Zijn werk was zijn leven. Nadat de twijfels aan de waarachtigheid van beide te groot waren geworden en hij het eerste al kwijtraakte, ontnam hij (hoogstwaarschijnlijk) zichzelf ook het tweede. Jason Arday, de academische ‘superster’ die belandde in een internationale media-orkaan van beschuldigingen over wetenschappelijk plagiaat en biografische verzinsels, werd vrijdag dood aangetroffen in zijn woning in Zuid-Londen.
Zo is het zomerspektakel voor cultuurkrijgers uitgelopen op een menselijk drama. De onderzoeken die in gang werden gezet naar zijn werk en benoeming, kort voordat zijn autobiografie zou verschijnen met ongetwijfeld nieuw rood vlees voor de media, zullen Arday ervan hebben overtuigd dat zijn kaartenhuis was ingestort. Online buitelen nu verbijstering, verdriet, woede over een racistische lynchpartij in de media, verwijten aan het ‘goedgelovige’ Cambridge en klammheimliche Freude over het lot van een bedrieger over elkaar.
De vraag op de achtergrond is hoe het zo ver heeft kunnen komen. Aan de Britse media, die met dagelijkse onthullingen over ’s mans leven en werk een klopjacht van de zaak maakten – met een furie die vaak ontbreekt bij stoffiger plagiaatzaken uit Academia. Maar er zijn ook genoeg vragen aan Cambridge, dat de aimabele Arday in 2023 met een persbericht juichend binnenhaalde als ”jongste zwarte hoogleraar ooit”, ondanks zijn bescheiden academische portfolio en, naar het zich nu laat aanzien, zonder deugdelijke toetsing.
Sommige commentatoren waarschuwden al kort voor Ardays dood dat hij door de Engelse elite-universiteit niet werd behandeld als serieuze academicus maar als een mascotte: een getalenteerde zwarte man die een onwaarschijnlijke reeks hindernissen zei te hebben overwonnen (eenvoudige afkomst, dyslexie, autisme, epilepsie, een hersentumor) om tegen alle verwachtingen in door te stoten naar de top. Anderen beschuldigen Cambridge van een soort omgekeerd racisme of een Tarzan-fantasie, het culturele sjabloon van een eenling die onder barre omstandigheden de wereld versteld doet staan.
Verklaarbaar was het academische enthousiasme over Arday wel, want ondanks het rechtse alarmisme dat de universitaire wereld geheel en al ‘in de greep’ zou zijn van ‘woke’ diversiteitsbeleid, is dat nog altijd meer lippendienst dan realiteit. Van de hoogleraren aan Britse universiteiten is minder dan één procent zwart, de academische staf van Cambridge telt 6.200 personen van wie er 75 zwart zijn. Bij de benoeming van de toen 37-jarige Arday ging publicitair wensdenken academische weging in de weg zitten – en zo kon het drama zich voltrekken. Eerst werd Arday een trofee voor Cambridge, daarna voor zijn ontmaskeraars als de ‘rassenrealist’ Nathan Cofnay (die een verband legt tussen ras en intelligentie). Arday werd verpletterd onder zijn symboolwaarde in een ideologische controverse.
Daarin heeft Engeland, zoals in zoveel, een zekere traditie. V.S. Naipaul schreef in 1974 The Killings in Trinidad, een grimmig essay over de opkomst en ondergang van Michael X, een zwarte revolutionair die in de jaren zestig lieveling werd van swinging London én een staatsvijand. Tal van hippe geesten steunden zijn Black-House-commune in de hoofdstad. John Lennon en Yoko Ono doneerden een zak met hun haar, de Beatle betaalde ook de borgsom nadat de politie Michael X had opgepakt wegens afpersing.
Ook dat liep huiveringwekkend slecht af. Michael X (echte naam Michael de Freitas) week na alle publiciteit uit naar Trinidad, waar hij een agrarische commune begon. Dat experiment mondde uit in de moord op twee leden van die commune, onder wie het ex-fotomodel Gale Benson, die zich uit solidariteit bij X had gevoegd.
Die morsige episode, een mix van revolutionaire drift en onderwereld, staat mijlenver af van het elitaire universiteitsdrama rond Arday, een man die de bovenwereld niet wilde opblazen maar erdoor werd omarmd en het wensdenken rond zijn persoon voedde met een piramidespel van hele en halve verzinsels. Maar er is een overeenkomst. Net als Michael X werd Arday een omstreden held op lemen voeten, vermalen tussen academische idolatrie en ‘rassenrealistische’ wraakzucht.
Het eerste mag de universiteit zich aanrekenen, het tweede is een kwestie van de hele samenleving.