Home

‘De verschrikkelijke dingen waaraan Duitsers van de oorlogsgeneratie hadden meegedaan, werden mee het graf in genomen’

Götz Aly | historicus Duitsland wordt geprezen om zijn omgang met het naziverleden. Maar dat was vooral een verdienste van de staat. Binnen families werd gezwegen, zegt historicus Götz Aly. „Onze huidige herdenkingscultuur suggereert dat wij betere mensen zijn dan onze voorouders destijds.”

Leden van de lokale NSDAP-afdeling uit het Duitse Werlsee, op weg naar een ‘Overwinningsrally’ zwaaien in 1933 vanuit een trein.

In maart zette het Amerikaans Nationaal Archief het ledenregister van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) integraal online, en de server van de website bezweek onder de belangstelling. Met een naam en een geboortedatum en een poosje scrollen kun je zo achterhalen wie een nazi met een ledenpas was. De weekbladen Die Zeit en Der Spiegel ontwikkelden een tool om eenvoudiger te kunnen zoeken in het ledenbestand, en ook daar is de toeloop enorm.

In cafés en onder vrienden gaat het deze dagen veel over de eigen Duitse familiegeschiedenis. De verhalen die binnen families werden verteld blijken vaak niet waar te zijn. Grootvader zei dat hij als advocaat min of meer in het verzet zat, maar blijkt lid van de NSDAP. De oudoom die sneuvelde en naar wie leden van de jongere generatie werden vernoemd, blijkt zich zo vroeg te hebben gemeld bij de nationaalsocialisten dat van opportunisme geen sprake kan zijn.

De laagdrempeligheid van het archief maakt het makkelijk om iets te weten te komen over de eigen voorouders, ook als mensen geen zin hebben om naar een fysiek archief te gaan. Bovendien zijn zo goed als alle voormalige leden van de NSDAP overleden, dus de ouders of grootouders kunnen niet meer geconfronteerd worden met de nieuw verworven kennis.

Met het NSDAP-archief en het verdwijnen van de generatie die de Tweede Wereldoorlog nog meemaakte, lijkt de herinneringscultuur in Duitsland iets te veranderen. De eigen familie is in veel gevallen een blinde vlek in de zo geprezen Duitse ‘Vergangenheitsbewältigung’. Dat laten ook cijfers zien uit een enquête van 2018: meer dan de helft van de Duitsers denkt dat de eigen voorouders slachtoffers waren in WOII, en 69 procent meent dat de eigen voorouders géén daders waren.

Historicus Götz Aly (1947) schrijft in zijn boek Wie konnte das geschehen? uit 2025 over de rol van doorsnee Duitsers tussen 1933 en 1945. Ook Aly zegt: „Het probleem ligt niet bij de staat, die deed onderzoek. Eén miljoen mannen en vrouwen werden verhoord, er werden zo’n dertig grote processen per jaar gevoerd. Maar binnen de families werd gezwegen.”

De Duitse Götz Aly in maart 2024 in Berlijn.

Ook uw ouders, zo beschrijft u, vertelden in eerste instantie weinig over hun ervaringen in de oorlog.

„Nou, ze vertelden wel over hoezeer ze hebben geleden. En dat de geallieerden hen wilden laten verhongeren. Het zelfmedelijden was groot in Duitsland.”

Wanneer veranderde dat in uw familie?

„De conflicten begonnen toen ik 15 werd. Tot mijn veertiende had ik het woord ‘Jood’ nog nooit gehoord. Hoewel, ik had het wel gehoord, want als we luidruchtig waren op school zeiden onze leraren: ‘Het lijkt hier wel een Jodenschool!’. En de knalduivels die we met Oud en Nieuw hadden, noemden we ‘jodenscheten’.”

„Bij ons in de buurt was een buitenpost van een concentratiekamp. Er waren vierhonderd mensen omgekomen, er was een massagraf dat opgegraven was. Wij zeiden altijd tegen elkaar ‘Kom, we gaan op het concentratiekampje spelen.’

„Om vanuit deze wereld dan met Auschwitz geconfronteerd te worden, dat was wel wat. Op een dag werd op school een film getoond, in de kelder, want daar was het donker. Het waren de opnames van de bevrijding van Auschwitz, Bergen-Belsen en Buchenwald, met die bergen van lijken. De leraren – die waren natuurlijk ook allemaal in de oorlog geweest en misten vaak een arm of een been – die zeiden niets, ervoor niet en erna niet.”

