Ik moest naar de gynaecoloog voor controle. In aanloop naar het gebeuren vertelde ik mezelf herhaaldelijk wat mijn moeder mij voorafgaand aan mijn eerste gynaecologisch bezoek vertelde, en haar moeder aan haar, en waarschijnlijk elke moderne vrouw aan een vrouwelijke nakomeling die de leeftijd bereikte voor de gynaecologie: „Joh, die gynaecologen zien tientallen vagijnen per dag, honderden per week, duizenden per jaar. Ze weten echt niet wie je bent. Voor je de praktijk verlaat zijn ze jou en je cachucha al vergeten”, et cetera. Anonimiteit en vergetelheid verzekerd.
In het kleedhokje mocht vanaf de evenaar al mijn kleding uit. Even later liep ik in lange trui door de praktijk. Ze waren met z’n tweeën: een vrouw en een man. Ik nam plaats in de hoge onderzoeksstoel, zo’n model met wijd uit elkaar staande beenleuningen waar ik mijn knieën tegenaan moest zetten. De man nam plaats op een kruk met wielen en rolde naar de parkeerplaats tussen mijn benen. De vrouwelijke arts keek staand mee.
„Iets meer naar beneden zakken”, gebood hij. Dat betekende dat ik met mijn poenani meer richting zijn hoofd moest. Tussen mijn dijen was alleen zijn kruin nog zichtbaar. Vanaf die positie zei hij: „Barre tijden om columns te schrijven.”
Ik bevroor. Mijn moeders geruststellingen konden bij het vuil, samen met die van haar moeder en de complete mondelinge overdracht in de geschiedenis van de moderne vrouw. „Met alles wat momenteel op het wereldtoneel gaande is, moet het moeilijk zijn een onderwerp te kiezen”, zei de dokter vanaf daar beneden. Hij ging nu weefsel afnemen.
Ik hoorde mezelf mompelen dat ik naar de maandag was verplaatst, maar wel al op vrijdag moest inleveren, dus dat ik nu niet meer zo hard over de actualiteit hoefde te schrijven. „Au!”
„Klopt, vroeger zat u op pagina twee”, zei hij.
Ik vroeg me af of alle vrouwen wier hoofd weleens in een medium verschijnt op dit soort van decorum gevrijwaarde werkbesprekingen konden rekenen. Of Eva Jinek bij de gynaecoloog een observatie krijgt als: „Het is wel erg naar rechts gaan hellen, hè?” Waarna Eva iets gaat verzitten en haar gynaecoloog zegt: „Nee, nee. Ik bedoelde de talkshow. Qua duiders en gasten.”
Ook vroeg ik me af of dit alleen vrouwen overkwam, of dat mannelijke columnisten als Marcel van Roosmalen of Sander Schimmelpenninck ook tijdens een prostaatonderzoek naar hun werk worden gevraagd. Niet voor- of achteraf in de spreekkamer, maar als de uroloog nog met hun zaakje in haar hand staat.
„Barre tijden voor columnisten, nietwaar?”
Thuis deed ik wat zoekopdrachten met woorden als prostaat, uroloog en columnist. Bij de patiëntenvereniging kwam ik columns tegen over prostaatkanker, maar ik vond geen mannelijke collega die bij de uroloog, op het hoogtepunt van het consult, naar zijn werk was gevraagd. Nu weet ik niet of dat komt doordat een arts het niet in zijn hoofd zou halen om bij een gerespecteerd vakgenoot tijdens zo’n moment alle privacy het raam uit te gooien, of dat dit mannelijke columnisten net zo goed overkomt, maar ze er niet over publiceren.
Aanvankelijk wilde ik via deze weg mijn NRC-lezende gynaecoloog (hoi, dokter) vragen de werkgerelateerde praatjes die mij van de beloofde anonimiteit beroven – als ze dan al moeten plaatsvinden – voor of na het onderzoek te initiëren en niet tijdens. Inmiddels zie ik in dat ik een andere gynaecoloog zal moeten zoeken. Een geschikte vinden is in deze barre tijden waarschijnlijk moeilijker dan het kiezen van een onderwerp voor een column.