Rusland Terwijl Oekraïense drones dieper in Rusland doordringen, lijkt Moskou aan de buitenkant nog steeds een ‘normale’ stad. De Russische fotograaf Oleg Klimov biedt een zeldzame inkijk in het leven buiten de hoofdstad. Wat is er wel en niet van de oorlog te zien?
Muurschildering op de ruïne van een alcohol-distilleerderij in de Oeral. Tekst: “De toekomst is niet meer wat hij was”.
Ik wil het belang van deze reis niet overdrijven. Het was geen heldhaftige Odyssee – ik reed aan het begin van de zomer van Moskou naar de Oeral en terug – en ook geen metafoor voor Rusland. Maar de reis bood wel zicht op de verschillen in het dagelijks leven tussen Moskou en het diepe achterland van de Russische provincie. Ik zag militaire kerkhoven, vervallen fabrieken, ecologische rampgebieden. En gewone Russen die weliswaar ver van het front in Oekraïne wonen, maar zich toch in oorlog weten.
Monument voor het sovjet-communisme in het mijndorpje Ljovicha in de Oeral.
Jongeren in Kopejsk in de provincie Tsjeljabinsk.
Wie louter door een autoruit kijkt, ziet in het centrum van Moskou een zorgvuldig geregisseerde en vrijwel rimpelloze welvaart. Alles lijkt te werken. De straten baden in het neonlicht van reclames. De koffiebars zitten vol zakenmensen in dure kleding. Op de wegen staan files met nieuwe buitenlandse auto’s, zij het dat die vaker Chinees dan Europees zijn – Russische auto’s zijn nog steeds nauwelijks te zien. Moskou oogt als een verzadigde, gesloten wereld, een perfect beeld van normaliteit.
Aan de vooravond van mijn reis had de Oekraïense president Volodymyr Zelensky verklaard: „Als Oekraïne brandt, zal ook jullie Moskou branden.” Dat was in juni zijn uitleg bij de grootste Oekraïense drone-aanval op de Russische hoofdstad in ten minste twee jaar, waarbij onder meer een olieraffinaderij in brand vloog. Op mijn vraag in een café wat er in Moskou is veranderd sinds het begin van Poetins ‘speciale militaire operatie’, antwoordt de barvrouw: „Rusland voert oorlog tegen Oekraïne, maar wat heeft Moskou daar eigenlijk mee te maken?”
Inderdaad: binnen de Tuinring [autoweg rond de binnenstad] lijkt in Moskou niets te zijn veranderd. Maar sommige inwoners zijn daar anders over gaan denken. „Wanneer ik het geluid van een motor hoor dat op een drone lijkt, ren ik in paniek het balkon op om te kijken of er iets richting onze flat vliegt. Sorry, maar ik heb twee kleine kinderen, ik ben doodsbang voor hen”, vertelt een bevriende fotograaf die aan de rand van Moskou woont. „Vijf jaar geleden heb ik dit appartement voor een krankzinnige prijs gekocht. Ik betaal de hypotheek nog steeds af. Ik ben naar Moskou gekomen om als reclamefotograaf te werken, niet om oorlog te voeren met Oekraïense drones.”
Sjoemichinski, een nagenoeg verlaten mijnstadje in de Oeral, al is er nog een winkel.
Als ‘jullie Moskou’ in brand staat, zal dan ook ‘ons Rusland’ branden? Dat was de vraag die ik me stelde voordat ik richting de Oeral vertrok.
Naarmate ik verder van Moskou kom, verdwijnt de etalage van Poetins welvaart. Langs de weg liggen uitgestorven dorpen met scheefgezakte houten huizen. Bij de schaarse bushaltes en in de berm verkopen meest oudere mensen in eenvoudige kleding bosbessen, paddenstoelen of nieuwe aardappelen. Bij benzinestations en langs de weg duiken militaire en patriottische boodschappen op: reclame voor contractdienst in het leger met slogans als ‘Wij laten de onzen niet in de steek’.
Toen ik Moskou verliet, was benzine daar al gerantsoeneerd. Bij sommige pompen van aan de staat gelieerde oliemaatschappijen, zoals Lukoil en Rosneft, kon je tegen de officiële prijs niet meer dan dertig liter kopen, waarvoor je lang in de rij moest staan. Bij kleinere particuliere tankstations waren de prijzen bijna verdubbeld, maar kon je zonder wachttijd tanken. Toen ik dit soort handel ‘zwart kapitalisme’ noemde, had de pompbediende van het tankstation geantwoord: „Nee hoor, dit is de vrije markt.” Omdat ik ook getuige ben geweest van de planeconomie in de Sovjet-Unie, toen zelfs brood vaak nauwelijks verkrijgbaar was, moest ik hem gelijk geven.
