Gaat u naar een polemiek? Vergeet uw plagiaat-software niet. Haal de output van de opponent eerst even thuis door de machine, zet een kopje koffie en wacht op de gele en groene passages. Hebbes!
Je zou het een eigentijds activistisch adagium kunnen noemen. In plaats van argumenten zijn bewijzen van andermans gebrek aan originaliteit en ideeën veel doeltreffender. Meneer of mevrouw de hoogleraar of wie dan ook doet wel zo dik, maar moet je kijken: alles gejat van een ander.
Plagiaat is helemaal terug van (een tijdje) weggeweest uit het nieuws – door de zaak van Jason Arday, de jongste zwarte hoogleraar ooit aan Cambridge die na een orkaan van beschuldigingen over plagiaat en verzinsels thuis dood werd aangetroffen. Waarna de orkaan verder loeide met woedende verwijten de andere kant op, over een racistische heksenjacht. Inmiddels is de storm aan land gegaan in Gent, basis van Ardays aanklager, de ‘rassenrealist’ Nathan Cofnas. Hij werd geschorst en mag de komende maanden alleen online werken.
Als verweer voor Arday klinkt nu soms dat zijn plagiaat niet uitzonderlijk was en witte academici er doorgaans veel minder zwaar op worden afgerekend, of zelfs helemaal niet. Dat laatste lijkt waar, het eerste is een stuk twijfelachtiger, ook voor sommige van zijn sympathisanten: wie Ardays werk raadpleegt, belandt in een woud van ‘geleende’ passages en citaten die soms raadselachtig van spreker wisselen.
Dat neemt niet weg dat de de euforie over zijn val in extreemrechtse hoek een politieke en racistische lading heeft. In een gesprek van Cofnas met de rechtse historicus en tv-persoonlijkheid David Starkey – zelf in opspraak geraakt met denigrerende uitlatingen over „zwarte cultuur” – verkneukelden de twee zich vóór Ardays dood over wat Starkey noemde de „goeie, eerlijke, christelijke wraak”.
En zo gaat het om dat ene fatale woord, plagiaat, terwijl hier intussen heel andere, culture war-obsessies en rancunes worden uitgevochten. Misschien is dat het punt: in een tijd waar ‘authenticiteit’ en ‘eigenheid’ hoog in het vaandel staan, geldt plagiaat als doodsteek voor iemands reputatie – en dus is het een polemisch wapen. Het werd ingezet tegen Arday, eerder tegen de zwarte Harvard-topvrouw Claudine Gay – vervolgens tegen haar aanklagers, en zo blijft de carrousel draaien. Ook Ursula von der Leyen werd als Duitse minister van Defensie beticht van plagiaat in haar proefschrift; ze hield haar titel (haar universiteit sprak, net als die van Arday, van „vergissingen”).
Plagiaat is politiek geworden, schrijft Roger J. Kreuz, auteur van een boek over plagiaat, in het blad The Conversation. Ooit was dat anders. In de Europese letteren en kunsten was imitatio lang een schone zaak: een leerling dient de meester immers te volgen of na te bootsen en – wie weet – zelfs te overtreffen. Een premie op originaliteit kreeg een impuls door het humanisme, het idee van auteursrecht én de Romantiek, met de cultus van het individuele ‘genie’, de god diep in de eigen gedachten (en zijn we dat anno 2026 niet allemaal?).
Dat accent op oorspronkelijk werk geldt nadrukkelijk aan universiteiten, waar als het goed is eigen denkwerk wordt verricht. Maar de behoefte aan originaliteit botst daar wel keihard met de druk om veel en competitief te produceren en de eigen output naadloos in te passen in de mondiale academische industrie. Een bocht is dan snel afgesneden.
Dat wordt nog eens versterkt door de razendsnelle opkomst van AI en taalmodellen. Uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften maken zich grote zorgen over het oprukken van machinaal geproduceerde teksten. Een artikel laten schrijven of bewerken door AI is dan misschien geen plagiaat – als de chatbot niet klakkeloos andermans werk overschrijft – maar het blijft een vorm van oneigenlijkheid, of onechtheid.
Dat laatste is de crux. Plagiaat is tenslotte ook geen juridisch begrip – schending van auteursrecht wél – maar een moreel oordeel. Wie zich eraan schuldig maakt staat te kijk als lui, achterbaks en nog erger: als onorigineel en tweedehands. Beschamender kan haast niet in een tijd die authenticiteit ziet als hoogste menselijke deugd, zeker voor leidende figuren in wetenschap en politiek.
Dat het in de eerste plaats intellectueel bedrog is, is dan haast bijzaak.