Dagboeken In het slotdeel van zijn dagboekenreeks laat J.J. Voskuil vooral zijn ergernissen over zijn vrouw Lousje zien. Zelf blijft hij verborgen achter een deken van afstandelijkheid.
J.J. Voskuil in zijn werkkamer, 2000.
Verreweg de spannendste mededeling in Het zwijgen, het zevende en laatste deel van J.J. Voskuils dagboeken, is zo goed als achterin het boek te vinden.
J.J. Voskuil: Het zwijgen. Dagboeken 1987-2006. Van Oorschot, 1157 blz. € 39,99
Op 1 februari 1989, hij is dan een kleine twee jaar met de VUT, brengt Voskuil een bezoekje aan het Meertens Instituut, het onderzoeksinstituut waar hij dertig jaar lang aan verbonden was. Hij noemt het Meertens Instituut dan al wel ‘het Bureau’, maar geeft verder nog niet veel aanwijzingen dat hij voornemens is om zijn werkgever en het werk dat hij er verrichtte literair te gaan vereeuwigen in een kolossale romancyclus. Maar op die winterse woensdag noteert hij: „Ik ga het Bureau binnen om uit de kluis een dagboekschrift te halen.” Liefhebbers van Het Bureau weten dan: die voert iets in zijn schild, want het waren immers (onder andere) die dagboekschriften die aan de basis stonden van Het Bureau. Als Voskuil daarna dan ook nog geagiteerd melding maakt van allerlei veranderingen op het instituut weet je dat hij – inwendig weliswaar – de messen slijpt.
De schellen zijn hem definitief van de ogen gevallen: ze koesteren daar helemaal geen warme herinneringen aan hem, ze zijn blij dat hij is opgekrast. „Als ik ooit gedacht heb dat ik aan het hoofd stond van een kleine gideonsbende, dan ben ik er door de ongeïnteresseerde, onverschillige houding van [voormalige collega’s, red.] Koos en Marianne vandaag weer hardhandig aan herinnerd dat dat een fictie was. Ik word niet alleen niet gemist, mijn bezoeken en de herinnering aan vroeger irriteren hen.”
Er waren twee redenen om uit te kijken naar Het zwijgen. De eerste is een nogal bittere: je had het wel gehad met dat dagboek van hem en was blij dat het einde in zicht was. Er stonden heus wat aardige passages in de duizenden pagina’s die zijn uitgeverij de afgelopen vier jaar op de markt bracht, maar je had toch ook al heel gauw de indruk dat het veel verstandiger was geweest om er een selectie uit te publiceren. Waar de behandeling van het monotone leven nou net de kracht is van Het Bureau, daar begon de alledaagsheid van Voskuils dagboek te vervelen. Weer een wandeling, weer een bezoekje, weer een werkdag. Soms werpt Voskuil in de dagboeken de vraag op of hij voor zichzelf schrijft of (ook) voor de lezer. Het neemt hier te veel ruimte in beslag om uit te leggen hoe genuanceerd hij daar tegenaan keek, maar deze lezer is zo vrij om de vraag in zijn plaats te beantwoorden: de ‘echte’ boeken (Bij nader inzien, Het Bureau) schreef Voskuil (ook) voor lezers, maar het dagboek in de eerste en laatste plaats voor zichzelf.
Daaruit volgt ook de tweede vaststelling, namelijk dat de dagboeken vrijwel niks hebben van een spannende making-of, van een geschrift waarin een schrijver uit de doeken doet hoe en waarom hij kwam tot het maken van een fascinerend geschreven kunstwerk als Bij nader inzien of Het Bureau. Dat viel in de eerste zes delen al op en tegen, maar naar het zevende deel keek je dan toch nog wel uit, omdat Voskuil daar een pensionado is, de schrijver die eindelijk klaar was met de verplichte gang naar zijn werk en zich opmaakte voor de wraakexercitie die Het Bureau is.
Maar ook dat valt vies tegen. Hij is wel gefrustreerd, maar daar zit een heel andere oorzaak achter: zijn vrouw Lousje. Het stel ruziede altijd al flink, maar nu Voskuil thuis is komen te zitten (en zich ook nog af en toe met het huishouden gaat bemoeien) is het hek helemaal van de dam. Veel, erg veel pagina’s zijn gevuld met escalerende ruzies, waarbij Voskuil vooral achter de zinnen van Lousje veel uitroeptekens plaatst. Elk wissewasje is aanleiding voor een meningsverschil en je krijgt de indruk dat het een klein wonder is dat Voskuil zijn vrouw niet op zeker moment door het raam heeft gekegeld. Dat is echt niet overdreven om te zeggen: een paar keer schrijft Voskuil dat als hij tijdens die-of-die ruzie niet was weggelopen, hij haar vermoord zou hebben.
En wonder nummer twee: dat dit dagboek alsnog in deze complete vorm, dus zonder censuur in de handel is verschenen. Want nadat Lousje het voor het eerst als typoscript onder ogen kreeg, knipte ze er grote lappen uit, omdat de inhoud haar niet aanstond. Maar daar kreeg ze spijt van, zodat de bezorgers het oorspronkelijke dagboek, dat Voskuil met de hand schreef, over konden tikken en in deze vorm konden presenteren.
Wie hebben we nu leren kennen de afgelopen 5.621 (jaja) pagina’s? Ten eerste is het van belang om te vermelden dat dit dagboek, zoals zoveel dagboeken, alleen maar de indruk van ‘echtheid’ of realiteit kan wekken, van een waarachtig zelfportret. Het is misschien wat verleidelijker om een autobiografisch en omvangrijk werk als dit aan te grijpen voor allerlei psychologische analyses, maar je ontkomt niet aan de gedachte dat Voskuil evengoed zaken, en essentiële ook, niet aan het dagboekpapier toevertrouwde. De notities zijn vaak zo onschuldig en oersaai (boompje hier, eitje daar gegeten) dat hij lijkt te hebben gedagboekt om (a) zijn gedachten en gevoelsleven te ordenen en (b) als geheugensteuntje, om later nog eens te kunnen lezen over boompjes en gegeten eitjes om zijn geheugen te activeren voor het schrijven van spannender of in elk geval geladener passages voor in bijvoorbeeld Het Bureau.
Hij was, en dat volgt hierop, een kuis man. Op het preutse af. Misschien heeft het ermee te maken dat hij al in 1926 werd geboren en hij dus een man van middelbare leeftijd was toen de seksuele revolutie in het Westen losbarstte, maar aan erotiek of zelfs begeerte schenkt hij in het dagboek amper aandacht. Dat is, voor iemand die zichzelf in een dagboek wilde ontbloten, verdacht en voelt als zelfcensuur van een exhibitionist.
Het belangrijkste wapenfeit op dit gebied is de toetreding van een zekere ‘X’ in het dagboek. Het waren de bezorgers die er in het vorige deel melding van maakten dat dit een vrouw was waarmee Voskuil een affaire had, maar die door Voskuil zelf vrijwel niet behandeld wordt. Misschien moet ik de eerdere conclusie over het dagboek nuanceren en zeggen dat Voskuil zijn dagboek weliswaar voor zichzelf schreef – maar dat toch altijd deed met een denkbeeldige lezer op zijn schouder.