Home

Het winnende verhaal van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd 2026: ‘Zwaartekracht’ van Emma Honig

Fictie Uit 260 inzendingen koos de jury van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd 2026 dit verhaal van Emma Honig als winnaar. NRC publiceert haar verhaal hier.

Juryrapport Grote Lowlands Schrijfwedstrijd

„Emma Honig toont de lezer in haar zorgvuldige, suggestieve stijl de scherven van wat ooit was. Een verhaal met een mooie, ingehouden spanning”, aldus de vakjury van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd, die dit verhaal uitkoos als winnaar. „De jury wil graag meer lezen over dit gezin.”

Honig was een van de drie genomineerden voor de prijs; de anderen waren Chris Meighan en Justine Van Stichel. Zij werden gekozen uit een longlist van 20, die weer werd vastgesteld na beoordeling van 260 inzendingen. De jury van de wedstrijd bestond dit jaar uit Thomas Heerma van Voss (schrijver), Miriam van Ommeren (SLAA), Esther van Dijk (uitgeverij Nijgh & Van Ditmar) en Thomas de Veen (NRC).

De Grote Lowlands Schrijfwedstrijd werd dit jaar voor de dertiende keer georganiseerd. Onder de eerdere genomineerden en winnaars zijn schrijvers als Leonieke Baerwaldt, Iduna Paalman, Lize Spit en Sarah van Vliet.

Zwaartekracht

Het is in de dagen dat je moeder weg is dat het vallen begint. Ze is een paar dagen naar haar machinefabriek en jullie blijven thuis. Jij, je vader en twee jongere broertjes. De eerste dag dat ze weg is gaat je vader naar de Mediamarkt. Jullie mogen mee. Je vergaapt je aan de gangpaden, gevuld met trage beelden van het zeeleven, met een onderling haast niet waarneembare vertraging, of versnelling. Je vader had er van tevoren een uitgezocht, een grote. Thuis tillen jullie samen de televisie op zijn plek. Op de antieke kast, onder de schilderijen van Maria en Jozef.

Voor de machinefabriek had je moeder een religieuze kunstwinkel in de hoofdstad. De overgebleven kunstvoorwerpen staan bij jullie thuis. Waar nu de televisie staat stonden eerst een tulpenvaas, een schaal met struisvogeleieren, een porseleinen schemerlamp en een verzameling tinnen gebruiksvoorwerpen. Dat alles staat nu in de schuur. Jullie huis staat vol. Er staan twee Biedermeier stoelen in bad die al jaren wachten om opnieuw gestoffeerd te worden. De dagkoersen van het Financieele Dagblad stapelen zich op de verwarming op. Alles heeft een plek. 

Vorige week, toen je moeder er nog was, was je wakker geworden en stond ze gebogen over je prullenbakje. Ze had er een en ander uitgevist dat bij het plastic of papier hoort, en vond twee MAOAM-snoeppapiertjes waarvan je je niet herinnerde ze te hebben gegeten. Je vermoedde dat één van je broertjes hun afval weer bij jou had weggegooid. Uit schaamte durfde je tot ze wegging niets meer tegen haar te zeggen.  

Op de tweede dag dat ze er niet is val je, van de laatste vijf treden van de trap naar beneden. Daarna vallen ook de andere dingen. Je ruimt de tafel af en het favoriete wijnglas van je vader spat voor de vaatwasser uiteen. Je tikt tijdens het stofzuigen tegen één van de poten van de lamp met glazen kap. De drie poten schuiven uiteen en de kap barst in het midden in stukjes. Je grist je fietssleutels uit het zwarte Wedgwoodbakje en het scheert door de woonkamer. Het valt je op hoe alles anders valt. Stuiterend, rinkelend. Het pak yoghurt had zich die ochtend juist flets over de houten vloer verspreid. Maar alles wil naar beneden.

De derde dag klim je na het douchen op een trapje en reik je boven je hoofd naar een van de Delftsblauwe vazen die op de hoge vensterbank staan. Met een zwaai veeg je een vaas naar beneden. Het geeft meer voldoening om het zelf te doen. Je herschikt de andere vazen zodat er geen gat valt. Je verwacht niet dat het lang zal duren voordat ze de toegenomen afstand tussen de resterende vazen zal opmerken.

Gelukkig zijn de scherven groot. Er is geen publieke prullenbak in de straat. Een paar huizen verderop staat in de voortuin een zwarte container. Met een bonzend hart til je de deksel op. Je laat de zak met scherven er op zo’n manier inglijden dat er een andere zak overheen schuift.

De ochtend van de dag dat ze terugkomt is iedereen het huis uit. Je loopt de trap af. In de hal, tegenover de servieskast, blijf je staan. De kast lijkt een beetje over te hellen. Alsof het naar voren getrokken wordt en tegelijkertijd vastplakt aan de vloer. De poten zijn gestut en de kroonlijst strekt zich uit.

Je handen omklemmen de linkerkant van de tot de nok toe gevulde kast. De borden zijn zo hoog opgestapeld dat de onderste helft in onbruik is geraakt, en de bovenste borden niet meer zo gemakkelijk te pakken zijn. Je staart naar de doorzakkende etagères. Platte borden, diepe borden, kommen, ontbijtborden. Soepborden en soepkommen. Schoteltjes, gebaksbordjes mét en zonder opstaande rand. Schalen.

Het hout is koel onder je greep. De vloer trekt aan de kast en je trekt mee. Je trekt harder. De kast begint te vallen. Eerst langzaam, daarna sneller. Je hoort de ruis van de lucht die verplaatst. Dan knalt alles tegen de vloer. Gerinkel van een massa scherven. De gesloten deurtjes smoren het kabaal van het servies dat uiteenspat.

Als het voorbij is ga je op de onderste traptrede zitten en bekijkt de ravage. Je verbaast je over hoe weinig scherven onder het gebarsten hout lijken te liggen, zo veel minder dan toen alles nog overeind stond. ’s Middags, als je vader thuiskomt, zit je daar nog steeds. Zonder iets te zeggen vullen jullie samen vuilniszakken met de scherven. Als alles in zakken zit en bij de containers staat, hijsen jullie de gebroken, lege kast weer op dezelfde plek omhoog.

’s Avonds zitten jullie met z’n vieren op de grote grijze hoekbank, eigenlijk net te diep om comfortabel rechtop te kunnen zitten. De televisie staat aan, helemaal aan de andere kant van de kamer. Als het licht van de koplampen door het smalle raam de woonkamer in draait schijnt het feller dan dat van het scherm. Je broertje probeert rechtop te zitten. Je vader steekt zijn hand uit naar de afstandsbediening die net te ver op het lage tafeltje ligt. Je ziet hoe de felle buitenlamp aanspringt en de auto en haar gezicht doet oplichten. Je wacht. Het geluid van blokhakken eerst dof op de tegels buiten, later schel op de tegels in de hal en in de gang. Maria en Jozef die jullie aankijken vanuit hun schilderijlijsten boven de televisie. Je staat op en loopt naar het grote scherm. Langzaam til je je arm op, in de richting van het knopje aan de achterkant. Je hand omklemt de linkerkant van de televisie. De kunststof is koel onder je greep.

Literatuur

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next