Home

Eerbetoon aan Jacques Demy, eigenzinnig regisseur van films vol amoureus fatalisme in kleurrijke poppenhuizen

Jacques Demy De 4K-restauratie van Jacques Demy’s musical ‘Les parapluies de Cherbourg’ wordt in het hele land gevierd met retrospectieven over dit buitenbeentje van de Nouvelle Vague.

Catherine Deneuve en Nino Castelnuovo in ‘Les parapluies de Cherbourg’.

Jacques Demy’s (1931-1990) ‘claim to fame’ is en blijft Les parapluies de Cherbourg uit 1964, goed voor de Gouden Palm van Cannes en vijf Oscarnominaties. Een ontroerende ‘sung-through’-musical – of ‘cinéma chanté’ – over alledaags liefdesleed van gewone mensen in een prachtig geïntroduceerde melange van straattaferelen en diep verzadigde snoepjeskleuren. Componist Michel Legrand brak met zijn jazzy score door in Hollywood, dat hem nadien drie Oscars en dertien nominaties zou gunnen. Catherine Deneuve werd een wereldster. 

In Les parapluies raakt de verliefde middenklasse-tiener Geneviève (Deneuve) zwanger van automonteur Guy, maar kiest tijdens diens dienstplicht in Algerije voor veiligheid in de vorm van de diamanthandelaar Roland – haar moeder, een parapluverkoopster, kampt met schulden. De melancholieke berusting over het lot, gemiste kansen en de relativiteit van de liefde inspireerde in 2016 de musical La La Land.

De 4K-restauratie van Les parapluies is komende weken aanleiding voor talloze vertoningen en retrospectieven van Jacques Demy’s vroege oeuvre. Daarbij komt ook Les demoiselles de Rochefort (1967) uit de mottenballen – een zomerse, emotioneel minder beladen musical met Gene Kelly – en sprookjesfilm Peau d’âne (1970), Demy’s grootste hit in Frankrijk, maar ook een doodlopende weg. Zijn twee vroege Nouvelle Vague-films in zwart-wit beklijven beter: La baie des anges (1963), met een platinablonde, prachtig verlepte Jeanne Moreau als gokverslaafde casinoschuimer, en Demy’s speelfilmdebuut Lola (1961).

Relatie met Agnès Varda

Demy was een groot stilist. Zijn films balanceren op het snijpunt van sociaal realisme en theatrale magie, zijn poppenhuis-esthetiek kun je misschien herleiden tot zijn jeugd: vanaf zijn 14de knutselde Demy op de zolder boven zijn vaders garage aan stop-motionanimaties met uit karton geknipte zakkenrollers en ballerina’s. Toen die in de smaak vielen, gunde zijn vader hem een studie aan de filmschool in Parijs. Daar verdiende hij de kost met reclame-animatie toen hij in 1958 een relatie kreeg met filmmaker Agnès Varda, die hem introduceerde bij de politieke, experimentele ‘rive gauche’-groep van de Franse filmbeweging Nouvelle Vague. Hij bleef daar altijd een beetje een buitenbeentje.

Zo lijkt Lola (1961) een echte Nouvelle Vague-film: zwart-wit, deels op straat gefilmd, met een ‘rebel without a cause’, gedoemde liefde en een misdaadmotief. Maar Demy wilde Lola in kleur filmen met filmsterren en studiodecors – het budget stond dat alleen niet toe. Het is eigenlijk een ouderwetse liefdescarrousel: de een wil de ander, maar de ander wil de ene niet. 

In Lola overweegt de stuurloze Roland Cassard in de diamantsmokkel te gaan, maar valt na een toevallige ontmoeting opnieuw voor zijn jeugdliefde, nu een ongehuwde moeder die als animeermeisje Lola met matrozen danst – geen vroege Demy-film zonder matrozen. Ze heeft haar hart verpand aan Michel, die haar verliet om fortuin te maken in Amerika.

Ook Lola berust droef in liefde die had kunnen zijn. Opvallend: personage Roland Cassard duikt drie jaar later op als rijke diamanthandelaar in Demy’s Les parapluies de Cherbourg en zingt daar over zijn eerdere liefdesverdriet, Lola duikt op haar beurt in 1969 ontgoocheld op in Demy’s Hollywoodfilm Model Shop.

Demy’s jeugdherinneringen

Demy schiep zijn eigen filmwereld, veelal gebaseerd op zijn jeugdherinneringen, benadrukt Jacquot de Nantes (1990), de biografische film die Agnès Varda vlak voor Demy’s dood maakte. Zijn types – de ongehuwde moeder, de petit bourgeois-weduwe, de oude caféhoudster, de kapster, de automonteur, de flamboyante gokverslaafde – zijn familieleden en buren uit zijn geboortestad Nantes, waar Demy een gelukkige jeugd had als zoon van een milde garagehouder en een vrolijke kapster. Zijn vroege, prijswinnende ode aan een verdwijnende levensstijl, Le sabotier du Val de Loire (1953), gaat over de klompenmaker waar hij tijdens de oorlog vaak logeerde. Ook in dat opzicht waren zijn films poppenhuizen – Demy’s oeuvre is veel persoonlijker dan het lijkt.

In 1967 verhuisden Demy en Varda twee jaar naar Los Angeles, de onbekende Harrison Ford was daar nog hun klusjesman. Hollywood hoopte dat Demy de zieltogende musical nieuw leven zou inblazen, maar hij verbruide het met het atypisch sombere Model Shop (1969), waar Donovan de blues zingt van de verwelkende hippie-idealen. De film wordt tegenwoordig als tijdsbeeld hoog aangeslagen, maar Demy’s ster verbleekte.

Zijn hang naar amoureus fatalisme hing wellicht samen met zijn biseksualiteit. Eind jaren zeventig verliet hij Varda en koos voor een gay levensstijl, om eind jaren tachtig met hiv/aids weer bij haar in te trekken – tot een scheiding was het nooit gekomen. Tot 2008 hield Varda de fictie in stand dat Jacques Demy was overleden aan een hersentumor, al zijn de vlekken van het Kaposi-sarcoom duidelijk zichtbaar als hij in beeld is in Jacquot de Nantes.

Film

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next