WK hockey Voor het spel onder bondscoach Jeroen Delmee (53) is fitheid, snelheid en goed georganiseerd verdedigen het uitgangspunt bij de Nederlandse hockeymannen. Vrijdag speelt Oranje de halve finale van het WK. „Hij benadrukt altijd dat alles begint met energie.”
Bondscoach Jeroen Delmee (rechts, met oranje pet) spreekt zijn spelers toe tijdens de WK-wedstrijd tegen Engeland in het Wagener Stadion.
Het terrein van tennisclub Het Amsterdamse Bos is leeg en verlaten, op maandagochtend 20 juli. Maar achter wat begroeiing, op het terras rond het clubhuis, veegt Jeroen Delmee met een stoffer glasscherven op een blik om die vervolgens in een container te gooien. Het tafereel duurt minutenlang – het terrein ligt bezaaid met splinters van kapotte wijn- en champagneflessen, na wat oogt als een uit de hand gelopen studentenfeest.
Het onderkomen van de tennisclub is de tijdelijke thuishaven van de Nederlandse hockeymannen. Het naastgelegen Wagenerstadion wordt verbouwd, in aanloop naar het WK. En dus moet Delmee het „effe opruimen”, zegt hij. „Anders loopt er straks misschien één speler op blote voeten en die stapt erin.”
Het voorval typeert de bondscoach „helemaal”, zegt Lars Balk een week later, als hij er bij een kop koffie over hoort. „Na trainingen loopt hij ook altijd met pionnen en ballenkoffers te sjouwen”, zegt de vice-aanvoerder van Oranje. Lachend: „De vieze hesjes neemt hij mee naar huis om te wassen.”
Vrijdagavond treffen de Nederlandse mannen Spanje in de halve finale van het WK, in het Wagenerstadion in Amstelveen. Onder leiding van Delmee won Oranje eerder drie keer de Pro League, het Europees kampioenschap (2023) en Olympisch goud (2024). Alleen de WK-titel ontbreekt nog. De laatste keer dat de hockeymannen wereldkampioen werden, was 28 jaar geleden, met Delmee als speler.
Wie is hij, de succesvolle bondscoach van Oranje? Hoe laat hij zijn team spelen? „Op topniveau moet alles vol gas.”
Delmee grijpt hard in bij zijn aantreden, eind 2021. Hij vertelt gevestigde namen als Sander de Wijn en Jeroen Hertzberger dat hun tijd bij Oranje erop zit. De jaren onder zijn voorganger Max Caldas, nu bondscoach van komend tegenstander Spanje, waren weinig succesvol en telden twee teleurstellend verlopen Olympische Spelen.
De onmisbare boodschap van Delmee: het is tijd voor een nieuwe generatie, een nieuwe dynamiek. Dat terwijl jonkies als verdediger Lars Balk en aanvaller Koen Bijen niet beter zijn dan hun voorgangers. „Nog niet”, zegt Delmee intern.
Hij gaat bouwen aan een nieuw Oranje, houdt hij de nieuwkomers voor bij de eerste teambesprekingen. Van privileges moet hij niets hebben, iedereen krijgt een gelijke behandeling. Voor het spel dat hij wil spelen verwacht hij dat ze topfit zijn en bereid om keihard voor elkaar te werken – dat was ook het fundament onder zijn eigen carrière, waarin hij 401 interlands speelde.
„Zijn gedrevenheid was zijn grootste talent”, zegt Marten Eikelboom, oud-ploeggenoot bij Oranje en nu als bestuurslid technische zaken bij de hockeybond verantwoordelijk voor Delmee. De voormalig spits herinnert zich een zomervakantie als puber waarin hij bij toeval op dezelfde Franse camping bleek te staan als Delmee. „Daar zette de vader van Jeroen iedere dag een parcourtje voor hem uit om aan zijn conditie te werken”, zegt Eikelboom. „Ik geloof dat ik één dag heb meegedaan en toen dacht: ik ben hier om vakantie te houden.”
Jeroen Petrus Maria Delmee (Boxtel, 1973) denkt er met goedkeuring aan terug. „Mijn vader is altijd mijn voorbeeld geweest”, vertelt hij op het terras van de tennisclub. Naast een drukke baan als planner in één van de grootste varkensslachterijen van Europa coachte Delmee senior jarenlang clubs in de hockey hoofdklasse en vervulde hij diverse rollen bij Oranje. Delmee: „De mouwen opstropen. Dat dna zit in mij.”
Het vroege overlijden van zijn vader aan de gevolgen van kanker, net na diens pensionering, is een bepalend moment in zijn leven, vertelt Delmee. „De belangrijkste les die het me leerde, was: ga doen wat je leuk vind. En dat is coachen.”
Om terug te keren aan de wereldtop is Delmees eerste aandachtspunt de verdediging. Oranje, dat traditiegetrouw op de aanval is gericht, krijgt te makkelijk goals tegen, is zijn analyse. Verdedigen moet weer de eerste prioriteit worden. Vanzelfsprekend is dat allerminst, ziet hij.
Jeroen Delmee (m) tijdens de groepsfase wedstrijd op het WK hockey tussen Argentinië en Nederland in het Wagener Stadion.
Exemplarisch is het handschoentje waarmee spelers bij het verdedigen de knokkels van hun linkerhand beschermen tegen de bal en het kunstgras, wanneer ze de stick volledig horizontaal op het veld leggen in een duel. Waar bij andere landen alle spelers er een dragen, zijn dat er bij Oranje maar een paar. „Toen dacht ik: hoe denken wij te gaan winnen als we bij het verdedigen de stick kennelijk niet helemaal plat houden?”, zegt Delmee terugblikkend. „Die handschoentjes symboliseren iets. Die móet je als prof gewoon hebben.”
Het verdedigen is een terugkerend onderdeel van de wekelijkse training met Oranje. Als gedachtesteun voor zijn spelers heeft Delmee, die zelf furore maakte als verdedigende middenvelder bij alle grote Brabantse clubs, een bekende stelling omgedraaid: „De verdediging is de beste aanval.” Wat hij wil, is dat zijn hele ploeg na balverlies direct omschakelt, om de bal zo dicht mogelijk bij de vijandelijke goal te heroveren: een goede uitgangspositie om alsnog te kunnen scoren.
Om de noodzaak van goed georganiseerd verdedigen over te brengen, betrekt Delmee ook specialisten bij het team. Zo verzorgt oud-basketbalinternational Cees van Rootselaar in die beginperiode een clinic op topsportcentrum Papendal. „Om de spelers te leren kijken naar de bal, de tegenstander én ondertussen te weten waar je eigen basket is,” vertelt Van Rootselaar aan de telefoon.
Op structurele basis sluit oud-hockeyinternational Marcel Balkestein aan bij het Nederlands team om spelers individueel en als elftal verdedigend sterker te maken. Met succes, blijkt ook op dit WK. Zodra de aanvallers bij niet-balbezit de druk opvoeren op hun directe tegenstanders, loeren de Nederlandse verdedigers op hun kans om vóór hun man te komen, om zo de onder druk gegeven pass te kunnen onderscheppen. „Ja, daar is veel op getraind”, vertelt Balkestein met zichtbare tevredenheid tijdens het WK.
Wie mensen rond Oranje vraagt naar Delmee, begint over zijn ongekende werklust en toewijding. Na de vraag aan Delmee zelf hoe hij zich ontspant, schiet hij in de lach. „Met schietfilms”, vertelt hij in juli, kort na zijn zomervakantie van anderhalve week met het gezin in Frankrijk. „Hoe simpeler het plot, hoe beter. Gewoon een beetje actie en dat ik verder nergens over na hoef te denken.”
Hij is er inmiddels aan gewend dat het vak vrijwel permanent zijn aandacht vergt, vertelt hij. „Tien dagen vakantie is te kort om er echt helemaal uit te gaan.”
Tijdens dit WK vullen zijn dagen zich van half zeven ’s ochtends tot na middernacht met trainingen, wedstrijden, het terugkijken daarvan en het analyseren van tegenstanders. „Veel hebben we van tevoren al gedaan, maar je moet toch kijken: zien we nog iets nieuws?”, zegt hij na afloop van een poulewedstrijd. „We willen de jongens zo goed mogelijk voorbereiden.”
Het gevaar van opbranden, ondervond hij aan den lijve. Na een aanstelling bij de Belgische bond was de tank eind 2015 leeg. „Met name mijn hoofd zei: ‘Ik ben er wel even klaar mee’”, zegt hij terugkijkend. „Ik stond op een ochtend op om richting België te gaan en dacht: ik heb geen zin. Het plezier was weg. Dat was een heel duidelijk signaal om te stoppen.”
Cultuurverschillen speelden een rol bij zijn beslissing. „Onder andere mijn directheid.” Het leverde hem als beginnend coach wijze lessen op, vertelt hij. „Dat je niet te snel moet evalueren na een teleurstelling, bijvoorbeeld. En dat ik me meer moest inleven in degene met wie ik sprak.” Na een diepe ademhaling: „Ik heb nergens zoveel geleerd als in België.”
Delmee gelooft dat iedereen topfit moet zijn om zijn spel te kunnen spelen.
