psychologisch trucje op zichzelf toe: door zo hard mogelijk te klappen, klapt-ie het laatste restje twijfel weg.
Deze genieter is het opgevallen dat een viool vasthouden helemaal niet zo makkelijk is. Lijkt gevoelig voor extreme mimiek, virtuositeit, snelle noten (liefst versnellingen aan het einde van een stuk) en overduidelijk einde-signalerende akkoordprogressies zoals de plagale cadens. Doet geen vlieg kwaad.
Behoeft weinig uitleg: in elke klassieke zaal zitten een paar borstkloppers die weten dat jazz schadelijk is voor het brein en die beatmuziek doodzwijgen. Hun motto: ik sta, dus ik besta. Deze mensen applaudisseren vooral hard voor zichzelf.
Heeft (stiekem) met behulp van het programmaboekje het hele concert diens partner uitgelegd wat er allemaal te horen is en daarbij betekenisvol op de fagot gewezen. Uit angst om door de mand te vallen, gooit de imposter-syndrome-snob nog net z’n hoed niet in de lucht bij het applaus. Deze categorie pik je er bij matige uitvoeringen altijd het makkelijkst uit.
Evolutionair gezien zit de garderobe-pragmatist in dezelfde familiestamboom als mensen die met binnenrijdende treinen meelopen en mensen die opstaan zodra het vliegtuig geland is. Wie al opstaat tijdens het applaus benut kostbare tijd efficiënt, want zodra de artiest weg is, kan de benenwagen richting garderobe gelijk worden gestart. Deze categorie kan overlappen met de ostentatieveling.
Zit. Recalcitrant, principieel, flauw: tot groot ongemak van geliefden en vrienden die ik meenam, en eigenlijk iedereen om me heen, blijf ik meestal zitten. Soms, als ik op een balkon zit, zie ik een enkeling dat ook doen. Ik applaudisseer wel, hoor. Als ik het goed vond. Opstaan bewaar ik voor die twee à drie concerten per jaar die ik écht geweldig vond. Dan zweef ik nog net niet naar het plafond.