Magazijnwerker in Koevandyk, in de provincie Orenburg. De letter Z is in Rusland een symbool voor de oorlog tegen Oekraïne.
„Om Rusland te redden moet Moskou worden afgebrand. Generaal Koetoezov”, luidt de tekst op de achterruit van een Russische Lada die ik tegenkom bij een tankstation ver van Moskou. Koetoezov (1747-1813) was commandant van het tsaristische leger in de Vaderlandse Oorlog tegen de Franse troepen van keizer Napoleon. Verbaasd over deze historische verwijzing spreek ik de bestuurder aan, die net wil wegrijden: „Ik begrijp het niet helemaal: bent u voor Napoleon of voor Koetoezov?” De man slaat zijn portier dicht, draait het zijraampje omlaag en roept, terwijl hij wegrijdt: „Ik ben voor Poetin!”
Koetoezov heeft deze woorden nooit gesproken. Het is een Russische volkswijsheid die later aan de generaal is toegeschreven, nadat hij in 1812 had besloten om Moskou prijs te geven aan de oprukkende Grande Armée. Napoleon weet de brand die toen in Moskou uitbrak aan ‘de barbaarsheid van de Russen’. Maar voor deze automobilist doet historische nauwkeurigheid er niet toe: een oude legende verandert zo moeiteloos in hedendaagse politieke loyaliteit.
Bemesting van een moestuin van een klooster in Oesolje, aan de oever van de Kama-rivier.
Hoe dichter ik de industriële Oeral nader, des te vaker lichten aan de horizon de rokende schoorstenen op van enorme chemische fabrieken en mijnen. Witte rook noemen de bewoners hier de ‘Witte Draak’. Men zegt dat die ongevaarlijk is. De ‘Zwarte Draak’ – zwarte rook – betekent dat er iets is misgegaan in de fabriek en dat er gevaar dreigt voor het milieu. Onderweg zie ik geen zwarte rook, maar ook de witte ziet er bepaald niet veilig uit.
Tot aan de Oeral voert de weg door het vertrouwde Rusland: bossen, rivieren, dorpen en hier en daar een stad. Maar aan de voet van het Oeralgebergte begint een ander landschap: dit is een gebied waar men decennialang zout, kalium, soda, metalen en nog veel meer uit de bodem heeft gehaald.
Zo ligt de stad Berezniki, aan de oever van de Kama-rivier, boven op een holte. Pal onder de stad bevinden zich talloze mijnen van het Verchnekamsk-kalium- en magnesiumzoutbekken. Daarop zijn huizen, wegen, fabrieken en garages gebouwd. De grond onder de woonwijken en industrieterreinen verzakt meer en meer.
In november 2010 gaapte bij het station, dat boven een ondergelopen kaliummijn lag, ineens een enorm gat onder een goederentrein met kunstmest die daar was gerangeerd. De wagons en de locomotief zakten weg. Het treinverkeer werd stilgelegd en later definitief beëindigd.
Julia (55), ingenieur en docent aan een technische hogeschool, wacht bij het station van Berezniki op een familielid dat per bus uit Penza zal aankomen.
„Er rijden geen treinen meer, maar mensen spreken nog altijd bij het station af?”, vraag ik haar.
„Kent u ons land dan niet?”, is haar ironische wedervraag. „U hebt toch ook onderwijs genoten in de Sovjet-Unie? Die bestaat weliswaar al lang niet meer, maar in het leven van de mensen is nauwelijks iets veranderd. Straks zakt onze hele stad door de grond, terwijl de televisie het nog steeds heeft over stabiliteit en een ‘hof van Eden’. Wie gelooft dat nog?”
„Maar de verzakkingen zijn toch afgezet met prikkeldraad en waarschuwingsborden: ‘Verboden toegang. Levensgevaarlijk’”, werp ik tegen.
„Toen onze trein in de grond verdween, wilde de overheid van alles doen voor de veiligheid. Uiteindelijk hebben ze niets gedaan, behalve bordjes neerzetten en het station sluiten. Zelfs minister Sjojgoe kwam hier langs. Tijdens een vergadering zou hij hebben gezegd: ‘Drie dagen nationale rouw zijn goedkoper dan een hele stad herhuisvesten’.”
