Vera Idan-Rosenzweig is 100 jaar. De Israëlische overleefde verschillende concentratiekampen, ondanks alle wreedheid is ze altijd optimistisch gebleven. ‘Laatst heb ik een van mijn zoons aan AI laten vragen hoe oud ik zal worden.’
schrijft vanuit Istanbul over Turkije, Iran, Israël en de Palestijnse gebieden.
De tienerjaren van de Joodse Vera Idan-Rosenzweig, geboren in 1926 in Tsjechoslowakije, in een notendop: Duitse bezetting, getto Theresienstadt, Auschwitz, naziwerkkamp Christianstadt, een ‘dodenmars’ van zes weken, te voet door de winterkou, concentratiekamp Bergen-Belsen, herstelkamp in Zweden.
Waar zullen we beginnen? Waar wilt u het het liefst over hebben?
‘Over mijn heerlijke jeugd. Ik leef op mijn mooie jeugdherinneringen. Daardoor ben ik zo oud geworden. Mijn moeder was een geweldige vrouw. Ze moet heel intelligent geweest zijn. Ze had weinig onderwijs gehad, maar ze wist zoveel. Ze wees me de sterren aan en wist alle namen, in het Grieks en Latijn. Ze kende alles wat groeide, elke bloem. Ze reed paard, speelde piano, ze was een echte bohemienne. Ik leef in haar voort.’
De serie met interviews met 100-jarigen gaat deze zomer de grens over. In juli en augustus vertellen eeuwelingen uit de hele wereld over hun leven. Vandaag aflevering 2.
Was het een typisch Joods gezin?
‘Nee. Mijn moeder zei wel ‘Vergeet niet dat we Joods zijn’, maar ik wist niet wat dat was. We spraken Duits thuis. Aan sjabbat en Joodse feestdagen deden we niet. Wel hadden we een kerstboom met Kerstmis en we vierden Sint Nicolaas.’
Toen kwamen de nazi’s, zij maakten wel duidelijk dat jullie Joods waren.
‘In 1939 werden alle Joodse mannen van 18 jaar en ouder uit Ostrava, waar we woonden, naar Polen gestuurd om te werken. Mijn vader ook, maar hij ontsnapte naar Rusland. We hebben hem nooit meer gezien, hij overleed in 1943.
‘In 1942 werden wij – mijn moeder, mijn zusje Miryam en ik – overgebracht naar getto Terezin (doorgangskamp Theresienstadt in Tsjechoslowakije, red.). Mijn vriendje Otto, die later mijn man werd, en veel andere vrienden en vriendinnen gingen er ook heen.
‘We hadden een hechte vriendengroep. We zaten in Ostrava al bij dezelfde jeugdclub en sportvereniging, waar ik Otto heb ontmoet. Met hen hebben we het grootste deel van de oorlog doorgebracht. We gingen allemaal naar Terezin en we werden diverse keren samen op transport gesteld. Wij namen de leiding, zorgden dat iedereen in de treinen een plekje voor zichzelf had, richtten een toiletruimte in. Wij werden als het ware de volwassenen. Ook later tijdens de dodenmars, van werkkamp Christianstadt naar Bergen-Belsen, hadden we steun aan elkaar.’
Dat moet vreselijk zijn geweest, de dodenmars.
‘We hebben zes weken lang 20 kilometer per dag gelopen. Het was winter, het regende. Miezerige, typisch Europese regen. We sliepen buiten. Ik droeg klompen. Mijn tenen waren bevroren, ik heb nog altijd last van mijn voeten. We liepen in rijen van vijf. Ik met mijn moeder, mijn zusje, een nicht en haar dochter. We hoorden bij de eerste honderd. Dat was gunstig, want degenen die achteraan komen, zakken altijd in. En gelukkig was er een aardige Duitse bewaker, die ons af en toe extra voedsel toestopte.’
Kleindochter Tal (40), die het gesprek bijwoont, zegt: ‘Typisch Vera. Ze benadrukt altijd de goede dingen, zoals de aardige Duitser en de hechte vriendengroep. En ze negeert ontberingen zoals die in Theresienstadt.’
