Psychische problemen Als mensen met psychische problemen geen passende zorg krijgen, kunnen zij verward op straat belanden, beschrijft Monique van Oostrum, uit eigen ervaring. En dan is het maar goed dat er politie is.
„Normáál doen!” Ik schrok. „Daar staan, armen en benen spreiden!” Plotseling was de toon van de jonge agenten, een man en vrouw, omgeslagen van begripvol naar bars. Ze hadden de inhoud van de tassen die ik met me meesjouwde geïnspecteerd. De verregende papieren Bijenkorf-tas was smoezelig geworden – het was een van die wisselvallige voorjaarsdagen, 25 mei vorig jaar. De schoenendoos met mijn dure Tommy Hilfiger-sneakers was nog ongeschonden. In de plastic tas zat een wonderlijke verzameling van schatten die ik bij de Kringloop had gevonden. Een prachtige verrekijker, zo een die mijn vader ooit had, geen idee wat ik daarmee van plan was; een houten olifantje; een mooi glas van kristal dat door mijn onvoorzichtigheid in tweeën was gebroken, je kon je er makkelijk aan snijden; een klein gouden engeltje dat je op kon spelden. En in een apart tasje een Starbucks-mok van Groningen, de stad waar ik mijn zorgeloze studententijd had doorgebracht, die ze om onduidelijke redenen hier in Den Haag verkochten.
Ik had de agenten hun gang laten gaan tot ze klaar waren en naar mij opkeken. „Ik sta niet langer voor mezelf en anderen in”, dreigde ik. Die woorden alarmeerden hen.
Strakgespannen als een veer ging ik staan op de plek die ze me hadden gewezen, tegen een verveloze voordeur in een portiek. Laat ze me maar fouilleren, het kon me allemaal niets schelen, voor mijn part stopten ze me in een politiecel, daar zou ik tenminste veilig zijn.
Een van de agenten ging dicht achter mij staan, zodat ik geen kant op kon. Tot mijn grote verbazing was dat de mannelijke en niet de vrouwelijke agent. Maar in plaats van platte handen die kloppend mijn lichaam aftastten op zoek naar een wapen, zoals ik dat honderden keren in films had gezien, voelde ik iets wat ik nog het beste kan omschrijven als een geruststellend kneepje. Ik drukte me zo plat mogelijk tegen de voordeur en keek strak naar beneden, naar de zware schoenen van de agent.
„Naam, geboortedatum, adres!”, baste hij nog altijd op die strenge toon, al klonk hij steeds meer als een vader die een ondeugend kind tot de orde roept. Bij elk antwoord weer zo’n geruststellend kneepje in mijn armen, steeds een paar centimeter lager. En bij elk kneepje ontspande ik dat stukje arm. Terwijl ik werktuigelijk reageerde, voelde ik instinctief dat zijn vragen en mijn antwoorden er helemaal niet toededen. Hypergefocust concentreerde ik me op mijn armspieren, centimeter voor centimeter, en deed mijn uiterste best me te ontspannen.
De agent klonk steeds vriendelijker. Al ‘knijpend’ ging hij verder, net zolang tot hij tevreden was, opzij stapte en ik weer vrij was. Niet veel later arriveerde een ambulance. Twee hartelijke broeders ontfermden zich over mij, een oudere man en een jonge erg knappe die wilde dat ik op de brancard onder een dekentje ging liggen. Ik had niet door hoe koud ik was geworden, ik vond al die zorg maar overdreven. „Jullie gaan toch niet de sirenes aanzetten?”
Het aantal meldingen over mensen met verward gedrag is de afgelopen jaren explosief gestegen. In de eerste helft van dit jaar ontving de politie er ruim 96.000, 17 procent meer dan in dezelfde periode vorig jaar. In heel 2025 registreerde de politie zo’n 170.000 meldingen, bijna een verviervoudiging sinds 2012. „Een gigantisch probleem”, waarschuwt politiechef Martin Sitalsing, portefeuillehouder Zorg en Veiligheid, in februari in De Telegraaf. Agenten zijn gemiddeld 465 keer per dag bezig met dit soort meldingen. Ook worden er steeds vaker arrestatieteams voor ingezet. „Het komt voor dat agenten hun wapen moeten trekken terwijl ze proberen iemand te helpen.”
