Home

‘Geen familie waarschuwen, ruzie’ stond op een briefje in de portemonnee van meneer K.

Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk. Zoals bij meneer K., die de lelijke plekken op zijn muur maar niet kreeg weggeverfd.

Op een dag besloot meneer K. de verdieping die hij van een woningcorporatie huurde, in een naoorlogse portiekflat aan de Hoek van Hollandstraat in Amsterdam Nieuw-West, eens grondig te gaan opknappen.

In de slaapkamer, die eigenlijk geen slaapkamer meer was omdat hij zijn bed naar de woonkamer had verplaatst, begon hij met het van de muur trekken van het roodbruine behang dat er vermoedelijk al hing toen hij de woning in 1983 betrok.

Om een of andere reden stokte de operatie, terwijl meneer K. al een flink eind gevorderd was. Drie van de vier muren waren kaal en zelfs gedeeltelijk wit gesausd, al dekte de latex vanwege oude lijmresten niet goed.

Hij kreeg die lelijke plekken maar niet weggeverfd, je kon zien dat hij het met verschillende kwasten en rollers was blijven proberen. Mogelijk dacht hij: laat het dan godverdorie maar helemaal zitten.

Met latex besmeurd

Tevens had hij geprobeerd de vloerbedekking in de slaapkamer te verwijderen; deze was althans gedeeltelijk losgerukt en volop met latex besmeurd geraakt. Aan het houtwerk van de kozijnen was hij niet toegekomen, wel was daarop alweer gedeeltelijk losgelaten afplaktape aangebracht.

De emmers met de inmiddels versteende latex, aangeschaft in een doe-het-zelfzaak die al geruime tijd niet meer bestaat, staan nog steeds in de slaapkamer. Aan de vierde muur deinen krullen losgetrokken behang op de tocht die door het huis trekt omdat de naden en kieren in de woning niet goed zijn afgedicht.

Hij schoof de grote kledingkast weer op z’n oude plaats terug, zo waren de behangflarden meteen wat minder zichtbaar. In de daaropvolgende jaren was in de slaapkamer zo’n opeenhoping van vuilniszakken en dozen met overbodige troep ontstaan, waaronder een kapotte mixer, opmerkelijk veel flessen bedorven zonnebloemolie en verpakkingsmateriaal van verouderde apparatuur, dat de deuren van de kledingkast ten slotte niet meer open konden.

De weinige kledingstukken die meneer K. nog droeg, hing hij op aan knaapjes die her en der in de woning aan deurklinken en verwarmingsbuizen balanceren.

Vettige muren

In de woonkamer was meneer K. omstreeks dezelfde tijd aan een vergelijkbare operatie begonnen. Hier was het oude behang wel volledig verdwenen, maar het verven was wederom niet probleemloos verlopen.

Niets dekte fatsoenlijk, hij had de vettige muren eerst met ammoniak en voorstrijk moeten behandelen. Het lukte hem niet om gaten waar oude schroeven hadden gezeten fatsoenlijk op te vullen.

Hij besloot een truc als die met de kledingkast toe te passen, door de posters die er daarvoor al hadden gehangen – op diverse plaatsen zag je vergeelde omtrekken door de nieuwe verflaag tevoorschijn komen – opnieuw aan de muur te bevestigen, zodat de mislukking van de hele onderneming niet zo in het oog viel.

Het betrof posters van films die geruime tijd voor zijn geboorte op 12 juli 1958 in de bioscoop waren vertoond: Gone with the Wind (1939), Casablanca (1942) en Niagara (1953).

Nakomertje

Als een van de laatste Amsterdammers maakte meneer K. nog gebruik van een ouderwetse gaskachel, terwijl die volgens de woningscorporaties allang zijn ‘uitgefaseerd’. Waarschijnlijk liet hij de installatiemonteurs domweg niet binnen, want niemand mocht meer bij hem langskomen.

Op de mantel boven de gaskachel staat een kromgetrokken zwart-witfoto van meneer K. als jongetje. Een goedlachs ventje met halflang haar, hij draagt een overhemd met ruitjes.

De vader, een uit Friesland afkomstige grondwerker, was al 54 toen hij z’n enige zoon kreeg. Hij had op dat moment al drie zo goed als volwassen dochters, allemaal van dezelfde, veel jongere vrouw, die ook uit Friesland kwam.

Meneer K. was dus het nakomertje. Misschien werd hij enorm door zijn ouders verwend, in ieder geval is hij nooit gaan werken. Op zijn 24ste verliet hij de ouderlijke woning; hij moest wel, want zijn moeder werd opgenomen in een verzorgingstehuis. Zijn vader was in 1973 al overleden, toen meneer K. nog een puber was.

