Chocolade De Amerikaanse voedselgigant Cargill heeft een Nederlandse cacaotak, met fabrieken rond Amsterdam. Het bedrijf maakt miljarden winst, maar opereert in een problematische sector: armoede onder cacaoboeren, kinderarbeid. Volgens de directeur is het „enorm complex” om dat te veranderen. „Ik zou je graag meenemen naar Afrika, om die complexiteit te bekijken.”
De cacaofabriek van Cargill in Wormer, aan het water. Gerkens is de merknaam voor de cacaoproducten van Cargill.
Er zijn verschillende manieren om te kijken naar een bedrijf als Cargill. Enerzijds is het een Amerikaanse voedselgigant en het grootste niet-beursgenoteerde bedrijf in de VS. Het is een ‘familiebedrijf’ met ruim honderdvijftigduizend werknemers wereldwijd. Het handelt onder meer in graan, vlees, plantaardige olie en dierenvoeding, maar ook in staal en het verleent financiële diensten. In 2025 rapporteerde het een omzet van ruim 130 miljard euro, met een geschatte winst van 3 miljard euro. Van de eigenaren, de families Cargill en MacMillan, zijn volgens het blad Forbes 21 leden miljardair.
Bijzonder is dat de cacaotak in Nederland is gevestigd. Hier staan het Europese hoofdkantoor en de fabrieken voor cacao. In vestigingen verspreid over het land heeft het 2200 werknemers. Opslag, verwerking en distributie van cacaoproducten gebeurt vanaf plekken in en rond Amsterdam, aan en via de rivier de Zaan. Dagelijks worden er tonnen cacaobonen over het water verscheept.
Deze Cargill-locaties zijn hypermodern, geëlektrificeerd en gerobotiseerd. De fabriek in Wormer, waar de cacaobonen worden verwerkt, is de grootste cacaofabriek van Europa, en met de verwerking van 750 miljoen kilo cacaobonen per jaar is het bedrijf een van de drie grootste cacaofabrikanten ter wereld.
Anderzijds zie je een grote speler in een problematische sector. De Cacao Barometer, een gezaghebbend, onafhankelijk rapport over de situatie in de cacaosector, meldde vorig jaar „een waaier aan problemen in de sector” te zien: „kinderarbeid en overmatig pesticidegebruik”, „armoede onder boeren” en de macht in de cacaoketen die „oneerlijk verdeeld is”, zoals NRC vorig jaar schreef. In dat rapport doet Cargill het slecht op thema’s als kinderarbeid, ontbossing en eerlijke betaling aan boeren. Op die thema’s staat het in de middenmoot of onderste helft van lijstjes met cacaofabrikanten (zoals collega-giganten Barry CalleBaut en OFI). Bij de lijstjes met chocolademerken staan Ferrero en Lindt veelal in de grijze zone, terwijl het Nederlandse Tony Chocolonely relatief goed scoort.
Het rapport meldt dat in Ghana en Ivoorkust, de grootste exporteurs van cacaobonen, veel minder wordt verdiend aan de honger naar chocola in de wereld dan door westerse bedrijven. Ook Cargill haalt de meeste van zijn bonen uit deze landen. De meest in het oog springende misstand is dat er in deze twee landen naar schatting 1,5 miljoen kinderen werken op cacaoplantages. Toch zien de auteurs van het rapport één positief punt als ze drie waarheden over de sector opsommen die tegelijk waar zijn: „Er is veel mis in de cacaosector; de situatie is veel beter dan ze was; er moet nog veel verbeteren.”
Volgens de Barometer is het ook een uitdaging om met cacaobedrijven te communiceren over deze heikele thema’s, maar Cargill bood in juni een opening, middels een perstour. Journalisten werd een „kijkje achter de schermen” geboden bij verschillende schakels in de keten: van de locatie waar cacaobonen aankomen in de haven van Amsterdam tot de verwerking in Wormer en het distributiecentrum aan het Noordzeekanaal. Het bedrijf vond het „een zeldzame mogelijkheid”. NRC nam de uitnodiging aan.
