Ultra-atletiek In principe zou ieder mens 160 kilometer kunnen rennen, zegt Noor van der Veen. De beste vrouwelijke ultra-atleet van Nederland begon zelf ook pas rond haar twintigste met hardlopen. „Mensen hebben geen idee van wat ze kunnen.”
Noor van der Veen
Bijster sportief was Noor van der Veen vroeger nooit, als kind niet en ook niet als tiener. Tot haar twintigste, vertelt ze, deed ze aan paardrijden, „maar dat zou ik geen sport willen noemen”. Toen ze in haar studententijd wilde gaan hardlopen („veel feestjes, dus je komt wat aan”), ging dat aanvankelijk voor geen meter. Ze had, zo zegt ze, „nul zelfvertrouwen als atleet”.
Tot die dag, ze was twintig, waarop een collega in de outdoorwinkel waar ze werkte haar vertelde over de Ultra-Trail du Mont Blanc (UTMB). De bekendste ultraloop ter wereld: 176 kilometer en 9.900 hoogtemeters over een pad rondom de hoogste berg van West-Europa. „Ik weet nog dat ik helemaal gefascineerd was. Dat mensen zúlke afstanden konden rennen.” Ze besloot de volgende ochtend meteen vijf kilometer te gaan hardlopen. „Ineens lukte het.”
Deze vrijdag gaat Van der Veen (33) in Chamonix voor de derde keer van start in de UTMB. Ze geldt inmiddels als ’s lands beste vrouwelijke ultraloper op afstanden boven de 100 kilometer. De afgelopen jaren won ze verschillende grote internationale wedstrijden, waaronder de Tor des Géants (330 kilometer) in Italië.
Ultra-atletiek en trailrunning – rennen over onverharde paden – zijn bezig aan een opmars. Buitenstaanders zien het vooral als een bizarre bezigheid, voorbehouden aan een kleine groep fanatiekelingen. Dat klopt niet, zegt Van der Veen via een videoverbinding vanuit Valle d’Aosta in Italië, waar ze zich voorbereidt op de UTMB. „Je hebt er geen bovenmenselijke fysieke vermogens voor nodig”. Natuurlijk, een beetje aanleg voor duursport en vooral bereidheid om veel te trainen zijn een vereiste. „Maar in principe zou iedereen een ultra kunnen lopen. Mensen hebben geen idee van wat ze kunnen. Als je denkt dat je een grens bereikt hebt, kun je nog zó veel meer.”
Voordat ze in de ultra-atletiek belandde, deed Van der Veen – opgegroeid in Hilversum – aan alpinisme. Halverwege haar twintiger jaren zat ze in een expeditieteam dat „moeilijke vijfduizenders” in Kirgizië zou gaan beklimmen. En toen kwam de coronapandemie. „Ineens waren alle grenzen en klimhallen dicht en kon ik nergens meer heen. Als alternatief ben ik gaan lopen, en steeds verder. ”
Wat haar overstap naar het ultralopen versnelde: klimaatverandering. De opwarming van de aarde, zegt Van der Veen, maakt de bergen steeds gevaarlijker. Drie jaar geleden overleden in korte tijd vier Nederlandse alpinisten die ze goed kende. „Een van hen kwam om het leven op een heel makkelijke route. Daarna was het naïeve er bij mij wel af. Ik zou het gewoon heel zonde vinden als mijn leven hier stopt. Ik wil tachtig worden.”
In ultralopen vond Van der Veen alles wat haar óók aantrok in alpinisme, minus de gevaren: groots en meeslepend avontuur, langdurig buiten zijn, alleen in de bergen. Als bergbeklimmer had ze al door, zegt ze, dat haar kracht ligt in de extreem lange inspanning. „Ik was niet de sterkste, maar als de anderen moe werden, kon ik nog verder.” Dat is precies wat ze zo mooi vindt aan ultralopen. „Voorbij de vermoeidheid heb je genoeg aan wat je doet. Je gaat op in het moment, komt in een flow state. Dat is heel ontspannend.”
Ontspannend? Twee, drie etmalen vrijwel non-stop rennen, ook ’s nachts? „Ik kan het iedereen aanraden”, zegt Van der Veen. „Je raakt helemaal los van het gewone bestaan. Het dagelijks leven vind ik soms zwaarder dan een ultraloop.”
