Op donderdag 9 juli verscheen een artikel over geiten waarvan de kop al verraadde dat hier een gevoelige kwestie speelde. Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij was ook de belangrijkste conclusie van het onderzoeksstuk, dat op drie pagina’s in de zaterdagkrant stond. Het ging over wetenschap én over politiek, want dit ging over de volksgezondheid en de toekomst van Nederlandse geitenboeren.
Drie weken later, op 29 juli, gebeurde er iets wat binnen NRC zeer uitzonderlijk is: het online artikel werd aangevuld met een inzet met ‘aanvullend wederhoor’ van onderzoeksinstituut RIVM. Een toelichting ontbrak en de aanpassing stond niet bij ‘Correcties en aanvullingen’ – veel lezers zal het ontgaan zijn. Het gaf de ombudsman stof tot nadenken.
Het verhaal begon dit voorjaar, toen de ervaren freelance journalist Aliëtte Jonkers een idee voorlegde aan de wetenschapsredactie. Ze schrijft al meer dan tien jaar over medische wetenschap voor onder meer de Volkskrant, en sinds begin dit jaar voor NRC. Ze had twijfels over een grote studie over de geitenhouderij, genaamd VGO-III (‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’). Die studie was in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid uitgevoerd door een consortium van het RIVM en andere instituten. De onderzoeksvraag: krijgen mensen longontstekingen doordat ze in de buurt van een geitenboerderij wonen? De publicatie uit februari 2025 kreeg veel aandacht, ook in NRC.
„Het was een heel gevoelig onderwerp, omdat de minister maatregelen tegen de geitenhouderij zou aankondigen”, zegt toenmalig chef wetenschap Sander Voormolen. Voormolen stemde in: Jonkers zou een uitgebreid onderzoeksartikel schrijven over de onderbouwing van de conclusies van VGO-III en de communicatie erover. In het artikel laat ze zien, met kritiek op de onderzoeksmethode waarover ook een hoogleraar microbiologie en een statisticus zich uitlaten, dat het bewijs voor dat oorzakelijke verband zwak was. Er waren, bijvoorbeeld, maar 108 patiënten met een longontsteking meegenomen in de studie terwijl er 600 à 800 nodig waren.
Ook ontdekte Jonkers dat het ministerie van VWS zélf uit VGO-III had afgeleid dat de geitenhouderij zorgt voor twintig tot honderd doden per jaar. Dat was door het RIVM niet onderzocht.
Ze beschreef nog twee gevoelige zaken. Twee kritische voormalig leden van het onderzoeksconsortium zeiden dat er „druk” op hen was uitgeoefend binnen het consortium en door het ministerie om zich, in hun woorden, „stil te houden”. Ook bleken uit een proefschrift dat was verwerkt in VGO-III „precies die hoofdstukken” te zijn weggelaten die de hoofdconclusie tegenspraken.
Op de maandag na publicatie belandde een klacht van het RIVM op het bureau van de hoofdredactie. Het instituut vond dat het onderzoeksteam in het artikel te weinig ruimte kreeg om zijn verhaal te doen. De woordvoerder stuurde 1.300 woorden mee aan antwoorden op vragen, die de journalist ruim voor publicatie had gekregen. Het ging over het ministerie van VWS dat zelf aantallen doden had berekend; over het proefschrift dat niet volledig in VGO-III was opgenomen; en andere wetenschappelijke kwesties.
In het artikel is van die repliek weinig terug te zien. Het RIVM reageert twee keer expliciet, in korte parafrases: over het rekenwerk van het ministerie, en over het proefschrift. Daarnaast citeert het stuk enkele woorden van websites van het consortium, onder meer dat wel degelijk een „robuust en consistent verband” is gevonden tussen geiten en longontstekingen.
Wanneer is wederhoor voldoende? Daar zijn geen harde regels voor, maar de NRC Code geeft een richtsnoer. Wederhoor dient voor „het verkrijgen van een evenwichtig beeld van gebeurtenissen, door meer betrokkenen de kans te geven hun verhaal te laten doen”, staat er onder meer. De Code is vooral streng als het gaat om „feitelijke beschuldigingen”.
„Als je zegt, de wederhoor had uitgebreider mogen zijn: dat snap ik wel”, zei Aliëtte Jonkers toen we het bespraken. „Wel jammer dat het niet voor publicatie tegen me is gezegd.” Voormolen had met Jonkers de eerste versie van haar stuk doorgesproken; zij had hem de hele wederhoor gestuurd. Hij vroeg Jonkers nog wel om over de vermeende „druk” op onderzoekers extra wederhoor te vragen bij het RIVM, want dat kwam in de vragenlijst niet aan de orde. De auteur vroeg een gesprek aan met de toenmalig onderzoeksleider. Maar zij, nu met pensioen, wilde niet persoonlijk reageren (zo staat ook in het stuk).
