Home

Schrijver Isaak Babel wilde iedereen begrijpen, zelfs de moordenaars van zijn volk

Russische literatuur De legendarische verhalenbundel De Rode ruiterij van de Russisch-Joodse Isaak Babel is honderd jaar na zijn verschijning nog altijd razend actueel. Vooral waar het over de chaos en absurditeit van een oorlog gaat.

Cavalerie van het Rode Leger in 1920.

Op 15 mei 1939 werd Isaak Babel, op valse beschuldigingen van spionage en terrorisme, opgepakt door de geheime politie. Het verslag van zijn verhoor lijkt rechtsreeks uit Kafka te komen. Ondervrager: „U bent gearresteerd vanwege perfide anti-Sovjet activiteiten. Geeft u toe dat u schuldig bent?” Babel: „Nee, dat doe ik niet.” Ondervrager: „Hoe brengt u uw verklaring van onschuld in overeenstemming met het feit van uw arrestatie?”

Isaak Babel: De Rode ruiterij. (Konarmija) Vert. Froukje Slofstra. Van Oorschot, 144 blz. €13,50

Naast de schrijver zelf werd ook al zijn ongepubliceerde werk meegenomen: 15 mappen met manuscripten, 11 opschrijfboekjes, 7 kladblokken vol aantekeningen. „Ze hebben het me niet laten voltooien”, zei Babel bij zijn arrestatie tegen zijn vrouw. Dat niet alleen: het lijkt erop dat al Babels papieren na zijn executie, in de vroege ochtend van 27 januari 1940, zijn vernietigd. In elk geval zijn ze nooit meer opgedoken en het is niet zeker waaruit deze manuscripten bestonden – dankzij Babels brieven weten we dat hij aan ten minste twee romans werkte, maar hij publiceerde niks meer omdat hij niet kon voldoen aan de steeds strengere eisen die Stalin aan schrijvers stelde. Babel had, legde hij uit in een provocerende lezing, „het genre van de literaire stilte” omarmd; hij schreef uitsluitend nog ‘voor de bureaulade,’ zoals ze dat in de Sovjet-Unie zeiden.

Na zijn dood werd Babels werk in de ban gedaan, zijn naam werd uit encyclopedieën en literaire overzichtswerken verwijderd en het was alsof hij nooit had bestaan. Pas in de jaren vijftig, tijdens de dooiperiode onder Chroesjtsjov, werd zijn reputatie voorzichtig in ere hersteld.

Dit jaar is het precies een eeuw geleden sinds de publicatie van De Rode ruiterij, Babels meesterlijke verhalencyclus over de desastreuze Pools-Russische oorlog van 1919-1920. De gevechten vonden grotendeels plaats in wat nu het westen van Oekraïne is en het is unheimlich, bij herlezing, hoezeer de bundel onze tijd spiegelt. Babels verhalen zijn schitterend en tijdloos; de huidige oorlog in Oekraïne maakt ze op een tragische manier weer actueel.

De Rode ruiterij is Babels tweede (tevens laatste) en bekendste werk – het boek dat hem in één klap wereldberoemd maakte. Waarschijnlijk verscheen het in mei – er bestaat een eerste editie waar Babel ‘Moskva 24/V 26’ in heeft geschreven dus we weten dat het boek op dat moment bestond – maar bij een schrijver van wie zo grondig alle sporen zijn uitgewist, is veel niet meer te achterhalen.

Misschien is dat de reden dat Babel in Nederland minder bekend is dan collega’s als Tolstoj en Tsjechov. Of misschien komt het doordat je voor Babel wat harder moet werken. In Anna Karenina neemt vadertje Tolstoj je stevig bij de hand en legt je uit hoe de wereld in elkaar steekt, je kan lui achteroverleunen en genieten van al het moois dat de roman te bieden heeft. Babel, de eerste Russische modernist, werpt je zonder enige uitleg in zijn scènes, zonder inleiding, zonder achtergrond; elk nieuw verhaal begint met een moment van desoriëntatie. Waar zijn we? Wie spreekt er? Wat gebeurt er? De Rode ruiterij lezen is van uiterste naar uiterste geslingerd worden. Het ene moment zie je hoe de zon door „het purperrode stof rolt” terwijl een groepje verpleegsters zachtjes zingend in het gras ligt, op de volgende pagina ben je bij een soldaat met een opengereten buik: „zijn darmen kropen over zijn knieën en je zag zijn hart kloppen”.