Een flow state in optima forma ervoer ze tijdens de Tor des Géants, een ultraloop in Valle d’Aosta die ze vorig jaar won. De 330 kilometer en 24.000 hoogtemeters legde ze af in 79 uur, 34 minuten en 30 seconden – de snelste tijd bij de vrouwen. „Het klinkt misschien raar, maar het leek alsof het vanzelf ging. Ik wist, bijna onbewust, wat ik moest doen en op welk moment: eten, rustig aan doen, versnellen”. Slapen deed ze drie keer een uur, in berghutten en op een ravitailleringspost. „Zeker in de laatste 150 kilometer voelde alles heel licht. Ik weet nog dat ik dacht: ik ben hiervoor gemáákt, mijn benen zijn helemaal niet aan het protesteren.”
Van der Veen studeerde geschiedenis in Amsterdam en Utrecht, haar masterscriptie ging over het beheer van cultureel erfgoed in Rome. Jarenlang werkte ze naast haar bestaan als ultra-atleet als freelance fondsenwerver in de culturele sector. Sinds begin dit jaar kan ze zich, dankzij sponsorcontracten, volledig wijden aan de sport.
Anders dan veel ultra-atleten woont Van der Veen niet permanent in de bergen: haar thuisbasis is Arnhem. De belangrijkste reden daarvoor is haar vriend, die geschiedenis doceert op een middelbare school en niet naar het buitenland wil verhuizen. „Hij zegt: wat moet ik daar doen? Hij wil van nut zijn voor de samenleving, niet een B&B runnen in de Alpen. Dat is het compromis dat ik heb gesloten, al is het soms best een logistieke puzzel.”
Trainen doet Van der Veen op de Veluwe; in de zomermaanden verblijft ze in de Alpen. Het gebrek aan steile hoogtemeters in Nederland compenseert ze met een loopband die ze afstelt op 25 à 40procent. Haar bil- en dijbeenspieren – cruciaal voor ultralopers – traint ze in de sportschool en thuis met oefeningen.
Afgelopen winter volgde Van der Veen een ander trainingsprogramma dan gebruikelijk: ze stapte regelmatig ‘s avonds in de auto naar het Arhrdal in de Duitse Eifel, om daar alleen, in het pikkedonker, door de bossen te lopen. De reden? Haar eerste deelname, in februari dit jaar, aan de Barkley Marathons in de Amerikaanse staat Tennessee.
De Barkley geldt als de meest onbarmhartige ultraloop ter wereld. Binnen zestig uur moeten deelnemers vijf marathons afleggen door onherbergzaam en loeisteil gebied, over een ongemarkeerd parcours, zonder het gebruik van GPS. Bij wijze van stempelpost moeten ze pagina’s scheuren uit langs de route verstopte boeken – en deze bij doorkomst in het basiskamp overhandigen. Er is geen ravitaillering en de tijdslimiet is onverbiddelijk: vaak loopt geen enkele deelnemer de wedstrijd uit.
Van der Veen liep in 2025 de snelste tijd ooit in Haute Route Pyrénées
Zo ook dit jaar. Van der Veen slaagde er zelfs niet in om één van de vijf rondes binnen de tijdslimiet te voltooien, door een navigatiefout. „Mijn eerste grote mislukking”, zo noemt ze haar avontuur in Tennessee. „Tot nu toe kwamen de dingen me toch een beetje aanwaaien: als ik iets wilde en er hard voor werkte, dan kon ik het. Ik hou ervan de controle in handen te hebben. De Barkley was daar héél ver van verwijderd.” Beurs en onder de schrammen keerde ze terug in het basiskamp. „Ik voelde me alsof er een vrachtwagen over me heen was gereden.”
Toch heeft ze het gevoel dat er in Tennessee „een puzzelstukje op z’n plek is gevallen”. Ze leerde hoe het is om volledig aangewezen te zijn op jezelf. „Barkley”, zo schreef ze naderhand in Trailrunning Magazine, „werd daarmee voor mij een belangrijke les in het verschil tussen wat je wilt (…) en wat je soms krijgt.” Ze is „weerbaarder” geworden door de ervaring, zegt ze – dat merkt ze tijdens de training voor de UTMB. „Dat voelt zoveel eenvoudiger – het draait bijna alleen maar om het fysieke.”
Ze heeft zich afgevraagd of het ’t allemaal waard was: voor veel geld (en CO2-afdruk) naar Amerika vliegen, ’s nachts moederziel alleen trainen in een Duits bos („behoorlijk eng, als vrouw alleen”). Maar: „Als ik volgend jaar opnieuw gevraagd word om mee te doen, ga ik.”