Vera: ‘Mensen kunnen meer verdragen dan ze denken. Maar duizenden hebben de dodenmars niet overleefd. Als we zagen dat een van onze vriendinnen ’s ochtends verzuimde haar haar te kammen en haar kleren een beetje in orde te maken, maakten we ons zorgen. Dan wisten we dat ze het had opgegeven en de volgende dag niet meer zou leven.
‘Daarom verzorg ik mezelf nog elke ochtend. Douchen, mijn haar doen, make-up, netjes aankleden, mijn sieraden. Ook als ik nergens heen hoef. Nooit rondhangen in pyjama, dat is heel belangrijk.’
Wacht even, we hebben Auschwitz overgeslagen. Hoe was dat?
‘Toen we aankwamen, zeiden mensen die er al langer zaten: kijk, over drie maanden zijn jullie daar. Dan wezen ze naar de rook uit de ovens. Daarom werd er een opstand voorbereid. We waren voorbereid op de dood, maar wilden laten zien dat we nog steeds de kracht hadden om iets te doen. Mannen hadden blikken nafta geregeld, een brandbaar materiaal om op de hekken te gooien die onder stroom stonden.
‘Fredy Hirsch, onze jeugdleider in B2B, het familiekamp, was er ook bij betrokken. Hij was onze God. De Russen zouden meedoen, maar zagen ervan af toen ze opeens beter werden behandeld omdat het Rode Leger eraan kwam. Uiteindelijk ging de opstand niet door omdat we naar het werkkamp werden gestuurd, Christianstadt. Bij de selectie kon je naar links worden verwezen of naar rechts. Links was werken, rechts was de gaskamer.
‘We hadden geluk dat mijn zusje Miryam blond haar en blauwe ogen had, ze zag er Arisch uit. Ze is drieënhalf jaar jonger dan ik, ze was 15. Eigenlijk kwamen kinderen van haar leeftijd niet in aanmerking voor werk, ze gingen naar de gaskamers. Er kwam een Duitse architect om arbeidskrachten te selecteren voor huizenbouw in Christianstadt. ‘Dit meisje, dit meisje, dit, dit, dit’, wees hij aan. Wij drongen erop aan dat Miryam met ons mee zou gaan. Zo gebeurde het. Een kwestie van geluk.
‘Ik heb al die tijd één keer gehuild. Dat was toen de helft van onze Terezin-groep met de trein aankwam in Bergen-Belsen, waar wij inmiddels al waren. Wij hadden net de dodenmars achter de rug, maar zij niet, zij hadden in een kamp bij Hamburg gezeten. Toen ik hen zag, besefte ik pas hoe slecht wij eraan toe waren. Wij waren Muselmänner, uitgemergelde kampbewoners. Ik woog 28 kilo.’
U en uw man zaten beiden in Auschwitz en andere kampen. Heeft de Holocaust een groot stempel gedrukt op uw gezin? Heeft u er veel met uw drie zoons over gepraat?
‘Nooit. Niet met mijn man, niet met mijn zus, niet met mijn kinderen. Toen Tal ooit van school een werkstuk moest maken over de Holocaust en me ernaar vroeg, zei ik: ga maar naar je andere opa en oma, die hebben ook in Auschwitz gezeten.
‘Pas toen ik al in de zeventig was, heb ik er voor het eerst over gepraat. Steven Spielberg maakte een documentaire over de Holocaust. Zijn researcher kwam hier. Toen ik haar vragen beantwoordde dacht ik: o, zo moeilijk is het niet. Het was alsof ik het over iemand anders had.
‘Daarna ben ik er niet meer mee opgehouden. Ik heb lezingen gegeven op scholen, in het leger, overal, ik weet niet hoe vaak. Ik zit ook in een andere film, Numbered, over overlevenden van de Holocaust en het nummer op hun arm.’ (Ze laat het getatoeëerde nummer op haar linker onderarm zien.)
Het is erg vaag, welk nummer is het?
