Geopolitiek Als scholier demonstreerde Steven Everts tegen Amerikaanse kruisraketten. Veertig jaar later pleit hij voor een sterker bewapend Europa. Wat gebeurde er met het wereldbeeld waarmee zijn generatie opgroeide?
Op 25 juli 1946 steeg er een grote paddestoelwolk op nabij het atol Bikini, in de Stille Zuidzee. Het was een geheim experiment van de Amerikanen.
Ik weet niet precies wanneer ik ophield te geloven in de wereld waarin ik mijn loopbaan begon. Ik groeide op in de jaren tachtig en negentig, een optimistische maar geen zorgeloze tijd.
De Koude Oorlog betekende ook angst voor een kernoorlog. De Amerikaanse president Ronald Reagan zagen we als een gevaarlijke cowboy. Samen met mijn vader stond ik in 1983 op het Malieveld te demonstreren tegen Amerikaanse kruisraketten. Militairen, dacht ik, zagen al snel meer dreiging dan gerechtvaardigd was. De NAVO was toch vooral een Amerikaanse club. Europa was belangrijk, maar ook een beetje saai: op het Journaal ging het over melkplassen, boterbergen en ruzies over visquota.
Steven Everts is directeur van het EU-Instituut voor Veiligheidsstudies.
Toch zat er onder al die zorgen een grondlaag van optimisme. We dachten dat de wereld vooruitging en dat we die vooruitgang ook konden organiseren. Achter dat wereldbeeld zaten drie overtuigingen die ik als vanzelfsprekend zag. Namelijk: de geschiedenis beweegt zich, ondanks tegenslagen, in de richting van vooruitgang. Economisch eigenbelang en rationaliteit begrenzen agressie. Instituties, regels en samenwerking kunnen macht temmen en conflicten beheersbaar maken. Die drie zekerheden zijn in de loop van mijn professionele leven een voor een gaan schuiven.
Ik begon te studeren in 1989, misschien wel het beste jaar uit de moderne Europese geschiedenis. De Berlijnse Muur viel, Duitsland werd herenigd en dictaturen verdwenen in Midden-Europa. Later ging ik in Oxford een proefschrift schrijven over de aarzelingen van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk over die Duitse eenwording. Wat mij fascineerde was de scepsis. Hoe konden de Britse premier Margaret Thatcher en de Franse president François Mitterrand zich verzetten tegen iets wat niet alleen onafwendbaar leek, maar ook ronduit positief was? De hereniging van Duitsland was toch de triomf van de democratie en het einde van de Sovjetbezetting van Oost-Duitsland? Het paste bij het optimisme van die jaren. De geschiedenis had een duidelijke richting.
Een paar jaar later ging ik in Londen wonen. Premier Tony Blair propageerde er zijn Derde Weg. Londen bruiste. Het was het zenuwcentrum van een nieuw optimisme: financieel, cultureel en technologisch leek alles tegelijk in beweging. In Europa en daarbuiten werden grenzen irrelevant; economieën integreerden; het internet zou kennis democratiseren. Het einde van de geschiedenis was niet alleen iets voor toespraken; het was de atmosfeer waarin je leefde.
Als jongste bediende bij het Centre for European Reform, een denktank die zich bezighoudt met Europese integratie, mocht ik meeschrijven aan een speech van Blair in Warschau. Europa, zei hij, moest een superpower, not a superstate worden. Dat klonk toen niet als grootspraak. Europa had net een munt ingevoerd, breidde naar het oosten uit en leek steeds meer zijn eigen continent te kunnen ordenen. Das war einmal.
De eerste barsten verschenen al snel. De oorlog tegen Irak was er een. Blair, die ik zo bewonderd had, bepleitte een oorlog op basis van massavernietigingswapens die er niet bleken te zijn. Ik stond opnieuw op straat te demonstreren, tegen de invasie. De plannen van president George W. Bush en de Amerikaanse neoconservatieven om via Irak democratie naar het Midden-Oosten te brengen, strandden in de woestijn.