Schreeuwerige blouse

Boven de mantel hangen nog drie foto’s, in kleur ditmaal, van meneer K. als jongeman. Twee zijn met plakgum aan de muur bevestigd, de derde hangt ietwat scheef aan een punaise.

Op de onderste foto zien we hem in een zwembad liggen, zwaaiend naar de onbekende fotograaf. Op de middelste foto zit hij op de rand van datzelfde zwembad, de benen in het water.

Het zwembad bevindt zich in de tuin van een wit huis met oranje dakpannen. Het is ergens in een zonnig land, waarschijnlijk Frankrijk. Er staan wat bomen en er groeit lavendel.

Meneer K. draagt een strak zwart zwembroekje, en terwijl hij daar met z’n benen in het water zit, maakt hij met zijn rechterarm een trots gebaar, alsof al deze luxe aan hem toebehoort.

De derde foto lijkt in een Afrikaans land te zijn genomen, maar misschien is het ook ergens in Frankrijk, in de Cevennen of de Luberon bijvoorbeeld, waar de aarde soms een roodachtige kleur heeft. Meneer K. poseert bij een viertal ouderwets ogende terreinwagens. Die zijn van een zebrapatroon voorzien, alsof ze onderdeel uitmaken van een of andere safari-expeditie.

Bij die expeditie lijkt meneer K. niet betrokken te zijn, omdat hij kleding draagt die daar geheel niet bij past. Hij heeft een leren jasje aan en een schreeuwerige blouse met felle kleuren. Het lijkt erop alsof hij onderweg is naar de disco.

Op de kleurenfoto’s, die helaas niet al te scherp zijn, maakt hij best een vitale indruk. Het is voorwaar geen onaantrekkelijke man, terwijl hij de rest van zijn leven vrijgezel zou blijven en geen kinderen verwekte.

Aan dezelfde muur is ook een diploma bevestigd, eveneens met een punaise. Het is een diploma van dansschool Van den Adel te Amstelveen. In 1986 legde hij met goed gevolg examens af voor tango, quickstep en slowfox.

Eindeloze monologen

Afgezien van die aan mij overgeleverde momenten is het volstrekt onduidelijk wat meneer K. de rest van zijn leven heeft uitgespookt. Een buurman die in hetzelfde portiek woont heeft bar weinig goeds over hem te melden.

‘Hij bleef maar ouwehoeren als hij je zag’, zegt deze buurman. Meneer K. zou overal een mening over hebben gehad. Als ik vraag wat voor meningen het waren, weet de buurman dat weer niet. Het kwam er ongeveer op neer dat niets deugde en Amsterdam niet langer Amsterdam was.

De buurman had helemaal geen zin om de eindeloze monologen van meneer K. aan te horen. ‘Je moest altijd naar hem luisteren, hij luisterde nooit naar jou, mijn vrouw werd daar ook helemaal gek van.’

Het ergste was als ze hem hier in het portiek tegenkwamen, dan was er geen ontsnappen aan, buiten konden ze soms nog snel een hoek om slaan, al was hij ook weleens achter ze aan komen hollen.

Als hij in het trappenhuis begon te ratelen, gingen ze na een poosje gewoon naar binnen en draaiden de voordeur op slot. Ze hoorden meneer K. dan in z’n eentje doorpraten. ‘Hij had niet eens in de gaten dat je er niet meer was.’

Ratten

Vroeger kluste meneer K. volgens de buurman beneden in het berghok aan een brommertje. Om de motor van dat brommertje te kunnen laten lopen zonder zelf te stikken in de uitlaatgassen had hij een gat in de buitenmuur geboord.

Dat mocht natuurlijk niet, maar dat kon meneer K. niks schelen. Vervolgens waren er door dat gat ratten naar binnen gekropen. ‘Hij was zo bang voor die beesten dat hij dat hok niet meer in dorst.’

Op het brommertje zagen ze hem nooit meer rijden, waarschijnlijk staat het nog in het hok, de mensen van Team Uitvaarten moeten er nog maar eens gaan kijken. Veel zal het brommertje niet waard zijn, want volgens de buurman was het destijds al een wrak.

Een vrouw

Ooit zou er een vrouw in het leven van meneer K. zijn geweest. De buurman, die al een halve eeuw in de portiekflat aan de Hoek van Hollandstraat woont, zegt dat deze relatie niet lang standhield omdat meneer K. alleen maar op haar geld zou zijn uit geweest.