De tour begint bij pakhuizen van Cargill in de Amsterdamse haven, waar vrachtwagens hun lading bonen in een put in de vloer legen. Op een transportband reizen ze naar een pakhuis, dat is ingedeeld als een tapasschaal, maar dan met bassins van tientallen meters hoog en diep, en gevuld met verschillende soorten cacaobonen uit diverse landen. Vanuit het pakhuis gaan de bonen per schip, in ladingen van 1.200 ton, naar de fabrieken verderop aan de rivier. Het is een beproefde werkwijze: aan dezelfde rivier staan ook fabrieken van andere grote cacaoproducenten. Amsterdam is een belangrijke draaischijf in de wereldwijde cacaoproductie.
Nederland, Amsterdam, 12-08-2026.Cargill Cacao, maakt cacao, hier de (opslag?) locatie in Amsterdam.foto: Olivier Middendorp
In de tourbus vertelt Emiel van Dijk, algemeen directeur cacao en chocola bij Cargill Europa en West-Afrika, trots over de Hollandse cacaogeschiedenis. Dat Casparus van Houten in 1828 de hydraulische pers ontwikkelde om cacaoboter uit geroosterde bonen te wringen. Wat overbleef kon tot poeder worden vermalen, met als voordeel dat het minder vet was. Waarna zijn zoon, Coenraad, ontdekte dat je cacao kan alkaliseren (ontzuren), en zo met de smaak kan spelen. Van Dijk: „De hele wereld noemt dit nog steeds de Nederlandse methode.”
In de fabriek aan de rivier in Wormer, kern van de tour, komt cacaopasta als halfproduct aan – de bonen zijn in een andere fabriek in de regio geroosterd en vermalen tot deze pasta. In Wormer drukken moderne hydraulische persen, volgens de ‘Nederlandse methode’ het vet (de boter) eruit, zodat je cacaoboter en cacaopoeder overhoudt. Cargill maakt beide producten in vele variaties en mengsels en levert ze aan bedrijven die er chocola en allerhande chocoladetoepassingen van maken. Zelf produceert Cargill geen repen of brownies. Aan welke merken het levert wil het bedrijf niet delen.
Pallets met cacaobonen op transportbanden.
Cacaobonen in een pakhuis van Cargill.
De gidsen van Cargill vertellen veel over de duurzaamheids- en efficiencystappen die het bedrijf zet. Het distributiecentrum werkt bijvoorbeeld met robotheftrucks, die zelfstandig de stellages kunnen vullen met zakken cacaopoeder. Geen mensen meer nodig, is de opgetogen mededeling. Over het controversiële karakter van cacaofabricage gaat het niet, maar er is wel de (‘zeldzame’) mogelijkheid Cargill-directeur Van Dijk daarover tussendoor vragen te stellen.
Van Dijk: „In Nederland hebben we altijd veel chocoladefabrieken gehad. Dat is historisch zo gegroeid. En daar komt bij dat vijftig procent van de wereldwijde chocoladevraag uit Europa komt. Je zit dicht bij een groot deel van de markt.”
„Onze fabriek in Ghana verwerkt alleen Ghanese bonen en levert drie of vier poeders. Onze fabriek in Ivoorkust verwerkt Ivoriaanse bonen, met een paar poeders. Wij kunnen hier veel meer verschillende bonen verwerken en150 verschillende poeders produceren, omdat wij bonen uit hele de wereld krijgen en die kunnen blenden.”
„Dan zou je de bonen uit andere landen daarnaartoe moeten brengen. Maar het ecosysteem hier verplaats je niet een-twee-drie. In Azië staan ook fabrieken die bevoorraad worden vanuit verschillende landen en de Aziatische markt bedienen.”
„Ja. We hebben er fabrieken, waar onze eigen mensen zitten. Onze leveranciers, de mensen van wie wij bonen kopen, zitten er ook. Als je in de cacao- en chocolade-industrie werkt, ga je regelmatig naar Afrika.”
„Wij proberen zoveel mogelijk een transparante toeleveringsketen op te zetten, waardoor we weten waar we onze cacaobonen vandaan halen. Traceerbaarheid van je product wordt ook steeds meer een vereiste. Wij handelen via coöperaties. Dus er zit nog wel een speler tussen ons en de boer.
„De complexiteit is dat er in Ivoorkust en Ghana naar schatting twee miljoen boeren zijn. Weet jij wat een boer daar is? Nederlanders denken aan Nederlandse boeren, Amerikanen aan boeren met grote sojavelden en dergelijke. Maar deze boeren hebben extreem kleine plantages. Wij proberen die te steunen via coöperaties.”