Het zwijgen en de emotionele gehardheid hoorde bij die generatie, zegt Aly. „De vader van mijn vader was artillerieofficier in de Eerste Wereldoorlog, en kwam kapot terug naar huis. Mijn vader was toen zes jaar oud, en hij zei naderhand: ‘Het was verschrikkelijk. In de oorlog hadden we het zo fijn, met mama en oma en nog een dienstmeisje. En vader kwam terug en zei dat we verwijfd waren.’ Die verschrikkelijke hardheid werd aan mijn vader doorgegeven en zet zich ook in mijn generatie nog een beetje voort.”

Was uw vader ook zo gehard?

„Vergeleken met sommige buren en leraren was mijn vader redelijk in de omgang. We hadden buren die op ons insloegen als we ook maar een klein beetje lawaai maakten. Het geweld, van leraren op school maar ook onder jongeren, dat is vandaag de dag onvoorstelbaar. Hoe vaak wij in elkaar werden geslagen.”

Hoe kwam het gesprek met uw ouders op gang?

„Op de dag dat de film werd vertoond, vroegen mijn ouders hoe het op school was. ‘Interessant’, zei ik. Toen ze verder vroegen en ik erover vertelde, verstarden ze. Ze zeiden dat ze van niks hadden geweten, dat ze zelf bij wijze van spreken met één been in het concentratiekamp hadden gestaan, en al die onzin die iedere Duitser destijds vertelde. Mijn vader werd heel oud, en vertelde me twee jaar voor zijn dood hoe het was geweest.”

De vader van Aly lag in het voorjaar van 1943 in een ziekenhuis in Warschau om te herstellen van verwondingen die hij aan het front had opgelopen. Het ziekenhuis lag pal naast het getto van Warschau, waar in april en mei de opstand werd neergeslagen en meer dan vijftigduizend Joden werden gedeporteerd en doodgeschoten. Aly beschrijft in zijn boek wat zijn vader vertelde: „Wij hoorden constant de schoten en het schreeuwen. We wisten dat het getto geliquideerd werd.”

„De verschrikkelijke dingen waaraan mensen van die generatie hadden meegedaan – die werden voor 90 of 95 procent mee in het graf genomen, en er werd nooit over gesproken.”

Er is op dit moment een tentoonstelling in het documentatiecentrum Topographie des Terrors in Berlijn met de titel ‘Wat wisten de Duitsers?’ Het antwoord in de tentoonstelling luidt: als je goed keek kon je alles weten, maar de meeste Duitsers keken niet zo goed. Volgens uw boek klopt dat gewoon niet.

„Ja, dat is wat halfhartig. Je moet de cijfers voor ogen houden. In de oorlog tegen de Sovjet-Unie worden in het eerste half jaar 900.000 Joden doodgeschoten, en 1,4 miljoen Sovjet-krijgsgevangenen uitgehongerd en doodgeschoten. Dat gebeurt voor ieders ogen, dat schrijft iedereen en het wordt gefotografeerd. Bovendien worden in dat eerste half jaar minstens 150.000 burgemeesters, chefs, mensen die op de een of andere manier in de weg stonden, vermoord. Dat blijft voor geen enkele van deze soldaten verborgen. Daaruit ontstaat de propaganda: als zij met ons zullen doen wat wij met hen doen, dan blijft van ons niets over. Daarom vechten ze tot het einde.”

Dat is het idee van de ‘medeschuld’ dat u in uw boek beschrijft: dat Duitsers medeplichtig werden gemaakt zodat ze uit angst voor vergelding vasthouden aan de Führer.

„Er is veel wat daarop wijst. De deportatie van Joden gebeurt principieel op klaarlichte dag. De mensen moeten zien: dit is wat er gebeurt, zij zijn weg, en jullie krijgen hun bezittingen. De omstanders hebben geen directe schuld, want de staat doet het, maar de omstanders krijgen een deel van de winst. In armere wijken in Berlijn werden de bezittingen direct op de stoep geveild. Voor het huisraad van welvarende families stonden advertenties voor veilingen in de krant, ‘uit niet-arisch bezit’. Als je daaraan deelneemt, dan ga je ervan uit dat de oorspronkelijke bezitters niet terugkomen, en heb je er ook belang bij dat dat niet gebeurt.”

U schrijft over de manier waarop de NSDAP iedereen op de een of andere manier wist te betrekken.

