Serie | Kleine musea Nederland telt veel kleine, onbekende musea. NRC portretteert er deze zomer zes. Deel 2: Museum Psychiatrie in Venray. ‘Een enkeltje Venray’ betekende in heel Nederland in de vorige eeuw dat iemand naar de psychiatrische inrichting werd gestuurd.
Het Museum Psychiatrie in Venray is gevestigd in een voormalig klooster.
Een berg koffers staat bij entree van Museum Psychiatrie in het Limburgse Venray. Ze zijn afkomstig van mensen uit het hele land die ‘Een enkeltje Venray’ kregen. Dat is de verzachtende benaming voor opname van een patiënt in wat officieel heette Geneeskundige Inrichting voor Mannelijke Krankzinnigen en Zenuwlijders, gevestigd in het voormalige klooster met kapel Sint Servatius. Aan een koffer hangt het label met de naam van een van de eerste patiënten, geboren in ’s-Gravenhage op 8 april 1880. In 1907 arriveerde hij in het pas geopende kloostergesticht, zonder er ooit uit te komen. Nu is hier een museum gevestigd, dat alleen met een gids te bezoeken is. Bijna alle tentoongestelde voorwerpen komen uit de instelling zelf en zijn er vanaf 1977 bijeengebracht.
Koffers van cliënten van de psychiatrische kliniek die vroeger zat waar nu het museum is.
Naam: Museum Psychiatrie, Stationsweg 46, Venray. Info www.museumpsychiatrie.nl
Verzameling: objecten en documenten uit de psychiatrische zorg in Venray. Tevens archief Outsider Art, waarvan volgend jaar een expositie komt als de zorginstelling 120 jaar bestaat en het museum 50 jaar.
Geliefd object: Het paard van de oude draaimolen en het register waar de eerste patiënten in 1907 met de hand zijn ingeschreven.
Vloeroppervlakte: tentoonstellingsruimte 250 m2 en archief 300 m2.
Aantal bezoekers per jaar: 2.500.
Aantal medewerkers: één betaalde kracht van ca. 8 uur per maand en 30 vrijwilligers. Het museum valt onder VIGO/Vincent van Gogh Dienstverlening.
Subsidie: exploitatie en vergoedingen vallen onder de communicatiebegroting Vincent van Gogh. Gevraagd wegens diverse renovaties € 75.000,- waarvan eigen inbreng € 10.000,- (Bron: Bidbook Museum)
In de rondgang van de Servatius-kapel volgt de museumbezoeker de lotgevallen en de behandelmethoden van psychiatrisch patiënten door de eeuwen heen: van de oudheid, Griekse tijd en middeleeuwen tot op heden en zelfs met een blik in de toekomst. Een schedel met een rond gat erin laat zien: hier werd gekte eenvoudigweg uit de hersenen geboord.
Meteen in het openingsjaar jaar ontving het gesticht, beheerd door de katholieke kloosterorde Broeders van Liefde, 120 patiënten. Het aantal breidde zich snel uit, zo’n tien jaar later tot 600. Verderop in het toenmalige kerkdorp verrees Sint Anna voor vrouwelijke geesteszieken, verzorgd door Zusters van Liefde. De beide instellingen lagen in een bosrijke omgeving en bestonden uit een monumentale kapel met paviljoens eromheen. De Nederlandse Eerste Krankzinnigenwet van 29 mei 1841 beschouwde krankzinnigen als een gevaar voor de maatschappij; ze dienden te worden opgenomen in wat in de volksmond heette het ‘dolhuis’. Pas later kwam men tot inzicht dat zij als gelijkwaardige mensen behandeld moesten worden met oog op genezing.
Gids Sjors van Daalen (77) geeft een rondleiding door het museum. Hij heeft zelf als verpleegkundige gewerkt in de vroegere kliniek.
Voor het echter zover was, werden de patiënten blootgesteld aan schedelboring, aderlating, elektroshocks, gedwongen bed- en badverpleging: de hele dag in bed liggen of dagen, zelfs wekenlang neergelegd worden in een badkuip. Spanlakens kluisterden mensen aan bed. Een dwangbuis hield patiënten met psychotische of epileptische aanvallen in het gareel.
Aan het eind van de expositie is de toekomst van de psychiatrie gesymboliseerd in de zorgrobot Zora.
„Hier laten we zien wat er achter de gesloten muren van een inrichting als deze gebeurde”, vertelt Marcel van Ewijk, voormalig psychiatrisch verpleger en nu als communicatieadviseur verantwoordelijk voor het museum. De gidsen werkten zelf in de zorg en vertellen tijdens de rondleiding over hun ervaringen. Van Ewijk benadrukt dat de behandelmethoden horen bij de tijd waarin ze werden toegepast: „Het is inderdaad schokkend foto’s te zien van vrouwen die in zo’n bad liggen onder een spanzeil, alleen hun hoofd steekt erbovenuit, ze zijn erin gevangen. Sommigen wilden zichzelf verdrinken. Nu vraag je je af: ‘Stel, jij krijgt als verpleegkundige zo’n opdracht van de teamleider, wat zou je doen?’”
Van Ewijk heeft de dwangbuis weleens toegepast, „het verhaal erachter is dubbel: een patiënt leed aan automutilatie, zelfverwonding; hij beet de huid van zijn armen kapot, stak zich in de ogen. Als hij een aanval voelde naderen, vroeg hij zelf om de dwangbuis.” In de jaren zeventig, de tijd van de antipsychiatrie, ontstond een ander beeld: het boek Wie is van hout… (1971) van psychotherapeut Jan Foudraine, de film One Flew Over The Cuckoo’s Nest (1975) met Jack Nicholson als de briljant-sympathieke, onaangepaste held en spiegels in de openbare ruimte met de tekst ‘Ooit ’n normaal mens ontmoet, en… beviel ’t?’ getuigen daarvan.
Apparaat voor shocktherapie.
Van Ewijk spreekt liever van „mensen met een onbegrepen gedrag” dan van geesteszieken. Voor de buitenstaander is een methode als lobotomie schokkend, een werkwijze waarin de arts een pin via het bovenste ooglid in de hersenen drijft en daar een zenuwbaan doorsnijdt. In een vitrine ligt het kil glanzende instrumentarium. Hersenen of hersenplakjes staan in glazen potten op sterk water: van iedere patiënt die in de inrichting stierf, werd de schedel gelicht.
De zusters en broeders hadden zeker goede bedoelingen. Zo is het geliefde object van het museum een withouten kermispaard met vurig-rode leidsels. Het hoorde bij een draaimolen op het terrein. Een foto laat lachende zusters en blije patiënten zien, zittend op het draaimolenpaard. Het is een moment van verlichting op een plek met een veelbewogen geschiedenis.
Nederland telt veel kleine, minder bekende musea. NRC portretteert er iedere zomer een aantal. Lees hier eerdere afleveringen van de serie Kleine musea.