Het jaar 2025 was het meest succesvolle uit Van der Veens carrière. Naast de Tor des Géants liep ze ook Haute Route Pyrénées, een pad dat hoog door de Franse en Spaanse Pyreneeën voert, van west naar oost. Ze ging van start op het strand van Hendaye aan de Atlantische Oceaan; tien dagen, elf uur en 38 minuten later bereikte ze Banyuls-sur-Mer aan de Middellandse Zee. Daarmee schreef ze de FTK –Fastest Known Time, een begrip in de ultrawereld – van deze route op haar naam.
Tijdens haar tocht werd Van der Veen ondersteund door een team van zes personen, dat de route verkende, eten en drinken verzorgde en het weer in de gaten hield. Slapen deed ze in een camper. „Al kwam daar soms niets van terecht. Meestal lag ik pas om half twaalf in bed, en dan zat ik nog helemaal vol van de adrenaline. En de wekker stond iedere dag om half vier.”
De recordtijd wist ze te lopen ondanks ziekte halverwege, door het drinken van ongefilterd water. „We hebben daar een dag mee verloren, maar de laatste twee etappes heb ik in één keer doorgetrokken, ook ’s nachts. Bij aankomst was de crew ook helemaal afgedraaid.”
Van der Veens FTK kan gezien worden als bevestiging van een opmerkelijk fenomeen: op extreem lange afstanden lijken vrouwen beter te presteren dan mannen. Met enige regelmaat verbreken vrouwelijke atleten overall ultra-records. Zo was de Britse Jasmin Paris jarenlang de houder van het snelste tijd op de Spine Race (431 kilometer) in Engeland. In mei dit jaar verbrak de Amerikaanse Rachel Entrekin het record in de Cocodona 250 (407 kilometer) in Arizona, VS.
Van der Veen staat „natuurlijk ook te juichen als een vrouw de mannen verslaat”. Maar de stelling dat vrouwen fysiologisch geschikter zouden zijn voor lange afstanden dan mannen, verwerpt ze. „Wetenschappelijk gezien is er nauwelijks iets over bekend.” Dat vrouwen soms snellere tijden lopen, komt volgens Van der Veen omdat het deelnemersveld bij ultra-wedstrijden vaak niet representatief is. „Bij de UTMB, de race met het sterkste en breedste deelnemersveld van allemaal, staat nu al één ding vast: de snelste tijd gaat níet gelopen worden door een vrouw.”
Een ander nadeel van deze „graag vertelde mythe”, zegt Van der Veen, is dat vrouwelijke ultralopers „in hun eigen categorie” minder waardering krijgen. „Ik verzet me ertegen dat je als vrouw de mannen moet verslaan om serieus genomen te worden.” Sterker nog, het zou er toe kunnen leiden dat de categorieën ‘man’ en ‘vrouw’ worden afgeschaft in ultrawedstrijden. „Dat hoorde ik iemand laatst suggereren in een populaire hardlooppodcast. Mannen en vrouwen zijn toch gelijk? Dat klinkt op het eerste gezicht heel progressief en feministisch, maar dat is het juist niet. Het gevolg zou zijn dat er vrijwel nooit meer een vrouw op het podium staat bij een grote wedstrijd.”
Wat wel vaststaat, is dat bij extreem lange afstanden méér komt kijken dan fysiologie alleen. Bij wedstrijden die een etmaal duren, of drie, draait het ook om andere zaken. Hoe ga je om met slaapgebrek? Neem je de juist beslissingen? Hoeveel pijn en vermoeidheid voel je? „Uit eigen ervaring durf ik wel te zeggen dat vrouwen daar het verschil kunnen maken”, zegt Van der Veen. Ze voegt er nog een factor aan toe: pacing, de manier waarop de wedstrijd wordt opgebouwd. „Je ziet dat vrouwen dat vaak slimmer aanpakken dan mannen. Bij de UTMB zie je ieder jaar een paar mannen keihard van start gaan en verderop in de wedstrijd geen enkele rol van betekenis meer spelen.”
Over haar eigen ambities bij de UTMB is Van der Veen terughoudend. Het zou „een stuk sneller” kunnen dan in 2024, toen ze net onder de 28 uur liep – en bij ‘sneller’ gaat het in de ultra-atletiek over uren. Maar een specifieke tijd wil ze niet noemen. „Dan wordt het iets wat ook in mijn eigen hoofd gaat zitten”. Wat ze wel hardop wil zeggen: ze zou graag in de top-10 eindigen.
De weersverwachting bij de Mont Blanc voor deze vrijdag is niet best: kou en regen. „Dat zou in mijn voordeel kunnen werken. Veel uitvallers, en als voormalig alpinist kan ik goed voor mezelf zorgen in slecht weer.”