Sitalsing schat dat zo’n 60 procent van de politiecapaciteit wordt opgeslokt door het van straat plukken van verwarde personen. Belangrijkste oorzaak: bezuinigingen. Hij roept het kabinet dringend op te investeren in de geestelijke gezondheidszorg. Maar de komende jaren wordt als het aan het kabinet ligt juist „oplopend bezuinigd”, staat in het coalitieakkoord.
Van die 170.000 verwarde gevallen ben ik er één. Tegenwoordig schijn je het eufemisme ‘onbegrepen gedrag’ te moeten gebruiken, maar waarom niet zeggen waar het op staat? Ik wás immers verward. Zwierf dagen en nachten op straat, ging naar binnen bij kroegen waar ik normaal liever niet kwam, klampte vreemde mannen aan. Dat er tijdens die nachtelijke ontmoetingen geen misbruik van mij is gemaakt mag een wonder heten.
In een uitzending van actualiteitenprogramma EenVandaag waren ze eerder dit jaar te zien: mensen die op daken waren geklommen, met dakpannen smeten naar omstanders en dreigden te springen. Aad Egberts, een politieonderhandelaar die is opgeleid om gijzelingen te beëindigen, vertelde in de uitzending dat zo’n 90 procent van hun werk draait om mensen met verward gedrag. „Ongelooflijk hoog.” Soms ontstaan ook gevaarlijke situaties voor de omgeving. „Dan dreigen mensen zichzelf of hun huis op te blazen.” In de ergste gevallen moet de Dienst Speciale Interventies, een specialistische eenheid voor terrorismebestrijding, gijzelingen en risicovolle arrestaties, eraan te pas komen.
Kranten verhalen over psychotische patiënten die, onder invloed van drugs en geleid door stemmen in het hoofd, mensen met messteken om het leven brengen. Nooit lees of hoor ik over mensen zoals ik. Ik heb een goede baan, een sterk netwerk van liefhebbende familie, vriendinnen, collega’s en buren, ik heb de halve wereld gezien en woon in een fijn koopappartement in een van de leukste buurten van Den Haag. Met medicijnen en goede begeleiding van een psychiater leid ik een leven als ieder ander. Maar ik schommel tussen hoge pieken en diepe dalen. Meestal veilig in het midden. Vaak jarenlang, nooit voorgoed, zoals ik eerder schreef in deze krant. Ik leef met een ernstige en chronische psychische aandoening, waardoor ik soms ook verward op straat terecht kan komen.
Mijn diagnose, bipolaire stoornis type I, kreeg ik op mijn achttiende. Een aandoening die in de DSM, het handboek voor psychiatrie, staat omschreven als hevige stemmingsstoornissen waarbij de patiënt afwisselend manische en depressieve episoden heeft. Meestal openbaart de ziekte zich tussen het vijftiende en dertigste levensjaar. In een manie heeft iemand overdreven veel zelfvertrouwen of grootheidsideeën, minder behoefte aan slaap, springt van de hak op de tak en vertoont risicovol gedrag, zoals veel geld uitgeven, gevaarlijk rijden of impulsieve seksuele contacten. Tijdens zo’n periode ben ik euforisch en kan ik de hele wereld aan.
Het is een raadsel hoe ik mijn stoornis heb ontwikkeld. De huidige consensus onder wetenschappers is dat de stoornis ontstaat door een samenspel van biologische aanleg en omgevingsinvloeden. Bij mij lijkt het vooral te gaan om een kwetsbaarheid in de chemische balans van mijn hersenen. Stofjes als dopamine, serotonine, noradrenaline en glutamaat raken soms ontregeld, onder invloed van stress of slaaptekort. Onderzoekers hebben ontdekt dat mensen met een bipolaire stoornis vaak minder ‘groeifactoren’ in hun hersenen hebben. Dit zijn eiwitten die belangrijk zijn voor de ontwikkeling en het gezond blijven van zenuwcellen. Wanneer deze eiwitten ontbreken, worden de hersenen minder flexibel. Ze passen zich moeilijker aan nieuwe situaties aan, wat uiteindelijk hersenschade veroorzaakt. Hierdoor ontstaan sterkere emotionele schommelingen.