Daar bleef het bij, de eindredactie stelde Jonkers geen vragen, en het stuk verscheen. Tot, op 13 juli, de klacht van het RIVM binnenkwam.
Zowel Voormolen (die medio juli afscheid nam als chef wetenschap) en plaatsvervangend hoofdredacteur Melle Garschagen loven de medisch-wetenschappelijke degelijkheid van Jonkers’ stuk. Ze heeft „zeer solide journalistiek werk gedaan”, zegt Garschagen. Voormolen vindt ook achteraf dat de wederhoor afdoende was. „Als journalist kies je voor de hoofdlijnen.” De wetenschapsredactie vond dat het RIVM een ingezonden brief kon schrijven.
Maar de hoofdredactie vond de wederhoor onvoldoende, en dat begrijp ik. Niet omdát de repliek 1.300 woorden besloeg – twee kantjes geklets hoef je als journalist nog steeds niet af te drukken – maar vooral de belastende uitspraken over druk binnen het onderzoeksteam vroegen om wederhoor. Dat vindt ook Garschagen: „Dit is maatschappelijk gevoelig, bronnen uiten behoorlijk ferme statements, dan heb je de verplichting om ook andere kant ruimte te geven.”
Over het kader met aanvullend wederhoor dat toegevoegd is, zou ik nóg een rubriek kunnen schrijven. Heel kort: Garschagen nam de taak op zich, want Voormolen stopte net als chef en zijn opvolger was nog niet begonnen. Op 21 juli arriveerde een ingezonden brief van het RIVM. Garschagen besloot die in te korten tot 250 woorden en als kader toe te voegen aan het online artikel; het RIVM en de auteur kregen het vooraf te lezen.
Het kader benoemt onder meer de gevoelige kwesties rond de weggelaten hoofdstukken en de vermeende druk (het onderzoeksteam ontkent dat er druk is uitgeoefend). Maar heeft de redactie, los van de ingezonden brief, voldoende afgewogen welke aanvullende informatie van het RIVM de lezer nog moest bereiken? Nu staan er vaagheden in zoals „Het proefschrift is openbaar” – goh. De auteur mailde op 28 juli dat ze met de tekst „kon leven”, en het kader werd de volgende dag (alleen online) gepubliceerd.
Dat de hoofdredactie daarover niets meldde aan de lezer, is in strijd met de interne regels voor transparantie. Garschagen: „Gezien onze beloften aan de lezer, hadden we een melding onder het stuk moeten zetten dat het stuk was aangevuld.” Daarbij lijkt het me ook relevant dat de hoofdredactie de kadertekst heeft opgesteld. Iedereen liep op z’n tenen, oké, maar nu is de lezer nóg niet geïnformeerd. Ook de auteur is ontevreden: ze wil toch dat het kader herzien wordt. De hoofdredactie weigert.
Dat snap ik, want dit wordt achteraf niet meer beter. Deze publicatie had vanaf het begin beter begeleid moeten worden, en niet alleen vanwege de wederhoor. De auteur had, blijkt achteraf, behalve de geciteerde wetenschappers er nog minstens drie gesproken die kritiek hadden op de methode. Ze zegt met documenten te kunnen aantonen dat er druk was uitgeoefend (ik heb me daar geen oordeel over gevormd). In een afgerond onderzoeksverhaal is zulke informatie gewogen en verwerkt. Nu niet.
„Daar neem ik de verantwoordelijkheid voor”, zegt Voormolen. „Maar ik ben ook maar een chef alleen.” Jonkers had hem aan het begin van het traject gevraagd om het stuk samen met haar te schrijven. Dat een chef dat niet kan, snap ik, maar er zijn op de redactie genoeg collega’s met onderzoekservaring die haar hadden kunnen helpen, hadden móéten helpen.
Ik vind het, alles beschouwend, pijnlijk voor de auteur die bovendien zelfstandige is. Ja, ze is een ervaren journalist met grote medisch-wetenschappelijke kennis. Maar, zegt ze zelf, ze is geen ervaren onderzoeksjournalist.
Net als bij de kwestie over de aarden wal, twee weken geleden, werd een gevoelig project gepubliceerd zonder dat voldoende interne kennis over onderzoeksjournalistiek werd ingezet. De hoofdredactie realiseert zich dat ook, zegt Garschagen. De hoofdredactie streeft naar twee auteurs bij onderzoeksverhalen, vaste begeleiding door een chef met onderzoekservaring, vaker gesprekken met chefs over lopende projecten. Dat lijken me hoognodige voornemens.
De ombudsman opereert onafhankelijk; haar oordeel is persoonlijk en niet dat van de (hoofd)redactie. Kijk hier voor de statuten van de ombudsman. Reacties kunt u mailen naar ombudsman@nrc.nl