Ook Europa kreeg een klap. In 2005 verwierpen eerst de Fransen en daarna de Nederlanders de Europese Grondwet. Ik werkte inmiddels in Brussel, in het kabinet van Javier Solana, de hoge vertegenwoordiger voor het Europese buitenlandse beleid. Wij dachten echt dat Europa opnieuw een grote stap vooruit zou zetten. Voor mij was het Nederlandse ‘nee’ ook persoonlijk. Je voelde je in de steek gelaten door je eigen club.
Maar de paradox was dat in de jaren daarna er juist veel lukte in de Europese buitenlandse politiek. Europa hielp mee oorlogen op de Balkan te beëindigen in Bosnië en nieuwe oorlogen te vermijden in Noord-Macedonië. Onder leiding van voormalig NAVO-baas Javier Solana begonnen we de nucleaire onderhandelingen met Iran, die jaren later zouden uitmonden in het akkoord van 2015: een ongekend succes.
Het was een bevestiging van een andere overtuiging waarmee mijn generatie was opgegroeid: als je belangen scherp analyseerde en goed onderhandelde, kon diplomatie macht beteugelen en conflicten voorkomen. Regels en welbegrepen eigenbelang als middelen om machtspolitiek te temmen.
Een mooi voorbeeld daarvan was de EU-Rusland top in mei 2006. We namen het vliegtuig naar Sotsji. De Russische president Vladimir Poetin ontving er de Europese leiders. Een belangrijk onderwerp was energie, enkele maanden nadat Rusland de gaskraan naar Oekraïne had dichtgedraaid.
Niemand aan Europese kant zag Poetin als vriend, laat staan als betrouwbaar. Onze redenering was subtieler, gebaseerd op rationaliteit. De Oostenrijkse bondskanselier Wolfgang Schüssel, toen EU-voorzitter, vatte het ongeveer zo samen: wij hebben Russisch gas nodig, maar Rusland moet dat gas ook verkopen. En wij zijn de grootste klant, die bovendien netjes betaalt.
Poetin keek anders naar diezelfde wederzijdse afhankelijkheid. Als Europa toegang wilde tot wat hij het heiligste deel van de Russische economie noemde, de energiesector, wilde hij weten wat Rusland daarvoor terugkreeg. We spraken allebei over wederkerigheid, maar bedoelden iets anders. Wij zagen onderlinge afhankelijkheid als een rem op macht. Poetin zag het als een bron van macht. Het was een clash van wereldbeelden. De Europeanen dachten dat wederzijdse afhankelijkheid grenzen zou stellen aan wat Moskou ging doen.
Quod non. Twee jaar later, zomer 2008, viel Rusland Georgië aan en dat had het keerpunt moeten zijn. Daarna volgden de annexatie van de Krim in 2014, het neerhalen van de MH17 en alle andere voorbeelden van Russische agressie, culminerend in de totale invasie van februari 2022.
Veel te laat zagen we dat Poetin niet werd gedreven door een rationele uitruil van belangen, maar door imperiale ambities. Daar valt niet tegenop te onderhandelen. Alleen tegenmacht en afschrikking helpen.
Op 24 februari 2022 verdween de laatste twijfel. Ik werkte toen voor Josep Borrell, de buitenlandchef van de Europese Unie. Kort na de Russische invasie van Oekraïne zaten we met een groep hoge EU-ambtenaren om tafel. De Russen stonden aan de rand van Kyiv. De Oekraïense president Volodymyr Zelensky had verklaard dat Oekraïne koste wat kost zijn vrijheid zou verdedigen. Wat konden wij doen?
Iemand wees op de European Peace Facility, een fonds waarmee de EU militaire steun kon financieren. Het instrument was vooral bedacht voor andere scenario’s, met name in Afrika. Maar waarom zouden we het niet gebruiken om wapens voor Oekraïne te kopen?
Hoeveel geld zit erin, vroeg Borrell. Voor dat jaar ongeveer 500 miljoen euro, was het antwoord. De ambtenaren stelden voor voorzichtig te beginnen. Honderd miljoen bijvoorbeeld. Je kon toch moeilijk het hele jaarbudget in februari aan één land geven. Borrell zei nee, we zetten het hele bedrag in. Als het nodig is, vragen we de lidstaten later wel geld bij te storten. Dit was het moment in het casino waarop je alle fiches naar het midden van de tafel schuift. Precies, dacht ik toen, want wat heb je aan geld in oktober als Kyiv tegen die tijd is gevallen?