Onuitsprekelijke wreedheid

„De muziek van de stijl”, schreef Borges over De Rode ruiterij, „staat in contrast met de haast onuitsprekelijke wreedheid van bepaalde scènes.” Of, zoals de formalistische literatuurcriticus Viktor Sjklovski het verwoordde: „Babels procedé bestaat eruit dat hij op dezelfde toon spreekt over de sterren als over een druiper.” Dit was een compliment; Sjklovski was, net als Borges, een groot bewonderaar van Babel.

In De Rode ruiterij volgen we Ljoetov, net als Babel zelf een jonge, Joodse intellectueel uit Odessa, die werkt als correspondent voor de Rode Cavalerist, een propagandakrant die de soldaten gemotiveerd moet houden in de hopeloze strijd van de Sovjets tegen de Polen. Ljoetov is ingedeeld in het cavalerieleger van de beruchte Kozakkencommandant Semjon Boedjonnyj. Hier past hij als rustige, vredelievende, wat melancholische schrijver – een man met op zijn neus een bril en in zijn ziel de herfst, zoals een andere op Babel lijkende verteller wordt beschreven in de bundel Verhalen van Odessa – absoluut niet tussen.

Ik schrijf dit nu op alsof het allemaal helder is, maar je moet scherp lezen om erachter te komen wie de verteller nu precies is. In het hele boek wordt hij slechts twee keer bij naam genoemd; dat hij Joods is maak je op uit de manier waarop hij, overal waar het leger hem brengt, de Joodse gemeenschap opzoekt. Hij dwaalt over Joodse begraafplaatsen, bewondert eeuwenoude synagogen en voelt zich onweerstaanbaar aangetrokken tot andere Joden. „Op de avonden voor de sjabbat bekruipt mij het dichte verdriet van de herinnering”, mijmert de verteller. „O, vergane Talmoeds van mijn jeugd! O, dicht verdriet van de herinnering!”

Pacifistische Odysseus

Babel baseerde De Rode ruiterij op het dagboek dat hij bijhield toen hij, net als zijn hoofdpersoon, diende onder Boedjonnyj. Hij was vrijwillig in dienst gegaan – onder de tsaren werden Joden uit het leger geweerd, maar de bolsjewieken gaven Joden meer vrijheid. Dit was ook de reden dat Babel aanvankelijk vurig in de revolutie geloofde: eindelijk zou het afgelopen zijn met het geweld tegen Joden, met de verstikkende beperkingen waaronder ze al eeuwen leefden in het Russische rijk, met de pogroms waarbij Joden ongestraft gefolterd, verkracht, vermoord werden. Zijn familie dacht dat hij suïcidaal was toen hij zich aanmeldde. Juist de Kozakken – de Hell’s Angels van Rusland – stonden bekend om hun brute agressie tegen Joden, maar Babel werd gedreven door een onstilbare honger naar kennis; hij wilde iedereen begrijpen, óók de Kozakken. Hij was als een pacifistische Odysseus, die rondzwierf, zag hoe de mensen woonden en hun gedachten leerde kennen.

Dit blijkt ook uit zijn dagboek, waarin hij zichzelf voortdurend aanspoort om het leven te onderzoeken: „Beschrijf Grisjoek.” „Wat voor soort mens is onze Kozak? Veelgelaagd: plunderend, roekeloos, professioneel, revolutionaire ziel, beestachtige wreedheid.” „Beschrijf Matjazj, Misja. De boeren, ik wil hun ziel doorgronden.” „Beschrijf de overweldigende behoefte om te slapen.”

Over Babel wordt verteld dat hij het leger in ging omdat zijn mentor Maxim Gorki hem adviseerde onder de mensen te gaan, maar in zijn autobiografische verhaal ‘Kinderjaren. Bij grootmoeder’ (1915) lezen we al over Babels ferme omaatje: „Je moet studeren”, draagt ze haar kleinzoon op. „Je moet alles weten.” Alles – de vrede en de oorlog, het leven en de dood, de liefde en het geweld. In De Rode ruiterij beschrijft Babel niet alleen wat er voorvalt in de oorlog, hij probeert van elk incident de essentie te tonen.

Misschien was het om zijn familie gerust te stellen dat hij onder Boedjonnyj besloot zijn joodsheid te verbergen. Hij nam dezelfde christelijke naam aan die hij later aan zijn personage zou geven: Kiril Vasiljevitsj Ljoetov. Ljoetov komt van het Russische woord voor wreed, woest. Voor wie dit weet is de naam een constante bron van subtiele, ironische humor want als er iets duidelijk wordt in De Rode ruiterij is het dat Ljoetov allesbehalve wreed en woest is. In ‘Mijn eerste gans’ doodt hij een gans om indruk te maken op de Kozakken, in de hoop dat ze hem zullen accepteren als een van hen. Dat lukt. Waar ze hem eerst belachelijk maken, vanwege zijn bril en zijn koffer vol manuscripten, vinden ze hem post-Gans een „geschikte kerel”. Maar aan het eind van het verhaal is Ljoetov haast ziek van wroeging: „mijn hart, besmeurd met moord, knarste en bloedde.” Hij doet zijn eigen ziel geweld aan om de zielen van anderen te kunnen doorgronden.

