De Zitting Lucien B. slaat ramen in om haar ex te kunnen zien, steekt een kast in brand om haar liefde te bewijzen en vernielt een parfumerie om in een cel te mogen slapen. In de rechtszaal probeert de rechter haar telkens terug te brengen naar een werkelijkheid. „Wanneer het niet gaat zoals u wilt, worden anderen daar het slachtoffer van.”
Illustratie Leonieke Fontijn
De rechter probeert het te begrijpen: waarom sloeg de dakloze vrouw het raam van haar ex-partner in? Lucien B. (29) lijkt verbaasd dat daar zoveel uitleg voor nodig is. „Omdat ik hem moest zien”, zegt ze met grote gebaren. Haar ex-partner had de deur niet opengedaan toen ze aanbelde. Ze miste hem en „haar hart kon het niet verdragen dat ze hem niet zag”. En een baksteen lag voor het grijpen.
Op de begane grond klonk een harde klap, daarna glasgerinkel. Even later sneuvelde boven opnieuw een ruit. Voordat haar ex-partner het wist, stond Lucien in zijn slaapkamer. Ze griste zijn telefoon uit zijn handen en pakte een fles ammoniak uit haar tas. Ze overgoot hem en de gang met de vloeistof. Ze toverde een aansteker tevoorschijn en zei dat hij weer bij haar terug moest komen. Anders ging de fik erin.
Lucien B., die zichzelf sinds kort ‘Belle’ noemt en als vrouw wil worden aangesproken (die als Lucien wordt berecht en aldus zo wordt genoemd door NRC), spreekt met de haast van iemand die voortdurend bang is onderbroken te worden voordat ze bij haar werkelijke punt belandt – hoewel dat punt telkens weer ergens anders blijkt te liggen.
De gebeurtenissen ontkent ze niet. „Maar snap je het niet, rechter?” vraagt ze. „Ik móét zijn gezicht zien. Het maakt niet uit hoe ik het doe. Alleen dan kan mijn hart rust krijgen. Hoe langer ik een show geef in dat huis, hoe langer ik bij hem kan blijven totdat de politie komt. Het is mijn man, mijn man!”
En bovendien: kent de rechter de film Colombiana niet? Daarin moet iemand ook een manier vinden om een woning binnen te komen. „Ik ben de hoofdpersoon uit die film. Ik ben slim en weet: als ik een raam kapotmaak, ben ik snel in de kamer. Oorzaak, gevolg. Het is gewoon een gangstermanier om binnen te komen.”
Na het incident krijgt Lucien te horen dat ze geen contact meer met hem mag opnemen. Een week later gaat ze toch terug en wordt opnieuw een ruit ingeslagen. Zo erg was dat niet, zegt Lucien tegen de rechter. „Mijn ex is toch nog helemaal heel?”
Dat kan niet gezegd worden over de Leger des Heils-locatie waar ze verbleef ten tijde van haar bezoekje aan haar ex-vriend. Ze miste hem, huilde en vroeg medewerkers de crisisdienst te bellen. Toen dat niet gebeurde, stak ze een kledingkast in haar kamer in brand. Een medewerker bluste het vuur maar door de rook moest het gebouw met alle inwoners worden ontruimd. „Ik wilde laten zien dat ik van mijn ex hou”, verklaart Lucien aan de rechter.
Het Leger des Heils zette haar op straat. Lucien vraagt de politie een paar weken later daarom of ze in een cel mag slapen. Dat kon niet.
Op 7 februari sneuvelt een volgende ruit: die van parfumerie ICI Paris in Almere. En op 21 maart moet de winkel opnieuw de glaszetter bellen. Dit keer neemt Lucien ook een fles parfum mee. Ze bekent beide incidenten. Het oogpunt van de daad was dat de politie haar zou meenemen, zegt ze. „Een cel is beter dan de straat.”
De rechter ziet in de wirwar van gebeurtenissen een patroon. „Op het moment dat het niet gaat zoals u wilt, worden anderen daar het slachtoffer van.” Lucien luistert aandachtig. „Als ik niet geholpen word, als ik niet gezien word, dan moet ik wel. Dan moet ik, als koningin, mijn zin gaan zoeken en doordrijven.”
De reclassering beschrijft een leven dat op vrijwel ieder terrein is vastgelopen: Lucien heeft geen woning, geen werk en kampt met schulden. Eerdere hulpverleningstrajecten liepen nergens op uit. Lucien heeft geen telefoon of verblijfplaats en is daardoor slecht bereikbaar. De complexe psychiatrische problematiek waar Lucien volgens het OM en haar advocaat mee te maken heeft, helpt niet mee.
Ook tijdens de zitting krijgt de rechter moeilijk contact met Lucien. Soms mompelt ze tegen zichzelf. „Ik had even een gesprek in mijn hoofd”, verklaart ze dan.
Na twee uur zitting praat Lucien met haar hoofd plat op tafel. „Ik bedenk me iets moois”, zegt ze. „De Bijbel. De Bij-bél. Bij Belle, bellen.” Dan begint ze te huilen. Een seconde later gaat ze rechtop zitten en verandert het gejammer in een hysterisch gelach. De twee aanwezige agenten halen haar uit de zaal om „even tot rust te komen”.
Als ze terugkomt, eist de officier acht maanden cel. Vooral de brandstichting weegt zwaar mee. De advocaat verzoekt een straf van twaalf weken. Bovendien heeft Lucien volgens haar meteen serieuze psychiatrische hulp nodig: hoewel de delicten „ernstig” waren, voorkomt een celstraf volgens de advocaat niet dat nog meer ramen sneuvelen als Lucien weer vrijkomt.
Twee weken later blijkt dat ook de rechtbank nog geen antwoord heeft op de vraag die de rechter tijdens de zitting voortdurend probeerde te beantwoorden: wat begreep Lucien van wat ze deed en in hoeverre kan het haar worden aangerekend?
Omdat de rechter zo „weinig begrijpt van het persoon” van de verdachte en eerdere psychiatrische zorgtrajecten en crisismaatregelen nog niet hebben geleid tot een definitieve diagnose, komt er nog geen vonnis en wordt de zaak geschorst. Ook een contactverbod blijft voorlopig uit. Eerst moet Lucien onderzocht worden door een forensisch psychiater. Maximaal drie maanden later moet ze opnieuw tegenover een rechter plaatsnemen.
Op het moment van de uitspraak zit Lucien B. vast vanwege andere lopende zaken, waaronder een zedenzaak.
In deze rubriek beschrijven verslaggevers elke week een rechtszaak.