Ik was een gevoelig kind. Mijn vader was lange tijd arts bij defensie, waardoor wij vaak verhuisden. Toen ik een kleuter was woonden wij vlakbij het Duitse Seedorf, dat een grote militaire basis had, onderdeel van de NAVO-verdediging tijdens de Koude Oorlog. De nog onbekende Desi Bouterse was er net vertrokken met zijn gezin, onder wie zoontje Dino, later net als zijn vader een veroordeelde drugscrimineel. Kleine kans dat we in de zandbak hadden gespeeld, ik was zo verlegen dat ik een jaar lang niets had gezegd in de klas. Mijn gelukkigste herinnering bewaar ik aan Zuidwolde, een ‘Ot en Sien-dorp’ in Drenthe. ‘Stand in de mand’, in hooibergen springen op partijtjes, giebelen met mijn hartsvriendin. Tot op een dag weer het woord ‘verhuizen’ viel. Dagenlang heb ik gehuild. Het werd Nieuwegein, een uit nieuwbouw opgetrokken groeistad bij Utrecht. Hier droegen de meisjes make-up, partijtjes werden ‘fuifjes’, springen in hooibergen werd ‘schuifelen met jongens’.
Het moet in 5 vwo zijn begonnen. Sluipenderwijs trok er een mist op in mijn hoofd, ik voelde me somber, wilde dat ik nooit was geboren. Mijn ouders brachten me naar een psycholoog, die mij antidepressiva voorschreef. Ik deed of ik ze innam, maar gooide ze stiekem in de prullenbak. Het werd lente, ik werd vrolijker, té vrolijk. Tijdens uitgaan papte ik aan met studenten. Op een naburige school verkondigde ik luidkeels hoe je het beste coke kon snuiven. Niet dat ik enig idee had hoe ik daaraan moest komen, maar ik had het acteur Michael J. Fox zien doen in de film Bright Lights Big City, met een opgerold bankbiljet.
Op een avond sneed ik met het scheermes van mijn vader mijn lange haren af. Mijn eerste opname was een feit. Ik zou de nodige terugvallen meemaken, de tel ben ik kwijtgeraakt. Maar als een bokser in de ring sta ik na elke klap weer op.
Aandoeningen als de mijne zijn omgeven door hardnekkige vooroordelen. Kanye ‘Ye’ West, de even invloedrijke als omstreden rapper, versterkt die door zijn bipolaire stoornis, „veroorzaakt door een auto-ongeluk”, te gebruiken als excuus voor antisemitische uitspraken. Tegelijkertijd kan de ziekte ook een ‘superpower’ zijn, met bijverschijnselen als creativiteit en een sterk associatief vermogen. Schrijver, acteur en komiek Stephen Fry en mijn literaire held Maarten Biesheuvel weerleggen de opvatting dat mensen met een bipolaire stoornis minder kunnen bereiken. Hun uitzonderlijke prestaties vormen daar het bewijs van.
Zeldzaam zijn deze ziektes allerminst. Iets meer dan 1 procent van de Nederlanders lijdt aan een bipolaire stoornis. Het Trimbos-instituut zegt dat bijna de helft van de volwassenen ooit één of meerdere psychische aandoeningen heeft gehad. De afgelopen twaalf maanden gold dat voor ongeveer een op de vier volwassenen. Dit komt overeen met bijna 3,3 miljoen volwassen Nederlanders. Gewone mensen uit ieders directe omgeving: een familielid, een vriend, een collega, een buurman. Elk jaar krijgen meer dan 1 miljoen mensen een ggz-behandeling, zo’n 4 miljard euro aan zorgverzekeringspremies gaat eraan op.