De spanning tussen Ljoetovs afkeer van de haast achteloze bloeddorst van de Kozakken, en zijn fascinatie voor hun moed, hun kameraadschap is een terugkerend element in de bundel. In ‘Na de slag’, bijvoorbeeld. Hier blijkt na afloop van de zoveelste bloederige strijd dat Ljoetov zich in het gevecht had gemengd met een ongeladen revolver. „Jij ging in de aanval en je had niet eens patronen”, schreeuwt een ziedende Kozak. „De Pool schoot op jou, maar jij niet op hem… waar sloeg dat op?” Ljoetov, de wrede, loopt – uitgejouwd, doodmoe – weg van het slagveld, terwijl hij „het simpelste vermogen afsmeekte bij het lot: het vermogen een mens te doden.”

‘Sovjet Hemingway’

Babel wordt wel de ‘Sovjet Hemingway’ genoemd. Hemingway was onder de indruk van Babel, jaloers zelfs: „Babel’s style is even more concise than mine”, zei hij nadat hij De Rode ruiterij had gelezen. De vergelijking ligt voor de hand: beide schrijvers stortten zich in een oorlog om erover te kunnen schrijven en beiden hadden – inderdaad – een extreem beknopte stijl („een kort verhaal moet de precisie van een legerorder of een bankcheque hebben”, zei Babel).

Maar daar houden de overeenkomsten op. Waar Hemingway de wereld tegemoet trad met brede borstkast, kloeke baard, een geweer in de ene hand, een vishengel in de andere en een mes in zijn broekzak, omarmde Babel zijn status als frêle, bebrilde intellectueel, als „moederskindje”, als „minkukel”. Bij Babel geen zakmessen of vishengels, maar een zachte, weemoedige zelfspot die al zijn werk kleurt. Het geeft zijn verhalen een gelaagdheid, een droge humor die het werk van Hemingway mist.

De Rode ruiterij is, ondanks de grote zelfbeheersing van Babels stijl, flamboyant, vol van een wervelende beeldenrijkheid, een woeste, wrede, bonte energie die je bij geen enkele andere schrijver aantreft. Babel laat zijn fantasie alle kanten op galopperen, als een Kozak op een wilde hengst. Het resultaat is een lyrische, haast groteske verzameling vergelijkingen en metaforen die in hun chaotische vreemdheid niet onder doen voor de chaos, de absurditeit van de oorlog. „Een oranje zon rolt langs de hemel als een afgeslagen hoofd.” „Zijn lange benen leken op meisjes, tot hun schouders in glimmende rijlaarzen geklonken.” „De maan hing boven het erf als een goedkope oorbel.”

In de loop van de verhalen raakt Ljoetov gedesillusioneerd met de revolutie en deze ontwikkeling geeft de cyclus een bijna romaneske structuur. Dit is Ljoetovs Bildung: het inzicht dat geen enkele missie het soort weerzinwekkende bloedvergieten rechtvaardigt als hij in Oekraïne aanschouwt. Joodse gezinnen worden geplunderd en vermoord door het zich terugtrekkende Poolse leger; vervolgens worden ze geplunderd en vermoord door de oprukkende Kozakken. „De Pool, mijn beste pan, schoot omdat hij de contrarevolutie was. Jullie schieten omdat jullie de revolutie zijn”, zegt de wijze, oude Jood Gedali. „Wie vertelt Gedali dan waar de revolutie is en waar de contrarevolutie?” Dit onderscheid wordt ook voor Ljoetov steeds minder duidelijk. Waar hij zichzelf aanvankelijk nog wijs kan maken dat hij vecht voor een goede zaak, kan hij het slachten, martelen, verkrachten, roven en brandstichten door de genadeloze, syfilitische Kozakken steeds slechter verdragen: „De kroniek van de dagelijkse misdaden benauwt me aanhoudend, als een hartkwaal.”

„De haat is hetzelfde”, noteert Babel in zijn dagboek. „de Kozakken zijn hetzelfde, de wreedheid is hetzelfde, het is onzin om te denken dat het ene leger beter is dan het andere.” De Rode ruiterij ademt dezelfde conclusie: alle legers zijn hetzelfde, goede oorlogen bestaan niet.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next