Strafrecht Juristen hebben de neiging om een gebeurtenis zodanig op te delen in losse stukjes dat het nauwelijks nog beschrijft wat er is gebeurd, stelt advocaat Richard Korver. Het gevaar daarvan is dat het recht daardoor gezag verliest.
Actievoerders van Dolle Mina zijn bij de rechtbank.
Op het Vrouwe Justitiaplein in Utrecht stonden op 9 juli vooral vrouwen te demonstreren tegen een rechterlijke uitspraak. De bijeenkomst was georganiseerd door de Dolle Mina’s. Aanleiding was de vrijspraak in een zaak rond een zeventienjarig meisje dat naar huis wilde, een lift kreeg aangeboden van twee mannen van 44 en 47 jaar en aangeschoten met hen eindigde op de achterbank van een auto op een verlaten parkeerterrein.
Richard Korver is advocaat bij bureau Brandeis, voorzitter van LANGZS, het Landelijk Advocaten Netwerk Gewelds- & Zeden Slachtoffers, en vice-president van VOCAL, de Victims of Crime Association of Lawyers.
Daar vonden vergaande seksuele handelingen plaats. Zij verklaarde dat zij die niet wilde. Kort nadat zij thuis was afgezet, belde zij volledig overstuur een vriendin en zei dat ze door twee mannen was verkracht. De rechtbank vond haar verklaring over wat de mannen met haar hadden gedaan betrouwbaar. Toch werden de mannen vrijgesproken.
Het Openbaar Ministerie had de zaak niet toegespitst op het ontbreken van haar wil, maar op de vraag of zij zich in een „bijzonder kwetsbare positie” bevond. De rechtbank vond dat niet bewezen. Een rechter mag alleen oordelen over de beschuldiging die het OM aan hem voorlegt.
Juridisch valt dat uit te leggen. Dat veel mensen de uitkomst desondanks niet begrijpen, is terecht. Dan is de vraag of de rechtsstaat heeft gefaald geen vreemde. Voor het meisje maakt dat uiteindelijk weinig uit.
Wij juristen maken van gebeurtenissen een juridische werkelijkheid. Wij vertalen wat mensen overkomt in bestanddelen, bewijsregels, opzet, schuld, causaliteit en tenlasteleggingen. Zonder die vertaalslag dreigt willekeur.
Maar juristen zijn ook uitstekend in staat hun eigen werkelijkheid zo sluitend te maken dat zij nauwelijks nog contact heeft met de wereld waarover wordt geoordeeld. Dan kan de redenering juridisch kloppen, terwijl betrokkenen niet meer herkennen wat er werkelijk is gebeurd. Wanneer dat contact verdwijnt, verliest het recht niet meteen zijn geldigheid, maar wel zijn gezag.
De onvrede onder slachtoffers over uitspraken in gewelds- en zedenzaken wordt te makkelijk afgedaan als emotie of een roep om hogere straffen. Zij begrijpen heel goed dat een verdachte pas mag worden veroordeeld als het bewijs daarvoor bestaat. Hun vraag is een andere: ziet het recht eigenlijk wel wat vrouwen wordt aangedaan?
En dan hoor ik in mijn spreekkamer steeds vaker de gevaarlijkste vraag die een rechtsstaat kan horen: heeft het eigenlijk nog wel zin om aangifte te doen?
Die vraag komt voort uit het verlies van vertrouwen in de bereidheid en het vermogen van politie, Openbaar Ministerie en rechters om de verklaring en ervaring van het slachtoffer werkelijk te onderzoeken, de feiten juridisch juist ten laste te leggen en de zaak als geheel te beoordelen. Als vrouwen verwachten dat hun ervaring onderweg juridisch verbleekt, blijven zij thuis. Dan verdwijnt geweld uit het zicht.
Waar vertrouwen verdwijnt, komt eigenrichting dichterbij. Eigenrichting begint niet bij woede, maar bij verloren vertrouwen. Dat verlies wordt gevoed wanneer juridische conclusies niet aansluiten bij feiten die de rechter zelf heeft vastgesteld. Twee Amsterdamse wurgingzaken laten dat zien.
In de ene zaak kneep een man de keel van zijn partner dicht totdat zij het bewustzijn verloor en zijn dochter tussenbeide kwam. De politie zag meerdere bloeduitstortingen in haar nek. Het hof stelde vast dat de man lang en krachtig genoeg had geknepen om bewusteloosheid en bloeduitstortingen te veroorzaken.
Toch volgde vrijspraak van poging tot doodslag. Het hof kon niet vaststellen dat de man zo lang én zo hard had geknepen dat een aanmerkelijke kans op overlijden bestond. Het werd poging tot zware mishandeling.