Die scène is mij bijgebleven omdat hij de botsing tussen twee Europa’s laat zien. Het ene Europa redeneert vanuit regels, proportionaliteit en risicomijding. Het andere ziet dat oorlog een ander tijdsbesef heeft. En dat voorzichtigheid soms zélf een risico is.
Voor Europa was het een historische stap. Een Unie die was opgericht om oorlog tussen Europeanen onmogelijk te maken, financierde nu voor het eerst wapens voor een land dat zich tegen een invasie verdedigde. En voor mij was het ook een persoonlijk kantelpunt. De student die ooit tegen kruisraketten demonstreerde en wantrouwig luisterde naar militaire waarschuwingen, werkte nu voor een Europa dat wapens leverde, en vond dat we dat nog in veel grotere mate en sneller moesten doen.
Ik moest die maanden vaak denken aan een citaat dat voorin mijn proefschrift staat van de invloedrijke Britse econoom John Maynard Keynes: als de feiten veranderen, verander ik van mening. In dat proefschrift beschreef ik waarom Thatcher en Mitterrand zich zo moeizaam aan de nieuwe werkelijkheid aanpasten. Maar, dacht ik later, doen we dat niet allemaal? Wat doet u?
Er hing in Brussel in die eerste maanden na de invasie een bijzondere sfeer. Mensen werkten knetterhard en liepen met een nieuw soort trots door de gebouwen. We deden dingen waarvan we kort daarvoor hadden gedacht dat Europa ze nooit zou doen. Taboes verdwenen in dagen. Politiek bleek de werkelijkheid wel degelijk te kunnen veranderen.
Dat is misschien waarom de situatie van nu mij zo ongemakkelijk maakt. Vier jaar later spreken Europese leiders nog steeds over een existentiële dreiging, maar we handelen daar niet naar. Ik heb echt moeite met de terugkeer van traagheid en halfslachtigheid. We willen een sterker Europa, maar deinzen terug voor de prijs. We zeggen dat Oekraïne ook onze veiligheid verdedigt, maar discussiëren eindeloos over sancties en weigeren Kyiv de luchtverdedigingsraketten te geven die het nodig heeft. Het gat tussen retoriek en acties is nu groter dan in februari 2022.
Het verschil met vroeger is voor mij niet dat de wereld gevaarlijker is. De Koude Oorlog was gevaarlijk genoeg. Het verschil is dat het gevoel van richting is verdwenen.
Ik stond als zoon naast mijn vader op het Malieveld tegen kruisraketten. Nu ben ik zelf vader in een Europa dat leert zich te bewapenen, en pleit ik ervoor dat sneller te doen. Wat vertel je je kinderen dan over hun toekomst?
Van mijn ouders kreeg ik mee dat de wereld vol oorlog en onrecht zat, maar ook dat politieke strijd zin had. Er was geen garantie dat het goed kwam, maar er was wel een achtergrondverhaal van vooruitgang. Meer vrijheid, meer democratie, meer samenwerking. Mijn kinderen moeten het zonder die overtuiging doen.
En dat geldt ook voor mijzelf. Na dertig jaar ploeteren als student, analist en Europees diplomaat weet ik: vooruitgang is niet zeker. Rationaliteit beteugelt macht niet vanzelf. En politiek kan het verschil maken, maar alleen als mensen bereid zijn macht te organiseren, offers te brengen en te handelen vóórdat een crisis hen daartoe dwingt.
Het is een minder geruststellend wereldbeeld dan waarmee ik begon. Maar het hoeft niet tot verlamming te leiden. Wat overblijft is het credo van de Italiaanse denker Antonio Gramsci: „Pessimisme van het intellect, optimisme van de wil.” De werkelijkheid zonder illusies onder ogen zien en toch handelen. Juist omdat het niet vanzelf goed komt.