is redacteur van Zondag en televisierecensent van de Volkskrant.
Ze vond hem wat ongeduldig, de man tegenover haar, die zo zat te schuiven in zijn stoel. Na een half uur in zijn gezelschap maande Janine Abbring haar eerste Zomergast, cabaretier Peter Pannekoek (1986), al tot rust. ‘Ik merk dat ik door jouw hoge tempo óók in een hoog tempo ga zitten’, verzuchtte ze.
Pannekoek beloofde stiltes te laten vallen. Schertsend. Hij wilde enthousiasmeren, een vuurtje doorgeven. Abbring daarentegen wilde graven, zocht naar verstilling, verweet hem gaandeweg alles maar te nuanceren. Ze kon zijn gestuiter niet bijbenen.
Pannekoek zat klaar voor zijn ideale televisieavond, Abbring voor een gesprek.
Ik had er bijna de Myers-Briggs-stest bijgepakt, of iets getypt over een rode versus een blauwe persoonlijkheid, maar ik neem mijn bocht nu lekker kort: volgens mij mogen ze elkaar gewoon niet zo, dacht ik op gegeven moment. Over een vraag die Abbring naar eigen zeggen probeerde te ontwijken, merkte Pannekoek op: ‘nou, stel hem dan niet’. Toen haar gast even later aarzelde bij een inleiding, kaatste zij een kribbig ‘Het zijn jouw fragmenten, Peter’ terug. Abbring die een anekdote over een eerdere ontmoeting inleidde met: ‘wij zijn geen vrienden, of zo.’ Pannekoek die later tegen haar uitviel:‘ Je kunt ook positieve dingen zeggen.’
Het knetterde een beetje, door dat spanningsverschil. Pannekoek bleek van de hoge frequentie: intensiteit was de gemene deler in zijn fragmenten, van om te beginnen de brute comedians-comedian Doug Stanhope, een seksscène uit Lena Dunhams Girls en een giechelende Valerio Zeno en Dennis Storm die met kunstmatige pijnstoten ervoeren hoe het is om te bevallen, BNN bij uitstek. ‘Het summum van goede televisie’, vond Pannekoek.
Zat-ie dan, met die pretoogjes aanstekelijk te zijn, als pleitbezorger van overgave.
Maar Abbring wilde meer. Het kwam er mondjesmaat, in wat uitgekauwde gesprekken over tijd (‘het meest kostbare wat we hebben’) en eerlijkheid (‘liever een goed gelogen verhaal dan een saaie waarheid’). Ach ja.
Aan zijn wat kille jeugd wijdde Pannekoek weinig woorden; het leeuwendeel scheen hij vergeten, de vroege dood van zijn vader hakte er minder in dan verwacht. Kwam door Jordy, ‘zijn 9/11’, de jeugdvriend die overleed bij een scooterongeluk, aan wie hij zijn tranen al had opgemaakt.
‘Ik was erbij in het ziekenhuis toen hij werd doodverklaard’, hoorde Abbring, na een fragment uit het heftige Manchester by the Sea, ook over het verliezen van een kind. Plots kon de komiek er wel bij, dat verdriet dat nu ‘gestold is’ en dat je er met ‘een pikhouweel moet uitslaan’.
Om dat vervolgens toch weer af te dekken met ‘de dood hoort ook echt bij het leven’. Nu ga je weer relativeren, corrigeerde Abbring hem. ‘Dat mag ook’, vond Pannekoek.
Gelukkig was er nog zoiets als de zekerheid van een volgend fragment.
Source: Volkskrant