Home

Het trauma van de spotgoedkope busreis

Steeds vaker lees ik over budgetreizen: zo goedkoop mogelijk op een plek komen die je zo weinig mogelijk aan thuis doet denken. Vervoersmaatschappijen blijken ongelooflijk inventief. Er is altijd wel iets waar nog verder op kan worden bezuinigd, of het nou gaat om beenruimte of rusturen van de chauffeur. Reizigers die een niet al te dure reis binnen Europa willen maken, mogen kiezen hoe ze deze zomer hun eindbestemming willen bereiken: wegkwijnend in een touringcar met kapot aircosysteem, rechtop slapend in de nachttrein of hangend uit een kapot vliegtuigraampje.

Alleen al deze maand verschenen er twee beklemmende reportages over budgetvriendelijk (lees: mensonterend) reizen. De Telegraaf deed voor hoe je voor 119 euro in zo’n monsterlijke, felgroene bus van Amsterdam naar Barcelona komt, de Volkskrant probeerde een nieuwe treindienst die de reiziger voor prijzen vanaf een tientje naar Berlijn brengt. Goedkoop, dat zeker, al is de werkelijke prijs die je betaalt je waardigheid, en je rug.

Het schijnt zoals altijd weer eens een kwestie van vraag en aanbod te zijn. Blijkbaar is de vraag naar spotgoedkope reistickets hoog, en wie zijn de vervoersbedrijven dan om niet te leveren. Zo klinkt het net alsof reizigers voor hun lol vierentwintig uur in een dubbeldekker met één toilet gaan zitten, terwijl de werkelijkheid is dat het leven, en daarmee ook op reis gaan, zo gruwelijk duur is dat deze vorm van transport de enige manier is om nog eens buiten de landsgrenzen te komen.

Als kind heb ik er ook eens aan moeten geloven, toen we met het gezin op een busreis naar Frankrijk gingen. De vakantie herinner ik me niet, maar wel de terugreis, en dan specifiek het moment waarop de chauffeur ons midden in de nacht op een verlaten bedrijventerrein in de periferie van Amsterdam – de eindbestemming – eruit gooide. De andere reizigers waren al eerder uitgestapt, we waren alleen, omsingeld door een ontvangstcomité bestaande uit een paar louche types. Ik wist zeker dat we eraan gingen. Mijn ouders, die dit kennelijk niet hadden voorzien, bestelden toen maar een taxi, die zo duur was dat we net zo goed met het vliegtuig hadden kunnen gaan.

Jaren na mijn eerste busreis was het trauma zo diep weggezakt dat ik het aandurfde om met een aantal vrienden de Flixbus naar Gent te nemen. Zo ver was dat niet en bovendien waren de ramen geblindeerd, zodat niemand je erin kon zien zitten. We namen plaats op de achterbank, alles verliep voorspoedig, de kotszakjes bleven leeg en er waren stoelriemen die we om hadden kunnen doen. Ter hoogte van Den Haag waren we al zo’n twintig keer gestopt om mensen in en uit te laten, maar de chauffeur hield het telkens kort.

Zwaar werd het pas tot er een alleen reizende man voor ons kwam zitten. Hij draaide zich om en heeft nooit meer naar voren gekeken – wagenziekte was hem helaas vreemd.

„Ik zie dat je een zak pistachenoten bij je hebt”, zei hij tegen een vriendin van me. Dat klopte, hij was van de opmerkzame soort.

„Houd ik zelf ook erg van. Wist je dat ze oorspronkelijk uit Mesopotamië komen? Je hebt daar zo’n gebied, de halfvolle vruchtbare…”

„De vruchtbare halvemaan”, hielp ze hem.

„Ja”, zei hij. „Precies.”

Zonder oortjes muziek luisteren was verboden, maar dit mocht allemaal maar gewoon. Zelfs een handje noten was niet genoeg om hem zijn kop te laten houden.

We wisselden hem af, na elke stop ging er iemand anders achter hem zitten om zijn verhalen aan te horen. Dan kletste hij gewoon door alsof hij dezelfde persoon voor zich had.

Op de zoveelste parkeerplaats – hij was even naar de wc – bliezen we stoom af.

„De auto is een prachtige uitvinding”, verzuchtte een van mijn vrienden.

Reizen

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next