Demografie Tweehonderd jaar geleden waagde het Rotterdamse stadsbestuur de sprong over de Nieuwe Maas naar Feijenoord. Arbeidershuisjes werden gaandeweg prijzige koopwoningen. En nu moeten oude en nieuwe bewoners het met elkaar rooien. „Ze zeggen niet eens gedag.”
Een reuzenrad in Rotterdam-Zuid voor het jubileum van stadswijk Feijenoord.
In elke gondel van het reuzenrad is een verhaal te horen door een van de koptelefoons die er hangen. Dat van Lenski, van Mondi, van Naima, tante Helen, Hendrik en Zaida. Allemaal bewoners van het Rotterdamse Feijenoord, het wijkje in een binnenbocht van de Nieuwe Maas. Het is deels een schiereilandje, wat goed zichtbaar wordt vanuit de draaiende attractie. En die wijk jubileert, want Feijenoord bestaat tweehonderd jaar.
Daarom staat het reuzenrad op ‘De Kaai’, de kade. Het is feest. Er wordt geknutseld, haren worden gevlochten, petten versierd, advocaat en suikerspinnen bereid. Er is zelfs een luchtkussenjungle.
Het verhaal van Kristel Felicia (49) is in een van de gondels te horen, evenals het verhaal van Madhevi Jadoenathmisier (38). En als je speeltuin De Middenstip binnenwandelt, waar ze beiden werken als vrijwilliger, kunnen ze hun verhaal zélf vertellen. Over de wijk waar ze werden geboren (Jadoenathmisier) of al lang wonen (Felicia).
De wijk Feijenoord (ca. 7.500 inwoners), niet te verwarren met het gelijknamige stadsdeel waarin het ligt en dat zo’n 78.500 bewoners telt, kennen Felicia en Jadoenathmisier nog als arbeiderswijk met veel oude, vaak kleine woningen. Die werden het afgelopen decennium gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw of opgeknapt. ‘Veryupt’ is een term die ‘oude’ Feijenoorders soms gebruiken als ze wijzen naar de huizen met drie verdiepingen met bakfietsen voor de deur, de nieuwe appartementengebouwen en de ‘watervilla’s’ in de Nassauhaven, de grote houten woningen op betonnen pontons.
Felicia en Jadoenathmisier vinden de nieuwe woningen an sich niet zozeer het probleem: ze vinden de nieuwe bewoners niet gezellig. En ze voelen dat die op hen neerkijken. „Ze zeggen niet eens gedag”, vertellen ze. Het lijkt ook alsof ze meer mogen van de gemeente, zegt Jadoenathmisier, die naar eigen zeggen eindeloos toestemming vroeg om geveltuintjes te maken in haar straat. „En kijk”, ze wijst naar nieuwbouwwoningen. „Die hele straat staat vol bloembakken, geveltuintjes en groen. Dat mocht opeens wél.”
Ze hebben meer voorbeelden, maar het gaat vooral om het gevoel dat ze hun wijk kwijtraakten. „We zouden in een achterstandswijk wonen, die verbeterd moet worden”, zegt Jadoenathmisier. „Maar het is ónze wijk, wij wonen er fijn.”
In dát spanningsveld opereert wijkmanager Jacco Bakker, vertelt hij op het feestterrein. Hij is trots op het feest dat zonder de inzet van veel wijkbewoners nooit gelukt zou zijn en waar veel oude én nieuwe bewoners op afkomen. „De gratis toegangsbon in de wijkkrant voor het reuzenrad was een gouden idee.”
Tegelijk loopt niet iedereen warm voor het ‘participeren’, terwijl die gemeenschappelijkheid juist is waarop de gemeente inzet. Bakker: „Er zijn verschillende groepen, die werken niet vanzelfsprekend samen. Dat zie je eigenlijk in elke wijk, niets blijft bij het oude.”
Woningen op het water en een visser in de Nassauhaven.
Rotterdam-Zuid, een brug bezien vanaf de Nassaukade.