Wat bleef, is de obsessie met de sport. „Del”, zoals veel spelers hem noemen, is een „vakidioot”, zegt Lars Balk. Delmee knikt als hij het hoort. „Het is zo’n verdomd mooi spelletje. En in de top draait het om details die het verschil maken.” De uitkomst daarvan: het willen uitsluiten van toeval. Delmee: „Daar geloof ik in. Dat geeft controle en vertrouwen.”
Het betekent in de praktijk dat hij hamert op afspraken, veel aandacht heeft voor de speelwijze van de tegenstander en alle mogelijke scenario’s voor het wedstrijdverloop bespreekt. „Delmee is tactisch supersterk”, zegt strafcornerspecialist Jip Janssen na afloop van de gewonnen poulewedstrijd tegen Japan. „Maar altijd benadrukt hij dat alles begint met energie.”
Vraag Jip Janssen, aanvoerder Thierry Brinkman of een willekeurige andere international wat Delmees opvatting is over het moderne hockey en het antwoord luidt: „It’s a sprinting game.” Het is, zegt Delmee zelf, de consequentie van de professionalisering die het hockey doormaakt en de vele wijzigingen die zijn doorgevoerd om het spel nog aantrekkelijker te maken – het afschaffen van buitenspel, de zelfpass bij spelhervattingen en, de meest ingrijpende: onbeperkt wisselen. „Het maakt dat op topniveau alles vol gas gaat.”
Dat is de boodschap die hij vanaf zijn aanstelling heeft overgebracht op de groep. „Wat hij voor ogen had, was een team dat over het veld kan razen, als een tornado die je overvalt”, zegt middenvelder Jonas de Geus terugblikkend.
Om dat spel te kunnen spelen, moeten de spelers in optimale conditie zijn. Een taak die sinds de start van Delmee is weggelegd voor de Australiër Matthew Eyles, opgegroeid in het rugby. Doordat de spelers tijdens trainingen en wedstrijden onder hun shirt een GPS-zender tussen de schouderbladen dragen, beschikt hij over een berg aan relevante data: het aantal afgelegde kilometers, het aantal sprints, hun topsnelheid – en nog veel meer. Mede op basis daarvan kan hij specifieke trainingsschema’s opstellen voor iedere speler.
Wat hij in de loop der tijd heeft gedaan, vertelt Eyles kort voor het WK in het spelershotel, is alle spelers zo trainen dat ze mee kunnen in het gevraagde sprintgeweld. Middenvelder Thijs van Dam is een belangrijke voortrekker bij de trainingssessies van Eyles.
Ook tijdens wedstrijden speelt Eyles een belangrijke rol. Waar assistent-coach Eric Verboom hoog in het stadion zit om het beste tactische overzicht te hebben, staat Eyles met zijn laptop naast Delmee. Dreigt een speler in het rood te geraken, dan waarschuwt hij de bondscoach, die blind vaart op zijn expertise. Eyles: „Numbers don’t lie.”
De opgevoerde trainingsintensiteit doet de getalenteerde spelersgroep goed. In de vijf jaar onder Delmee wint het team veel, met de zege in de Olympische finale in Parijs (2024) als onbetwiste hoofdprijs. Het goud plaatste Delmee, die al voor Parijs een contract tekende tot en met de Olympische Spelen in Los Angeles (2028), ook voor een dilemma: hoe zijn spelers opnieuw te prikkelen om nog eens vier jaar alles opzij te zetten?
„Je merkte in de afgelopen twee jaar dat het zwarte gat na de Olympische Spelen best wel zwaar viel bij sommige jongens,” zegt Lars Balk. Zelf ging hij een periode in India hockeyen, om later fris terug te keren bij Oranje.
Uiteindelijk lukte het om iedereen weer mee te krijgen, vertelt Delmee, ook omdat de spelersgroep de invloed van het goud in Parijs onderling besprak tijdens een trainingskamp in Zuid-Afrika. „De kunst is om jezelf te blijven verbeteren,” zegt Delmee. „En dat is ons gelukt.”
Zo is het team nu in staat de tegenstander nog sneller onder druk te zetten wanneer Balk als vrije man achterin doorschuift en zijn teamgenoten hoorbaar opjaagt: „Door, door, door!” Het resulteert in soms spectaculair afjaaghockey, al houdt het vertoonde veldspel op het WK nog niet over. Maar de ingrediënten van het typische Delmeespel zijn duidelijk zichtbaar.
Exemplarisch is de derde goal tegen India (3-1) in de slotfase van de wedstrijd. Middenvelder Jorrit Croon drijft een Indiër tot wanhoop, snoept hem de bal af en breekt met de bal aan de stick uit terwijl er al twee aanvallers op volle snelheid onderweg zijn richting de cirkel. Daar ontvangt Thijs van Dam de bal en passeert fraai de keeper: wedstrijd beslist. Delmee, lachend na afloop: „It’s a sprinting game.”