Verslaving Na ruim een decennium geen druppel te hebben gedronken, kocht schrijver Meghan O’Gieblyn weer een fles wodka. Ze denkt dat het leven mooier wordt wanneer we de neiging tot zelfdestructie erkennen.
Het was augustus en ik was in Rome, ziek en brak tussen de ruïnes van een ooit almachtig rijk. De hitte was die maand ondraaglijk. Elke ochtend werd ik wakker door de ontwenningsverschijnselen van de alcohol, mijn lichaam badend in het zweet. De middagen bracht ik doelloos zwervend door in het centrum van de stad, op zoek naar schaduw onder de standbeelden van oorlogshelden.
Eerder dat jaar was ik, na elf jaar nuchter te zijn geweest, weer begonnen met drinken. Daar was geen goede reden voor, er was geen tragische gebeurtenis of levenscrisis; ik had beter moeten weten. Drugs en alcohol hadden me in mijn twintigerjaren bijna het leven gekost, en in de tien jaar daarna was mijn leven juist heel goed geworden. Ik ging weer studeren, trouwde en publiceerde twee boeken.
Meghan O’Gieblyn is een Amerikaanse schrijver en essayist.
Maar het overlevingsinstinct waarmee ik dat alles voor elkaar had gekregen, leek zich plotseling tegen me te keren en sloeg om in roekeloosheid. Ik hield mijn terugval voor iedereen verborgen, ook voor mijn man. We waren voor zijn werk in Rome, maar toen ik covid kreeg, nam hij een eigen hotelkamer om te voorkomen dat hij besmet zou raken. Nog geen uur nadat hij ons gehuurde appartement had verlaten, stond ik in de buurtsuper 20 euro af te rekenen voor een fles wodka.
Verklaringen voor menselijke drijfveren richten zich vaak op overleving en zelfontplooiing – het streven naar macht, autonomie en erkenning – of op prikkels die genot vergroten en pijn verminderen. De evolutie heeft onze soort immers verfijnd om succesvol te zijn. Waarom kiezen we dan toch zo vaak voor mislukking? Waarom vergiftigen we onszelf?
Op een dag passeerde ik het Colosseum, dat onverbiddelijk afstak in de brandende middagzon. In de Belijdenissen van Augustinus vertelt de filosoof over zijn leerling Alypius, die zo geobsedeerd raakt door de gladiatorengevechten dat hij spreekt van een ”roekeloze verslaving”. Alypius beschouwt zichzelf als een intellectueel die zijn hartstochten met zijn verstand kan beheersen. Wanneer Augustinus hem ervan overtuigt dat de gevechten verwerpelijk zijn, zweert Alypius ze af en houdt hij onmiddellijk op ze te bezoeken.
Wanneer Alypius op een middag enkele vrienden tegenkomt die hem uitnodigen mee te gaan naar het Colosseum slaat hij dat aanbod eerst af. Als ze blijven aandringen gaat hij overstag, maar hij verzekert ze dat hij zijn ogen de hele tijd gesloten zal houden. Dat lukt hem, totdat een luid gejuich door het stadion klinkt en zijn nieuwsgierigheid de overhand krijgt. Hij opent zijn ogen en raakt ‘bedwelmd’ door bloeddorst.
Een stroming binnen de Griekse filosofie stelt dat ondeugd en zelfdestructief gedrag voortkomen uit onwetendheid. „Niemand die weet of gelooft dat iets anders beter is dan wat hij doet, zal blijven doen wat hij nu doet”, zegt Socrates in Plato’s Protagoras.
Augustinus daarentegen had weinig vertrouwen in zelfkennis. Het probleem lag volgens hem bij de menselijke wil, die van nature zwak is. Literatuurwetenschapper Erich Auerbach betoogde in zijn boek Mimesis dat het verhaal van Alypius een duidelijke omslag markeert in het denken over menselijke drijfveren. De beheerste Helleense intellectueel, die niet tegen beter weten in handelt, maakt plaats voor de gevallen mens uit de christelijke traditie, die door de erfzonde is aangetast en van nature geneigd tot het kwade.
In tegenstelling tot veel oosterse tradities, waarin lijden wordt gezien als een onvermijdelijk onderdeel van het bestaan, worstelen de monotheïstische religies, die draaien om een almachtige en welwillende God, al eeuwen met het probleem van het kwaad. Nergens is dat vraagstuk zo raadselachtig als wanneer mensen zichzelf pijn doen.