Zicht op Feijenoord vanaf het reuzenrad.
Een man luistert naar muziek op een bankje aan de Nassauhaven met drijvende woningen.
De wijkmanager fungeert als schakel tussen wijk en gemeente, kan grieven van bewoners overbrengen en de gemeente adviseren wat wél en wat juist niet te doen. Maar hij heeft „geen toverstafje om er één grote picknick van te maken”. Hij probeert bewoners te verleiden tot paricipatie. Hoe? Door gewoon te beginnen. Bijvoorbeeld door samen een feest te organiseren. „Daarmee plant je zaadjes. Later kan je hopelijk oogsten.”
Stadshistoricus Paul van de Laar vertelt dat bewoners van Feijenoord al tweehonderd jaar inschikken en opschuiven voor nieuwe groepen. Aanvankelijk was het een tamelijk ongerept moerassig eilandje nabij Rotterdam, even aan de overkant van de Nieuwe Maas waar een ‘Pesthuys’ was gevestigd en een galgenveldje. Naastliggende wijken Katendrecht en Charlois waren vissersdorpjes.
Pas toen havenondernemer Gerhard Moritz Roentgen zo’n tweehonderd jaar geleden een scheepswerf voor stoomschipreparaties vestigde in het Pesthuys, dat toen leegstond, ontstond bedrijvigheid op de zandplaat. Daarna waagde het stadsbestuur de sprong over het water naar de zuidkant, omdat het ruimte nodig had, vooral om de haven uit te breiden – dat was het begin van Feijenoord.
In de negentiende eeuw werd de Rotterdamse haven uitgebreid naar Zuid en werden in Feijenoord arbeidershuisjes gebouwd voor de havenarbeiders en hun gezinnen. De stad breidde zich verder uit op de zuidoever en landinwaarts. Tegenwoordig is ‘Zuid’ bijna een stad op zich.
De luchtkussenjungle op het feestterrein. Rechts: Kristel Felicia stalt groente en fruit uit voor bewoners die dat kunnen gebruiken in speeltuin De Middenstip.
Vanaf het begin af aan werd de Rotterdammers van Zuid een „ander karakter” toegedicht dan die van de noordkant, zegt Van de Laar. Noordelingen vonden zuiderlingen minderwaardig. Die misvatting was makkelijk in stand te houden: door het ontbreken van de Erasmusbrug fungeerde het water als fysieke én mentale barrière. Zelfs nu, met de wolkenkrabbers en de nieuwbouw op de ‘kop van Zuid’ blijft dat stigma plakken.
Mirza Imsirovic (67) heeft geen last van dat stigma, hij woont in Feijenoord en komt zelden aan de overkant. „Eerder wel, ik werkte daar als kok.” En hij was een heel goeie, zegt z’n kleinzoon (11) die naast hem staat te wachten, vishengel in de hand. Zijn opa grinnikt, ze gaan samen vissen.
Esmaël (vanwege zijn werk alleen met voornaam, volledige naam bekend bij de redactie) woont ook prettig in Feijenoord. Dat de wijk verandert, hoort erbij, vindt hij. „Niets blijft altijd hetzelfde.” Hij voelt zich thuis, misschien wel júíst omdat hij niet iedereen hoeft te kennen. In het dorp van zijn vader in Kaapverdië worden dorpelingen boos als je een keer niet groet, zegt hij. „Dat is óók weer vermoeiend.”
Stadshistoricus Van de Laar vindt dat de gemeente de regie moet houden over de wijk, die niet moet overlaten aan de markt en projectontwikkelaars. „Wijken blijven veerkrachtig als je de creativiteit van de bewoners inzet en ze meeneemt in de vernieuwing.” Dan, zegt hij, is het een feest voor iedereen die wil meefeesten. „Als je Feijenoord gaat vieren als succesverhaal, omdat de mensen die er niet passen er niet meer wonen, dan ben je op de verkeerde weg.”
Een stoeptegel in Feijenoord met onder meer de tekst ‘Wees respectvol in de wijk’.