Sergej Sjojgoe, minister van Rampenbestrijding en later van Defensie, bezocht Berezniki in 2007, na een eerdere bodemverzakking. Niemand kan bevestigen dat hij deze woorden werkelijk heeft gezegd. Toch gaat de uitspraak in Berezniki rond als een lokale legende – omdat het citaat, waar of niet, precies weergeeft hoe mensen zich voelen die wonen op een holle ondergrond. Het doet mij denken aan een andere volkswijsheid die van generatie op generatie wordt doorgegeven: ‘Om Rusland te redden moet Moskou worden afgebrand.’
De ‘Witte Zee’, een afvalbassin van de sodafabriek van Berezniki in de Oeral.
Het merkwaardigste herkenningspunt van de Oeral is de zogeheten ‘Witte Zee’. Bij helder weer oogt het mooi: een witte leegte tegen een strakke horizon. Maar die schoonheid is bedrieglijk. Dit is namelijk geen zee, maar het bezinkbassin van de sodafabriek van Berezniki: een witte vlakte met afval van ongeveer 203 hectare – bijna 270 voetbalvelden.
Bij het afscheid stel ik Julia in Berezniki nog één vraag. „Bereiken Oekraïense raketten of drones jullie hier?” „Ze vliegen wel over, maar niet boven ons. Als er een raket op onze ‘Azotka’ [de Uralchem-fabriek die kunstmest en ammoniak produceert] terechtkomt, zijn we allemaal op slag dood.”
In Berezniki ziet een milieuramp er niet uit als een plotselinge explosie van een drone of een raket. De ramp is onderdeel van het dagelijks leven. Mensen wonen te midden van verzakkingen, pijpleidingen, slibbekkens en chemische stank, in het voortdurende besef dat achter de witte horizon geen sneeuw of zout ligt, maar opgehoopt gif.
Het dorp Koesjva in de Oeral werd op 22 juni getroffen door een tornado met windsnelheden tot 250 kilometer per uur.
Maar de schokkendste plek van mijn reis dient zich pas later aan: in het plaatsje Koesjva in het district Sverdlovsk. Een dag eerder is een verwoestende tornado door de stad geraasd. Op straat liggen omgevallen bomen, afgerukte elektriciteitskabels, planken, leisteen, persoonlijke bezittingen. Sommige erven zien eruit alsof ze door een oorlog zijn getroffen – of, zoals men tegenwoordig in Rusland zegt, door een ‘speciale militaire operatie’ – auto’s met verbrijzelde ruiten, omvergeblazen schuttingen, huizen waarvan alleen de muren nog overeind staan.
De tornado is in een smalle maar verwoestende strook door de Eerste Meistraat getrokken. Volgens ooggetuigen duurde het niet langer dan tien minuten. Bewoners vertellen over een oorverdovend geraas van hagel en over het moment dat de hemel in een draaiende trechter veranderde.
„Ik probeerde de voordeur dicht te houden, maar dat lukte niet. De wind rukte haar uit mijn handen”, vertelt Ljoedmila uit de Eerste Meistraat, wier huis zijn dak verloor. „Een deel ervan vonden we later terug, ver van het huis, bij de rivier.”
De volgende dag komt ook nog eens het water. De rivier is verstopt geraakt door omgevallen bomen en bouwpuin en zet erven en kelders onder water. De autoriteiten kondigen snel financiële steun aan: 15.000 roebel (ongeveer 172 euro) als eerste noodhulp; 75.000 roebel (ongeveer 860 euro) bij gedeeltelijk verlies van essentiële bezittingen; 150.000 roebel (ongeveer 1.720 euro) bij verlies van alles.
De bewoners vertellen iets anders. „Ze beloofden 75.000, maar gaven 15.000.” „Wat stelt 15.000 roebel nu voor?”, zegt Ljoedmila. „Mijn huis heeft geen dak meer. Al mijn spullen zijn doorweekt. Er is geen elektriciteit, geen gas, en niemand weet wanneer dat terugkomt. Weet u wat een nieuw dak kost? Een half miljoen roebel. Dat zeggen de aannemers. Ik leef van mijn pensioen en heb geen spaargeld.”