‘Dat weet ik niet. Een A met vier cijfers, meer hoef ik niet te weten. De filmmaker werd boos omdat ik het nummer niet zei. Wat heb je eraan? Ik begrijp mensen niet die zeggen ‘Ik was maar een nummer.’ Ik was geen nummer, nooit! Nooit heeft iemand me tot een nummer kunnen maken.’
Na de bevrijding in Bergen-Belsen gingen Vera en Miryam naar een Zweeds herstelkamp. Hun moeder was kort daarvoor in het kamp overleden aan typhus, een ziekte die beide zussen in Zweden op het randje van de dood bracht. Op het station van Praag volgde voor Vera het weerzien met Otto, die na Auschwitz in Schwarzheide was terechtgekomen, een ander werkkamp.
‘Na de oorlog stond het voor ons vast dat we naar Palestina wilden, zoals het toen nog heette. In 1949 vertrokken we per boot naar Israël, ik was zeven maanden zwanger. Eerst mochten we van de Britten niet van boord, ze wilden ons naar Cyprus sturen. Misschien was dat omdat Otto communist was. Dankzij bemiddeling van een oom die in de haven werkte, mochten we toch aan wal.’
Communist in 1949? Dus jullie waren aanhangers van Stalin?
‘Aanvankelijk wel. We hebben twee keer op de communistische partij gestemd. We gingen naar een socialistische kibboets, met jonge mensen uit allerlei landen. Maar niet uit Rusland of Polen, dus niemand kon ons vertellen hoe het er onder het communisme echt aan toe ging. Op papier was communisme prachtig, de slechte verhalen over Rusland waren moeilijk te geloven.’
U bent wel links gebleven? Of stemt u inmiddels op premier Benjamin Netanyahu?
‘Geen denken aan! Als ik beter ter been was, zou ik hebben deelgenomen aan de demonstraties tegen deze regering. Als we willen dat Israël blijft bestaan, moet er iets veranderen. Israël is snel oud geworden. Niet de mensen, het denken. Kijk wat er de afgelopen drie jaar is gebeurd. Ben ik daarvoor ooit naar Israël gekomen? We hadden een vredig leven kunnen hebben in Tsjechië. Ik zeg dat niet voor mezelf, maar voor mijn kleinkinderen en achterkleinkinderen.’
Na tien jaar in de kibboets verhuisde het gezin Idan naar het dorp Michmoret. Otto was smid, later docent. Hij overleed in 1984. Vera was naaister en later hulpverlener in de jeugdzorg. Na haar pensionering op 72-jarige leeftijd bleef ze daarin nog lang vrijwilliger. Met haar man, en later alleen, bezocht ze de Verenigde Staten, Europa en Afrika.
‘Ik ben altijd actief gebleven, moe word ik niet. Ik heb tot voor kort gebeeldhouwd, ik schilder, ik puzzel, ik kaart met vrienden, ik lees op de e-reader, vooral boeken over geschiedenis. Eén keer per dag kijk ik het tv-nieuws, ik wil niet dom zijn. Ik wandel dagelijks met een van mijn zoons of met Jona, mijn Filipijnse hulp. ’s Zomers zwem ik elke dag 40 minuten. Ik deed altijd schoolslag, tien jaar geleden heb ik borstcrawl geleerd. Soms, als Jona roept dat de 40 minuten om zijn, doe ik alsof ik haar niet hoor, dan trek ik nog een paar baantjes.
‘Laatst heb ik een van mijn zoons aan AI laten vragen hoe oud ik zal worden. De reactie van AI was: ‘Met het leven dat zij geleefd heeft, kunnen we daar geen antwoord op geven.’’
Vera Idan-Rosenzweig
Geboren: 20 april in Košice (Tsjechoslowakije).
Woont: zelfstandig in Michmoret (Israël).
Familie: drie kinderen, 7 kleinkinderen, 13 achterkleinkinderen (‘Mijn overwinning op de Duitsers’).
Beroep: naaister, hulpverlener jeugdzorg.
Weduwe sinds 1984.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant