Home

Het WK hockey? ‘Denk maar niet dat ik mee wil’, zei mijn dochter

Mijn kinderen hebben drempelaversie. En hoewel ze zelf de hele dag door met het woord ‘letterlijk’ strooien, bedoel ik dit in de meest figuurlijke zin des woords. Ze hebben nooit ergens zin in. Vinden niks leuk. Willen nergens naartoe. Zelfs niet naar wat een doorsnee kind – dacht ik althans altijd – wél geweldig vindt.

Op de camping naar het knutselen? „Ughh daar hebben we echt geen zin in.” Naar de sportclub? „Ah nee, moet dat nu?” Nieuwe schoenen uitzoeken? „Noooo mamma!” Naar de dierentuin? „Wèèèh waarom?!” Naar het meertje om te zwemmen? „Wat? Dat is zo stom!”

Laat staan wat er gebeurt als ze iets moeten doen dat voor ‘medium’ doorgaat. „Moeten we vandaag alwéér naar school?!” „Een boterham met káás?! Hoezo?” „Ik ga écht niet mee naar opa en oma.” Let wel: we hebben het hier niet over pubers. Ze zijn 6 en 8, mijn meiden. Toch een leeftijd waarop kinderen nog over kinderlijk enthousiasme beschikken. Zou je zeggen.

Maar dat blijkt in het geval van mijn dochters elke keer weer een misverstand. Dus had ik hun reactie kunnen uittekenen toen we vorige week vertelden dat we kaartjes hadden bemachtigd voor de halve finale van het WK hockey, en dat we inmiddels wisten dat Nederland tegen België zou spelen.

De halve finale! Met Nederland erin! Hoe cool! Maar ze begonnen allebei meteen te huilen. „Moeten we daar naartoe? Dat wil ik niet! Dat is zo saai!” Je zou denken dat ze weten waar ze het over hebben, als ze zo reageren. Maar ze hadden geen idee. Ze waren nog nooit naar een WK hockey geweest. „Denk maar niet dat ik mee wil”, werd er over tafel geroepen. En: „Jullie doen altijd alleen maar dingen die jullie zélf leuk vinden!”

Nu hadden we de tickets gekocht omdat onze jongste op hockey zit. Het leek ons heerlijk om haar Yibbi Jansen live te laten zien. Om haar, en haar zus, van de sfeer in zo’n stadion te laten proeven. Oranje tenuetje aan, Nederlandse vlag op de wang en gáán.

Maar niets van dat al. Het enige waar de dames tevreden over waren, was dat ze niet naar de bso hoefden donderdagmiddag, maar verder: „Wat een stomme dag.” Mopperend stapten ze in de auto, al hadden ze wel hun oranje shirtje aangetrokken en liet de jongste doorschemeren dat ze Yibbi misschien toch wel eens wilde zien.

Op de parkeerplaats hoorden we de muziek in het Wagener Stadion al. Tijdens de tosti begonnen de oogjes steeds meer te glimmen. De toeter kwam uit de tas, en de plastic klaphandjes. Eenmaal op de tribune, met een vel vol foto’s en spelersnamen erbij keken ze samen. „Daar is Pien!” „En dat is Luna!” De oogjes stonden inmiddels op steeltjes. „Jaaa daar is Yibbi! Met de witte hoofdband, kijk!”

Ze stelden vragen over wat er gebeurde. Deden mee met de wave. Bij een prachtige aanname van een hoge bal riep de jongste: „Kijk mamma, dat kan ik ook!” En toen Frédérique Matla scoorde, sprong de oudste op haar stoel, terwijl de jongste in tranen uitbarstte omdat ze zo schrok van het ontploffende stadion.

Nederland won. „Hebben we ook kaartjes voor de finale”, vroeg de oudste verwachtingsvol. Ik schudde mijn hoofd terwijl ik dacht wat ik inmiddels al lang weet maar telkens weer vergeet: mijn kinderen vinden niks stom – als ze de drempel eenmaal over zijn.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next