„De NSDAP was de eerste echte volkspartij die voor iedereen openstond. Daarvoor waren politieke partijen bijvoorbeeld voor katholieken, liberalen, arbeiders of boeren. Door zijn weldaden wist Hitler die allemaal mee te krijgen.”

Wat waren de belangrijkste weldaden?

„1 mei 1934, de dag van de arbeid, is de eerste betaalde vrije dag in Duitsland. In 1933 werd verboden huurders uit te zetten als ze een keer de huur niet konden opbrengen. Deurwaarders werd een halt toegeroepen. Er kwamen wettelijke vastgelegde vakantiedagen, en een belastingstelsel dat voordelig was voor doorsnee families. In 1941 kwam er een ziektekostenverzekering voor gepensioneerden. Er zijn honderden van dit soort wetten.”

Hoe moet je je dat effect precies voorstellen: je kreeg een vrije dag of ziektekostenverzekering, en dan dachten mensen: ok, we doen mee?

„Ziet u, Duitsland had die vernietigende economische crisis. Iedereen was beledigd na het verlies van de Eerste Wereldoorlog. Het Verdrag van Versailles, en de herstelbetalingen die de crisis nog ernstiger maakten, waren voor Duitsers van alle partijen en klassen onverteerbaar. Ook de communistische partij wilde in 1932 Elzas-Lotharingen terug. Door de crisis leefde 80 procent van de Duitsers in armoede of op het randje ervan. En het is Hitler gelukt om dat op te vangen.”

Veel mensen kijken deze dagen in het NSDAP-archief en schrikken als ze erachter komen dat opa of overgrootvader lid was. Ze wisten het niet.

„Nou ja, ze wilden het tot nu toe niet weten. Je had natuurlijk allang onderzoek kunnen doen.”

Dan speelde het voor veel families tot nu toe geen grote rol.

„In veel families werden de versies van de ouders en grootouders graag geaccepteerd. Ook in linkse milieus. Ik heb kennissen die nu geschrokken aankomen en zeggen: ‘Vader had een fabriek in Silezië en daar hoorde ook een buitenpost van Auschwitz bij.’ Ja, natuurlijk.”

Dat is toch vreemd, die schrik tachtig jaar na dato.  

„De nabijheid maakt blind. Bijvoorbeeld dat verblijf van mijn vader in het ziekenhuis in Warschau: daar wist ik van. Als historicus had ik kunnen vragen, als je er in het voorjaar van 1943 was, heb je dan niets van de opstand gemerkt? Maar die vraag heb ik nooit gesteld. Bij iemand anders was ik daar vast veel eerder op gekomen.”

Omdat u vreesde voor de confrontatie?

„Niet eens voor een confrontatie. Half bewust vraag je je af: doen we dit elkaar nu aan, na zoveel jaren, als je als ouder en kind een modus vivendi hebt gevonden. Je denkt: begin ik nu nog hierover, vader is al oud en ziek, en je hebt het al zo vaak geprobeerd, en moeder zegt, hou er nu eens over op. Ik denk dat dat in iedere familie ongeveer zo gaat.”

Volgens een onderzoek van een paar jaar geleden denkt slechts 18 procent van de Duitsers dat hun voorouders tot de daders behoorden.

Lacht. „Jaja, dat is weinig. Dat is een vorm van zelfbescherming.”

Zal de publicatie van het archief iets veranderen aan dat zelfbeeld?

„Dat zou goed zijn. Onze huidige herdenkingscultuur suggereert dat wij nú betere mensen zijn dan destijds. Terwijl het onze directe voorouders zijn. Iedereen heeft iemand in zijn familie: we hadden in totaal 18 miljoen soldaten in de Wehrmacht. Dat is veel; min of meer iedere man die kon lopen. Als die zelfgenoegzaamheid iets wordt getemperd zou ik dat een goede les vinden uit de geschiedenis. Want dat idee: wij horen bij de beteren – dat dachten de nazi’s ook.”

Richt de herdenkingscultuur zich dan nu te veel op de slachtoffers en te weinig op de daders?

„Het is iets anders. Aan de ene kant is er de identificatie met de slachtoffers, dus in mijn schooltijd begon dat al met Anne Frank. En hier verderop in de Topografie des Terrors zie je dan wederom het echte kwaad, daar kijk je in die SS-smoelen. Maar daartussen is een vacuüm, en dat zijn de gewone mensen, de maatschappij, de Duitsers die Hitler mogelijk maakten. En daarover hoef je het niet te hebben als je die twee polen hebt.”

Tweede Wereldoorlog

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next