„Het is gedeeltelijk proberen. In de loop der jaren zijn er honderden miljoenen aan duurzaamheidspremies van jou als klant naar de boeren gegaan. Maar de omstandigheden structureel veranderen is enorm complex.”
„Ik zou je graag meenemen naar Afrika, om die complexiteit te laten zien.”
„Dan is er geen probleem.”
„Nee. Uiteindelijk is het wat de consument wil. Wat onze klanten willen. Er is een bepaalde marktwerking. Als de prijs omhooggaat, gaat de vraag naar beneden. Dat kunnen wij niet beïnvloeden.”
„Dan komen de boeren niet van hun cacaobonen af.”
„Het komt toch neer op vraag en aanbod. Wij proberen een veerkrachtige keten op te bouwen. Waarin de boer een betere plantage runt. Wij ondersteunen boeren ook op andere vlakken: scholen, watervoorziening et cetera. Het is lastig is om de wereldprijs van cacao te beïnvloeden.”
„Nee, dat is te makkelijk om te zeggen. Het is deels een kwestie van vraag en aanbod. Waar het levensonderhoud van een boer ook afhankelijk van is, is de productie. Een boer in Afrika produceert per hectare minder dan de helft van wat een boer in Ecuador produceert. Wat er dus ook kan gebeuren bij een stijgende prijs is dat boeren in Ecuador denken: ik ga meer produceren. Wat ook niet goed is voor die Afrikaanse boer. Ik denk niet dat simpelweg een hogere prijs aan boeren betalen alles oplost.”
„Cargill wil winst maken om verder te groeien als bedrijf. Winst is de zuurstof van een bedrijf.”
„Dat voelt niet goed. Daar zijn we ook mee bezig in het kader van duurzaamheid en verantwoordelijkheid. We hebben die coöperaties. We hebben een systeem dat alert is op kinderarbeid. Dus als we kinderarbeid constateren, doen we daar wat aan. Maar het is een probleem dat nog steeds bestaat. En dat is niet goed.”
„Ik weet niet of er bedrijven zijn die het beter doen.”
„Ik denk dat wij een duidelijk programma hebben gebaseerd op de boer, gebaseerd op families, gebaseerd op duurzaamheid. Wij rollen dat op een structurele manier op grote schaal uit. De zaak in beweging krijgen kost enorm veel tijd, enorm veel geld en enorm veel inspanning. Maar ik denk wel dat de cacao-industrie er enorm aan trekt.”
„Nee, maar goed, dat is ook onderdeel van de complexiteit.”
„De urgentie is er zeker. Ik denk dat nog geen enkel bedrijf erin geslaagd is om een supersignificante stap te maken. Maar dat er wel stappen gemaakt worden. Moeten worden gemaakt ook. Maar die commitments zijn er ook.”
„Het ligt deels aan onze acties, deels aan de communicatie. Anderzijds zijn we nog niet waar we moeten zijn.”
„Nee, ik denk dat ik werk in een industrie die er iets aan probeert te veranderen. Als ik in Afrika ben en ik ben in onze fabriek en bij onze coöperaties, dan heb ik dat gevoel niet.”
Nadat het bedrijf het artikel kreeg voorgelegd, bood het de volgende verklaring: „We tolereren geen kinderarbeid in onze toeleveringsketens en veroordelen deze praktijk. Cargill behoorde tot de eerste bedrijven die uitvoering gaf aan het International Cocoa Initiative’s Child Labor Monitoring and Remediation System, die de beste standaard is voor het herkennen en reageren op kinderarbeid.
Als we voorbeelden van illegale arbeid of kinderarbeid tegenkomen in onze toeleveringsketens die in strijd zijn met het internationaal recht, nemen we meteen maatregelen. We werken actief met partners om de onderliggende oorzaken van kinderarbeid aan te pakken. We hebben bijvoorbeeld een Child Labor Monitoring & Remediation system opgezet en 45 duizend geboorteaktes geregeld in Ghana en Ivoorkust, die kinderen toegang geven tot medische hulp en onderwijs, twee bewezen paden om ze uit kinderarbeid te houden.”