Politiechef Martin Sitalsing spreekt van „falend zorgbeleid”. Daar kan ik over meepraten. Twintig jaar had ik een vaste psychiater, wij hadden een misschien wel uitzonderlijk goede behandelrelatie. Toen ik een halfjaar naar Midden-Amerika vertrok en later een jaar naar Zuid-Amerika, moedigde hij me aan en stopte ik een voorraad lithiumpillen in mijn rugzak. Ging het, sporadisch, mis dan hoefden mijn ouders maar te bellen of hij regelde een bed in de kliniek. Maar mijn psychiater werd bestuurder, waarna ik de ene na de andere behandelaar versleet, ze vertrokken om de haverklap. Telkens moest ik opnieuw mijn verhaal doen, altijd afwachten of er een klik was. Meestal niet.
De ggz-instelling waar ik jaren onder behandeling was, werd in 2005 opgericht „om specialistische geestelijke gezondheidszorg volgens vaste behandelprotocollen” aan te bieden. Zij huist in een non-descript, uit geel baksteen opgetrokken gebouw, binnen liggen folders over hardloopclubjes, antipiekercursussen, slaaptrainingen en lichttherapieën – alsof het activiteiten van een buurthuis zijn. Wekelijks kom ik er nog langs met de tram. Elke keer denk ik: hier mag ik nooit meer naar binnen.
Enkele jaren geleden onthulde deze krant dat deze instelling psychiaters en psychologen de opdracht gaf langdurende behandelingen abrupt te staken, omdat nieuwe patiënten meer opleveren. Het overgrote deel van de inkomsten van dit type instellingen komt van zorgverzekeraars, die de behandelingen vergoeden uit het premiegeld van verzekerden. Binnen afgesproken budgetten gelden limieten voor het aantal te behandelen ernstig zieke patiënten en voor de duur van hun behandeling. Onder invloed van marktwerking denken instellingen als deze in makkelijke en moeilijke ‘producten’. Met mijn ernstige en chronische ziekte ben ik een weinig rendabele patiënt.
In 2024 werd ik „uitbehandeld verklaard” en doorverwezen naar een wijkcentrum, waar ik één keer per jaar de psychiater mocht zien. De sociaalpsychiatrisch verpleegkundige die ik zag kwam niet verder dan tips als de Albert Heijn-app downloaden voor gezonde recepten en me inschrijven voor pilatesklasjes. Toen ik om slaappillen vroeg, hadden alle seinen op rood moeten staan, want slaapgebrek is een van de grootste aanjagers van een manie, maar ik kreeg moeiteloos een recept.
Depressief in de winter, manisch in het voorjaar, zo gaat dat meestal. Mijn laatste depressie duurde vier jaar, van 2022 tot en met 2025. Hele dagen lag ik in bed, douchen was een exercitie, ik stond alleen op voor mijn werk. Tegen de eenzaamheid luisterde ik naar babbel-podcasts en keek naar kookprogramma’s. Zien hoe Jamie Oliver of Gordon Ramsay hakkend, roerend en bakkend de lekkerste gerechten bereiden had iets geruststellends. Zelf leefde ik op magnetronmaaltijden. Ik borstelde mijn haar niet meer, tot het één kluwen van klitten was geworden. Uit schaamte durfde ik niet naar de kapper. Met lood in mijn schoenen ging ik uiteindelijk naar een thuiskapster. Drie uur pijn en een fles babyolie later had ik mijn haar weer terug. De eerste stap op weg naar herstel. Dat ik zou doorschieten in een manie kon ik nog niet weten.
Eind mei 2025 was ik al een tijdje ziekgemeld omdat ik op mijn werk, als eindredacteur bij NRC, een verontrustende mail naar de hele organisatie had gestuurd waaruit bleek dat het niet goed met me ging. Ik werd heel actief op LinkedIn. Zo begon ik te chatten met een journalist van wie ik weleens wat had gelezen. „Je mag me wel bellen hoor. Of moet ik het vuile werk weer opknappen?” Mijn brutaliteit vond hij aanvankelijk nog amusant. Na veel heen en weer ge-app (wat ik niet durf terug te lezen) kwam het tot een koffieafspraak, arriveerde ik te laat, smeet een voorraad antipsychotica voor zijn verbouwereerde gezicht op tafel en zei: „Die heb ik niet nodig.” Tot een vervolgafspraak is het niet gekomen.