Of dat laatste waar is valt niet te controleren, maar misschien was de komst van de vrouw reden om de woning op te knappen. Misschien was zij ook degene die in het veronderstelde Frankrijk foto’s bij het zwembad nam.

Na het vertrek van de vrouw, zegt de buurman, heeft meneer K. nooit meer iets ondernomen, al deed hij dat ervoor al evenmin. Volgens de buurman liep overdag weleens een eindje, maar nooit heel ver. ‘Meestal naar de supermarkt en terug.’

Klassiekers en pulp

Uit de administratie blijkt dat meneer K. abonnementen had op betaaltelevisiezenders, zoals Canal+. In de woning liggen ook best veel dvd’s, die hij vanuit het bed in de woonkamer bekeek.

De kleine monitor, op een laag, viezig kastje, is met een kleverige draad verbonden met een blu-rayspeler. De smaak van meneer K. was erg breed, er valt eigenlijk geen peil op te trekken.

Hij hield van oude klassiekers, dus van het soort films waar hij posters van had opgehangen, maar ook van kinderfilms en Nederlandse pulp, zoals Liever verliefd en Komt een vrouw bij de dokter.

Mogelijk las hij ook een beetje, want er liggen verspreid door de woning wel wat boeken, die deels ook worden gebruikt om andere voorwerpen te stutten. Het gaat dan om een zoveelste uitgave van Kees van Kooten en nogal wat goedkope thrillers. Misschien dat hij die boeken en films uit van die straatbibliotheekjes tevoorschijn had getrokken.

Lege blikken en flessen bier slingeren overal rond, vooral in de keuken, die zo goor is dat we er beter over zwijgen. Meneer K. spuugde er niet in, zoals ze in Zweden zeggen.

Hij rookte als een ketter. Vloeitjes, tabak, aanstekers, lucifers en overstromende asbakken zijn omnipresent. Als je dat allemaal zo ziet, is het een klein wonder dat er nooit brand is uitgebroken.

Het is niet vreemd dat meneer K. ziek werd. Hij schijnt zelf naar het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te zijn gegaan, waar kanker werd geconstateerd. Er was niet veel meer aan te doen, op 3 mei overleed hij.

Ruzie

Voor hij doodging zei hij tegen de verpleging dat niemand van zijn verscheiden op de hoogte hoefde te worden gebracht. Ze probeerden hem op andere gedachten te brengen, maar dat is niet gelukt.

Zo kwam meneer K. als casus bij Team Uitvaarten terecht, nadat zijn lichaam door uitvaartonderneming PC was opgehaald en in het mortuarium aan de Ookmeerweg in Osdorp in de koeling was gelegd.

In de portefeuille van meneer K. trof Team Uitvaarten een handgeschreven briefje aan. ‘Geen familie waarschuwen, ruzie’, stond daarop. Naar de twee veel oudere zussen – eentje leefde niet meer – was toen echter al een brief gestuurd.

De twee zussen reageerden niet. Kennelijk is er zeer lang geleden iets gebeurd waardoor ze hun door extreme eenzaamheid geteisterde broertje, dat 67 werd, nooit hebben kunnen vergeven.

Met Neeltje Maria Min bewijs ik meneer K. op vrijdag 22 mei een laatste eer. Min leest haar gedicht, ik laat iets uit het celloconcert van Dvořák voor hem spelen. Waarschijnlijk hield hij daar niet van, maar voor een mopperkont is dat juist wel weer passend.

Voor meneer K.,

Ik heb op 4 mei aan de Amstelveenseweg gestaan
– Dodenherdenking, 2 minuten stilte -.
Uw stilte was de dag ervoor al ingegaan.

U kent mij niet. Ik weet niet veel van u.
Ik weet alleen dat u bent overleden.
En wie er om uw sterven heeft gebeden
Is niet aan mij bekendgemaakt.

U maakte ruzie met familieleden,
u was een knorrepot,
u had geen opgeruimde aard.
De rommel die u jaren had bewaard
stond kniehoog tussen stapels boeken in de kamers.

Geachte meneer K.,

Wij zijn hier aan de Spaarndammerdijk.
Hier valt voor doden weinig te beleven.
Met grote regelmaat dendert een trein
langs die naar Alkmaar gaat.

Ik zeg u: vanaf nu
ontfermt Sint Barbara zich over u.
Met man en macht. Met hand en zand.

Rust zacht

Neeltje Maria Min schreef dit gedicht speciaal voor de gestorvene en las het bij de uitvaart voor.

Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next