Graven in NizjniTagil van gesneuvelde militairen uit de oorlog tegen Oekraïne.
Kort voor aankomst in Nizjni Tagil (ook in het district Sverdlovsk) lees ik een verontrustend nieuwsbericht. De plaatselijke tak van veiligheidsdienst FSB heeft een jonge vrouw aangehouden die op een begraafplaats de graven van gesneuvelde militairen uit de oorlog in Oekraïne had gefotografeerd. Volgens de FSB kan dat worden gezien als het verzamelen en doorgeven van informatie aan buitenlandse opdrachtgevers. En dat kan worden vervolgd als hoogverraad, een misdrijf waarop een levenslange gevangenisstraf kan staan.
De FSB motiveert het verbod op het fotograferen van oorlogsgraven door te stellen dat de nabestaanden moeten worden beschermd, en fraude moet worden voorkomen. Maar in Rusland, waar de militaire verliezen geheim worden gehouden, is de begraafplaats naast een plaats van rouw ook een archief van de oorlog geworden. De graven, sterfdata, militaire vlaggen en identieke kransen vertellen wat de officiële statistieken ongezegd laten.
De terugreis naar Moskou, naar de etalage van Poetins welvaart, blijkt moeilijker dan het vertrek twee weken eerder. De benzinecrisis heeft zich verdiept, na de Oeral staan kilometerslange files voor tankstations. Brandstof blijkt een kwestie te zijn geworden van wachten en wachten of woekerprijzen betalen. Naarmate ik Moskou dichter nader, verkopen private pompstations zelfs die dure benzine niet langer. Dat is verboden op straffe van hoge boetes en zelfs sluiting van hun bedrijf. Officieel kan men alleen nog tanken bij netwerken die met de staat zijn verbonden: Gazprom, Lukoil en Rosneft. Voor ambtenaren en staatsbedrijven gelden aparte regels. Zij mogen tanken zonder wachtrij en zonder de gebruikelijke beperkingen. Dat leidt regelmatig tot ruzies, vooral als ambtenaren met hun privé-auto aan komen rijden en voorrang proberen te krijgen.
Pas vlak voor Moskou duiken weer de tekenen van normaliteit op: een onafgebroken stroom auto’s, verlichte winkelcentra, nieuwe wooncomplexen en reclameborden die comfort, hypotheken, maaltijdbezorging en een gelukkig stadsleven beloven.
Kosmonaut Joeri Gagarin siert de muur van machinefabriek Hamer & Geweer in Vjatskije Poljanije.
Maar na de Oeral overtuigt dat beeld mij niet meer. Het is me duidelijk geworden waarop die normaliteit berust en wat er buiten de stadsgrenzen van over is.
Na twee weken onderweg is ‘Rusland’ geen abstract begrip meer. Rusland is concreet geworden. Een rij wachtenden voor benzine. Een station waar geen treinen meer aankomen. Een huis zonder dak. Een grondverzakking achter prikkeldraad. Reclame langs de snelweg die mensen oproept een contract bij het leger te tekenen. Een vrouw die zegt: „Als een raket onze fabriek raakt, zijn we allemaal verloren.”
Moskou ontkent deze werkelijkheid niet maar is in staat haar te verbergen. In het centrum van de hoofdstad kun je nog altijd zeggen: „Als Rusland oorlog voert tegen Oekraïne, wat heeft Moskou daar dan mee te maken?”
Maar een oorlog bereikt een stad niet noodzakelijkerwijs pas met explosies of overlijdensberichten. Soms komt een oorlog binnen via benzineschaarste, woekerprijzen, fabrieken, via de angst om naar de hemel te kijken, de vermoeidheid van mensen die ver van het front wonen maar er toch steeds dieper in verstrikt raken.
Na de Oeral lijkt Moskou geen afzonderlijke staat meer binnen Rusland, maar een façade van een en hetzelfde systeem. Een glanzende, kostbare en goed verlichte façade, die mijnen, verzakkingen, fabrieken, leeglopende dorpen, ingestorte daken en mensen die nog altijd op hulp wachten, aan het oog onttrekt.
Deze tekst werd uit het Russisch vertaald door mede-oprichter van platform Raam op Rusland en NRC-columnist Hubert Smeets.
Het dorp Parijs in de provincie Tsjeljabinsk in de Oeral. In de negentiende eeuw werden plaatsen in deze regio vernoemd naar Russische overwinningen uit het verleden.