Oud-minister Carola Schouten tijdens het verhoor van de parlementaire enquêtecommissie over het coronabeleid.
Angst voor ‘code zwart’, het scenario waarin de intensive cares de vraag niet meer zouden aankunnen, domineerde tijdens de coronapandemie alle besluitvorming in het kabinet-Rutte III. De korte termijn – het aantal besmettingen en de bijkomstige drukte in de ziekenhuizen – woog zwaarder dan de lange termijn: de groeiende eenzaamheid onder jongeren en ouderen, de zorgen voor ondernemers die failliet gingen.
Dit bleek maandagochtend tijdens het verhoor van oud-vicepremier Carola Schouten (ChristenUnie) in de parlementaire corona-enquête. Telkens was de ruimte „minimaal” om de angst van het kabinet voor een ‘Bergamo-scenario’ – waarin de ziekenhuizen in Noord-Italië aan het begin van de crisis overstroomden en patiënten op de gangen lagen – niet als leidraad te nemen.
„Er wás wel discussie in het Catshuis over de sluiting van scholen, bijvoorbeeld, maar de uitkomst was dat het wel beheersbaar moest blijven in de zorg”, aldus Schouten, destijds minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. „We moesten kiezen: accepteren dat mensen overlijden of niet? Acuut gaat dan vóór lange termijn, dat is de eerlijkheid.”
Daardoor nam het kabinet, op basis van RIVM-modellen, telkens weer ingrijpende maatregelen zoals de sluiting van scholen, sportverenigingen, winkels en verpleeghuizen, een avondklok en later invoering van de ‘coronapas’, wat het wantrouwen van burgers tegenover de overheid deed groeien. Schouten stak maandag de hand in eigen boezem en zei dat ze daar zelf „scherper op had moeten zijn”.
Zou opnieuw een pandemie uitbreken, dan moeten „vanaf dag één” de minder tastbare gevolgen, zoals eenzaamheid en wantrouwen, worden meegenomen in de besluitvorming, vindt Schouten. „De ziekenhuizen hadden harde data: zo veel besmettingen, zo veel bedden, zo veel personeel. Maar eenzaamheid kon je niet tellen.”
Soms verbaasde ze zich over de stelligheid van de modelleurs die per maatregel zeiden te weten hoeveel besmettingen dat zou voorkomen. „Ik dacht vaak: hoe realistisch zijn die maatregelen nog? Als mensen zich er niet meer aan houden, dan kun je niets voorspellen.”
Gevraagd naar de manier waarop het kabinet tegen critici aankeek tijdens de crisis, antwoordde Schouten dat die „soms te veel over één kam [werden] geschoren. Sommige mensen die wél de maatregelen naleefden, waren tóch steeds kritischer. De motieven van burgers waren heel verschillend. Jongeren die hun vrienden niet zagen, een ondernemer die schulden opbouwde. Iemand die zich niet wil laten vaccineren. Het waren echt niet allemaal relschoppers.”
Er kwam volgens Schouten „steeds meer weerstand tegen de maatregelen in de maatschappij. We bespraken dat in het kabinet maar het had geen invloed op de besluitvorming. Het werd gezien als een handhavingsvraagstuk”.
Werd dan niet naar de dieperliggende oorzaken gekeken van de groeiende onvrede, vraagt een commissielid. „Nee”, antwoordt de oud-minister, „want de vraag was steeds: accepteren we dan code zwart?”