In de andere zaak sleepte een man een vrouw ’s nachts naar een afgelegen plek en hield haar ongeveer vier minuten in een nekklem. Wanneer zij schreeuwde, trok hij die strakker aan. Zij kreeg amper lucht, hoorde zichzelf gorgelen, werd geslagen en hoorde dat dit haar laatste avond zou zijn.
De rechtbank veroordeelde hem voor poging tot verkrachting. Niet voor poging tot doodslag. Zelfs niet voor poging tot zware mishandeling. De exacte intensiteit en kracht van de nekklem konden niet worden vastgesteld.
Ik ben strafrechtadvocaat en sta slachtoffers, nabestaanden én verdachten bij. Ik weet dat een rechter niet mag veroordelen omdat een plein dat verlangt. Ik weet ook dat niet iedere greep naar een keel automatisch een poging tot doodslag is.
Maar ik krijg dit niet uitgelegd. Niet aan de vrouw die bewusteloos raakte. Niet aan haar kind dat het zag gebeuren en ertussen sprong toen haar moeder bewusteloos raakte. Niet aan de vrouw die zichzelf hoorde gorgelen terwijl haar werd verteld dat zij zou sterven.
Hoe moet een vrouw tijdens een wurging vaststellen hoeveel druk op haar keel wordt uitgeoefend en hoeveel seconden haar luchtweg of bloedtoevoer wordt afgesloten? Zij draagt geen krachtmeter om haar hals. Zij probeert in leven te blijven. Een rechter mag ontbrekend bewijs niet verzinnen. Maar het ontbreken van een exacte meting maakt de rest van de werkelijkheid niet ongedaan.
Bewusteloosheid. Gorgelen. Amper lucht krijgen. Minutenlang een nekklem. Slagen tegen het hoofd. Doodsbedreigingen. Dat zijn geen losse details. Dat is één aanval.
Toch hebben juristen de neiging zo’n gebeurtenis uiteen te trekken. De doodsbedreiging kan ook alleen als dwangmiddel zijn bedoeld. Het zichtbare letsel was niet spectaculair. De precieze kracht is onbekend.
Ieder onderdeel krijgt zo een minder ernstige uitleg. Aan het einde van de juridische analyse is de gebeurtenis zelf verdwenen.
Een vrouw die leest dat bewusteloosheid na wurging onvoldoende is voor een aanmerkelijke kans op de dood, en dat minutenlang keelgeweld, ademnood, gorgelen en doodsbedreigingen zelfs geen poging tot zware mishandeling opleveren, leest dat wat zij heeft meegemaakt juridisch niet ernstig genoeg was.
Misschien bedoelt de rechter dat niet. Maar dit is wel wat de uitspraak de samenleving zegt. Wie gezag verlangt, moet overtuigend uitleggen waarom de toepassing van een juridisch criterium nog herkenbaar recht doet aan de feiten.
Kritiek op een uitspraak is geen aanval op de rechtsstaat, maar noodzakelijk onderhoud. Een rechterlijke macht die maatschappelijke kritiek als juridisch onbenul behandelt, snijdt zelf de band met de samenleving verder door.
Daarbij moet de kritiek wel op de juiste plek terechtkomen. In de Utrechtse zaak ligt een belangrijk deel van het probleem bij het Openbaar Ministerie. De rechtbank schreef zelf in zijn vonnis dat het dossier aanwijzingen bevatte dat de wil van het meisje mogelijk ontbrak. Maar de tenlastelegging was daarop niet gebaseerd. Dat maakt de vrijspraak juridisch begrijpelijker, maar het falen niet kleiner.
Dat is geen pleidooi om de bewijslat te verlagen. Het is een pleidooi om beter bewijs te verzamelen en de bestaande feiten minder kunstmatig te beoordelen. Juridische precisie zonder kennis van de werkelijkheid is geen precisie. Het is schijnzekerheid. Een toga alleen geeft geen gezag. Gezag wordt verdiend door vakmanschap, onafhankelijkheid, moed en een motivering waarin mensen de werkelijkheid herkennen waarover recht wordt gesproken.
Ik wil geen rechtspraak die zich door demonstraties laat voorschrijven wie zij moet veroordelen. Ik wil rechtspraak die begrijpt waarom mensen demonstreren. Dat is iets fundamenteel anders. De demonstranten op het Vrouwe Justitiaplein vroegen niet om afschaffing van de rechtsstaat. Zij vroegen de rechtsstaat hen te zien. Zij verlangen dat politie, Openbaar Ministerie, advocatuur en rechtspraak zich afvragen hoe het kan dat hun gezamenlijke product zo ver verwijderd raakt van de werkelijkheid van de mensen voor wie het recht bestaat.
Want zodra de juridische werkelijkheid de echte wereld niet meer raakt, kan een uitspraak juridisch geldig zijn, maar is dat recht geen recht meer.