Op die bewuste zondag, de 25ste mei, was ik al de hele dag op pad, in mijn nopjes met mijn impulsaankopen. Toen de winkels sloten, draalde ik langs de terrassen. Het werd laat, de meeste horeca ging dicht, overal werd ik weggestuurd. Ik wilde niet naar huis want dan zou ik weer alleen zijn. Struinend over de natte straten kwam ik uit bij de Spoedeisende Hulp. Nauwelijks zat ik in de wachtkamer of ik moest alweer weg omdat ik er met al mijn tassen duidelijk niets te zoeken had. Ik voelde me als het meisje met de zwavelstokjes uit het sprookje van Hans Christiaan Andersen, waar ik als kind zo om moest huilen. Ook zij durfde niet naar huis. Om zich te verwarmen stak ze één voor één een zwavelstokje aan, in de vlammetjes zag ze mooie visioenen. Toen haar laatste stokje was opgebrand, stierf ze van de kou.
Stervenskoud was het niet, wanhopig was ik wel. Ik had al een paar politiewagens voorbij zien rijden, en vroeg me af of agenten het niet gek vonden dat een vrouw bepakt en bezakt in haar eentje rondzwierf in een regenachtige nacht. Half en half hoopte ik dat ze zouden stoppen, om te vragen of ze me konden helpen. De politie had me eerder weleens goed geholpen, hun aanwezigheid alleen al gaf me een beschermd gevoel. Tegen de ochtend, de eerste hardloper verscheen al, stopte er een patrouillewagen en stapten twee agenten uit. Kennelijk wekte ik na 24 uur rondsjouwen toch de indruk dat ik hulp nodig had.
In de ambulance ratelde ik aan een stuk door. Kalm reden we naar de Spoedeisende Hulp Psychiatrie waar ik een eerste crisisbeoordeling kreeg. Opnieuw werden mijn tassen geïnspecteerd. „Dit nemen we maar even mee”, zei de verpleegkundige die me opving, over het gebroken kristallen glas. Ik kreeg wat te drinken, moest mijn urine laten controleren op urineweginfecties en werd naar een bed in een verder lege kamer gebracht, de deur mocht openblijven. Uiteindelijk werd ik overgebracht naar het Klinisch Centrum Acute Psychiatrie, een gesloten opnamekliniek voor mensen in acute psychiatrische crisis.
Mijn ervaring is meer dan een persoonlijk verhaal. Psychische kwetsbaarheid is verweven geraakt met het dagelijks leven. Werden mensen met psychische klachten vroeger opgenomen in instellingen buiten de stad, tegenwoordig wonen zij steeds vaker middenin woonwijken. Omdat de begeleiding nogal eens tekortschiet, kunnen spanningen ontstaan die uitgroeien tot gewelddadige incidenten. Deze voorvallen worden breed uitgemeten in het nieuws.
Wat bedoeld is als inclusie, wordt door omwonenden ervaren als overlast: ‘Not in my backyard.’ Het begrip in de samenleving raakt op. Nederland is van een verzorgingsstaat een keiharde maatschappij geworden, waarin iedereen zichzelf maar moet zien te redden. Het sociale vangnet kent grote gaten, waar mensen zoals ik doorheen glippen. Een geneesheer-directeur van een ggz-instelling zei onlangs in deze krant „dat de ggz er niet is om mensen langdurig op een bewaakte plek te verzorgen”. Op mijn kwetsbaarste momenten ervaar ik hoe weinig aandacht er is voor mensen zoals ik.
Toen ik vorig jaar in de war was, wist een agent door ‘mijn dreigement’ heen te prikken en mij tot kalmte te manen. Natuurlijk wil ook ik niet dat de politie fungeert als „het duizenddingendoekje van falend zorgbeleid”. Maar ik ben dankbaar dat de politie er is. Want op de ggz hoef ik niet te rekenen.