Uiteindelijk vond dit vraagstuk zijn weg van de theologie naar de westerse filosofie. De Duitse filosoof Arthur Schopenhauer meende dat schadelijke impulsen voortkomen uit de wil: een onpersoonlijke kracht van scheppende vernietiging die uit is op ‘strijd’ en mensen drijft tot motieven die vaak haaks staan op hun rationele eigenbelang.
Sigmund Freud sprak over ‘doodsdrift’. Wanneer agressieve neigingen worden onderdrukt, zo stelde hij, keert het geweld zich naar binnen en leidt het tot dwangmatig gedrag, verslavingen en andere pathologische gewoonten.
Hedendaagse therapeutische benaderingen schrijven ongezonde impulsen vaak toe aan onaangepaste gedragspatronen, een gebrekkige impulsbeheersing of verstoringen in de beloningssystemen van de hersenen. Voor mij heeft die destructieve drang nooit als een defect gevoeld. Eerder voelt het zoals Schopenhauer het beschrijft: alsof je in de greep bent van een kosmische kracht die zich weinig aantrekt van je hogere idealen en uiteindelijk uit is op je dood.
Het is onmogelijk om enige tijd in Rome door te brengen zonder de zinloosheid van het menselijke streven te voelen. De ruïnes van indrukwekkende paleizen en de standbeelden van dode keizers herinneren eraan dat zelfs de grootste ambities, hoe triomfantelijk ook, uiteindelijk ten prooi vallen aan verval en ondergang.
Op een ochtend zocht ik verkoeling in de Basiliek van Santa Maria del Popolo. Daar zag ik hoe een vrouw haar hand voor haar mond sloeg en in stilte huilde terwijl ze naar Caravaggio’s De bekering van de heilige Paulus keek. In zijn tweede brief aan de Korintiërs beschrijft Paulus hoe God weigerde een ‘doorn in zijn vlees’ weg te nemen – een niet nader genoemde zwakte of verleiding – en hem verzekerde: Mijn kracht openbaart zich juist ten volle in zwakheid.”
Dat is de christelijke oplossing voor de verdorven wil, een gedachte die ik nog altijd overtuigend vind: geef je over. Laat los. Aanvaard dat er een ondoorgrondelijke macht is die de touwtjes in handen heeft – God, het lot of het onbewuste – en stel je open voor de mogelijkheid van genade.
Het was precies die gedachte die me tien jaar eerder tijdens de bijeenkomsten van een twaalfstappenprogramma had geholpen nuchter te worden. Het was een moment van totale mislukking en wanhoop dat me er later toe bracht mijn terugval aan mijn man op te biechten en terug te keren naar dezelfde herstelgemeenschap die de afgelopen vier jaar aan de basis lag van mijn nuchterheid.
Nu ik terugdenk aan die zomer, zie ik overal genade. De moeder die het bezwete hoofd van haar kind met handenvol koud water uit een openbare fontein afkoelde, alsof ze het doopte. Het stel dat de rekening betaalde voor een toerist die niet wist dat het café alleen contant geld accepteerde. De onbekende die me zijn laatste restje water gaf toen ik op de marmeren trappen van de Pincioheuvel bijna flauwviel.
Ik beweer niet te weten waarom we naar de duisternis worden gedreven. Wel geloof ik dat het leven mooier wordt wanneer we die neiging erkennen. Als je ervan uitgaat dat menselijke drijfveren uitsluitend op het goede zijn gericht, zul je telkens verontwaardigd zijn wanneer iemand tekortschiet. Geloof je daarentegen dat we van nature geneigd zijn tot ondeugd en falen, dan wordt elke daad van deugdzaamheid een wonder: een onverdiend geschenk dat des te kostbaarder is omdat het zo zeldzaam is.
De menselijke natuur beweegt zich, net als de geschiedenis, eerder in cirkels dan in een rechte lijn. Beschavingen rijzen op en vallen weer ten onder. We dwalen af, bekeren ons, overstijgen onszelf en vervallen uiteindelijk toch weer in zonde. Maar soms worden we wel degelijk betere mensen.
Dit artikel stond eerder in The New York Times en werd geselecteerd en vertaald in samenwerking met 360 Magazine.