Vincent Cozijn | jurist Soms moet een agent geweld gebruiken in zijn werk. Vincent Cozijn legt in zijn proefschrift het geweldsmonopolie van de overheid langs de wettelijke meetlat.
Vincent Cozijn: „De bulk van de 25.000 geweldsincidenten gaat over relatief lichte zaken als iemand opzij duwen, of een tik met de wapenstok.”
Het kind dat droomt van een heroïsch bestaan als licensed to kill James Bond, naargeestige boeven uitschakelen zonder gedoe achteraf, kan misschien beter geen politieagent worden. Want die moet elk geweldsincident melden, hoe klein ook. Vorig jaar gebruikte de politie in ruim 25.000 gevallen een vorm van geweld, ongeveer 1 procent van de incidenten waarbij de politie ter plaatse kwam.
De meldplicht is een van de onderwerpen in het proefschrift van buitenpromovendus Vincent Cozijn, die in zes jaar ‘eigen tijd’ circa 350 regelingen uitploos in het kader van zijn proefschrift: het geweldsmonopolie van de Staat der Nederlanden. Eind mei promoveerde hij aan de Vrije Universiteit. Voor het interview laat Cozijn, strategisch adviseur gegevensbescherming bij de landelijke politie, weten niet in te willen gaan op concrete geweldsincidenten bij de politie. „Mijn proefschrift gaat over de wettelijke grondslag van geweldsbevoegdheid, niet over de uitvoering ervan. Ik wil ook niet oordelen over zaken van collega’s, die onder moeilijke omstandigheden hun werk moeten doen, terwijl ik niet op de hoogte ben van alle feiten.”
Dat een agent soms geweld moet gebruiken in zijn werk, is onvermijdelijk. Hij of zij is daarbij gebonden aan een wettelijke geweldsinstructie. De agent moet elk geweldsincident melden bij de hulpofficier van justitie, die toetst of de agent daarbij binnen de grenzen van zijn taakuitoefening is gebleven. Zo niet, dan stuurt hij zijn rapport door naar het Openbaar Ministerie (OM), waar de officier van justitie al dan niet besluit tot vervolging.
„De bulk van de 25.000 geweldsincidenten gaat over relatief lichte zaken als iemand opzij duwen, of een tik met de wapenstok. Het moet wel uitvoerbaar blijven. Een hulpofficier kan als geen ander dat geweld inschatten, is gelieerd aan het OM, en staat op afstand van degene die geweld gebruikt. Er zijn in het verdere proces genoeg checks and balances ingebouwd. Een gedupeerde kan ook bij een klachtencommissie van de politie of de Nationale Ombudsman terecht om zich over het geweld te beklagen. Als de officier van justitie besluit tot niet-vervolging van het geweld, dan kan iedere belanghebbende daartegen in beroep bij de rechter, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.”
„De standaarduitrusting is, van licht naar zwaar, wapenstok, pepperspray, stroomstootwapen, vuurwapen. Daarnaast mag de agent ook zijn eigen handen gebruiken om iemand onder controle te krijgen. Er is geen wettelijke escalatieladder die bepaalt in welke volgorde de middelen gebruikt moeten worden. Dat is praktisch ondoenlijk. Dreigen met een taser” – hij doet even een knisperend geluid na – „werkt vaak veel beter dan dat je met gebalde vuisten op iemand afkomt. Bottomline is: hoe krijg ik de situatie geweldloos onder controle? En als het toch moet, met zo min mogelijk geweld.”
„Nee. Dat is sowieso een ultimum remedium. We kennen wel de renegade-regelgeving, in geval van luchtvaartterrorisme. Stel dat een door terroristen gekaapt civiel vliegtuig, de ‘renegade’, bijvoorbeeld afkoerst op het gebouw van de Tweede Kamer om daar neer te storten, denk aan 9-11. Dan kan de minister van Justitie in het uiterste geval aan een militair de opdracht geven het vliegtuig neer te halen, shoot to kill. Daarbij kunnen ook onschuldige passagiers het leven laten.”
„Die ‘sterke arm’ bestaat al sinds de negentiende eeuw, en sloeg oorspronkelijk op het leger, later werd dat de politie. Als iemand met een wettelijke taak iets gedaan moet krijgen van iemand – denk aan een deurwaarder die goederen in beslag moet nemen bij een weigerachtige schuldenaar – dan kan hij de hulp van de sterke arm inroepen. Ik denk dat de wetgever het een mooie, romantische omschrijving vindt. Ook civiele rechters vonnissen nog weleens dat hun beslissing met behulp van de sterke arm ten uitvoer kan worden gelegd, terwijl daarvoor geen expliciete wettelijke mogelijkheid bestaat.”
„Het burgerarrest. Ingevolge artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering mag iedere burger in geval van heterdaad de verdachte aanhouden. Dan heb ik het bijvoorbeeld over de beveiliger die een vernielzuchtige festivalganger aanhoudt, of Vincent Cozijn die in de Albert Heijn een winkeldief in de kraag grijpt. Dat kan soms met wat geweld gepaard gaan. Daarvoor moet de burger mogelijk verantwoording afleggen bij de strafrechter en wordt dan ineens zelf verdachte zonder zich ergens op te kunnen beroepen. Dat kan niet. Ik vind dat er een strafuitsluitingsgrond in de wet moet worden opgenomen zoals we die kennen voor de politieambtenaar die geweld pleegt in de rechtmatige uitvoering van zijn taak.”
„Ik heb voor mijn proefschrift veertien verschillende geweldsinstructies bestudeerd, die bijna allemaal over hetzelfde gaan: de geweldsbevoegdheid van overheidsambtenaren. 90 procent daarvan komt uit de koker van het ministerie van Justitie. Laten we al die instructies samenvoegen in één kaderwet Geweld.
„En nog iets: de geweldsinstructie met betrekking tot gevangenen is door de minister van Justitie vastgesteld. Hij heeft niet alleen de regels vastgesteld, maar is ook zelf geweldbevoegd én oefent controle uit. Wetgever, uitvoerder en rechtspreker ineen. Dat is een juridisch gedrocht, en in strijd met de scheiding der machten. Het is de regering die zo’n geweldsinstructie moet vaststellen.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin