Home

Schrijven over leven en dood lukt de Poolse auteur Małgorzata Lebda het best in de vraatzuchtige natuur

Het duurde even voor Małgorzata Lebda de precieze taal had gevonden voor haar romandebuut Onstilbaar – tien jaar maar liefst. Terug op het platteland van haar jeugd, waar de wetten van leven en dood regeren, klikte het. ‘Alles wordt opgeslokt. Dat fascineert me enorm.’

is correspondent Centraal- en Oost-Europa van de Volkskrant. Hij woont in Warschau.

Het begon met een dode vos.

‘Op een dag vond ik in het beekje achter mijn huis het ontbindende lichaam van een vos’, zegt de Poolse schrijver Małgorzata Lebda (40) over haar debuut Onstilbaar. ‘Ik ging naar binnen en schreef de eerste zin op. Daarna ben ik maandenlang, tijdens het schrijven, naar die plek gegaan. Ik zag wat het water in dat beekje met het vossenlichaam deed. Die plek bood me de enscenering voor de hele roman.’

Voordat Lebda zich toelegde op haar eerste roman was ze al een bekend dichter met meerdere bundels op haar naam. Ook haar prozastijl is ontegenzeggelijk poëtisch. Misschien was daarom dat ene beeld zo belangrijk, zoals in haar gedichten, als startschot voor de roman.

Onstilbaar verscheen in 2023 in Polen en werd genomineerd voor de Nike, de belangrijkste Poolse literatuurprijs. Dit voorjaar verscheen de Nederlandse vertaling van Charlotte Pothuizen bij uitgeverij Koppernik.

ZOMERSERIE: SCHRIJVER IN EUROPA

Wat bindt Europese schrijvers? Is er sprake van een Europese cultuur? En hoe zie je die terug in de literatuur? Een wekelijkse interviewreeks met zes prominente schrijvers uit Zwitserland, Italië, Noorwegen, Ierland, Polen en Nederland.

De roman speelt zich af in het fictieve dorp Maj in de Beskiden, een gebergte in het zuiden van Polen en een van de dunst bevolkte gebieden van het land. De verteller, een dichter die ’s avonds laat de kost verdient door op afstand codes te schrijven voor computerprogramma’s, keert terug naar haar geboortedorp in het gezelschap van een andere vrouw, Ann.

Hun relatie is ambigu – de roman laat in het midden of ze vriendinnen of geliefden zijn. Maar ze zijn in elk geval ‘zussen in ontbinding’, schrijft Lebda, wat alles te maken heeft met hun voornaamste taak: de zorg voor Róża, de stervende grootmoeder van de verteller. Ze heeft kanker, de ziekte verteert haar gestaag. Grootvader heeft het er niet makkelijk mee. Hij onttrekt zich aan het ziekteverloop en richt zijn blik elders.

Rondom dit intieme portret van de familie en de ziekte trekt Lebda steeds grotere cirkels: het huis waarin ze wonen, dat gebukt gaat onder vocht, schimmel en verval; het dorp, waar het huis pal naast een slachthuis staat waar de ‘gutterale, gerekte’ geluiden van de stervende dieren klinken ‘die in plaats van op te lossen in de ruimte boven het dorp kunnen blijven hangen’; de aarde rondom het dorp die in beweging is en tot verzakkingen leidt; de natuur van de Beskiden waar het leven krioelt, vreet, sterft en op zijn beurt wordt verorberd.

Het is een microkosmos die wordt geregeerd door de eeuwige wetten van leven en dood.

Lebda groeide op in de Beskiden. Ze studeerde en woonde vervolgens in Krakau, om later weer terug te keren naar het platteland. Nu woont ze afwisselend in haar geboortestreek en in de zogenoemde Suwałki-corridor, een afgelegen streek in het noordoosten van Polen.

Maar het gesprek vindt plaats in Krakau, van oudsher middelpunt van de Poolse literatuur, een stad van dichters: Czesław Miłosz, Wisława Szymborska, Adam Zagajewski. Lebda treedt op bij een internationaal congres voor vertalers van Poolse literatuur. Vertaler Charlotte Pothuizen, die van Onstilbaar een ritmische en beeldende vertaling heeft gemaakt, is er ook.

Ze schuift op verzoek aan om te tolken.

We zijn in Krakau, een stad waar u lang woonde en die u weer verruilde voor uw geboortestreek op het platteland. Waar voelt u zich eigenlijk het meest thuis?

‘Beslist op het platteland. De twaalf jaar die ik in Krakau heb gewoond zie ik als een brug tussen mijn jeugd op het platteland en nu. Ik heb me altijd voorgesteld dat ik zou terugkeren. Ik groeide op op een boerderij, met dieren, werkend op het land, dagelijks gebruikmakend van het bos. Het is voor mij een volkomen natuurlijke omgeving.

‘Zelfs in Krakau, waar ik heb gewoond, vind ik het moeilijk om me te oriënteren. Er zijn te veel prikkels en het is te lawaaiig. Op het platteland kom ik tot rust en vind ik evenwicht. Ik keerde niet alleen terug naar het dorp, maar ook naar de opmerkzaamheid van mijn kindertijd. De eerste jaren van mijn leven raakten mijn zintuigen afgestemd op het platteland. Het geluid van een kat die een vogel verorbert staat me nader dan dat van een rijdende tram.’

Kunt u die plek beschrijven? Lijkt het op Maj, het dorp uit Onstilbaar?

‘Maj is mijn eigen dorp, het huis is mijn ouderlijk huis. Het huis grenst, net als in de roman, aan een slachthuis.

‘Aan de ene kant is het dorp een oase van rust en schoonheid. Het is organisch: de aarde, het verbouwen van gewassen. Maar aan de andere kant is het een duistere plek. Er zit een hardheid, een meedogenloosheid in. Tussen zulke contrasten ben ik opgegroeid en in Onstilbaar wilde ik dat tonen: wat licht is en wat donker, wat leven is en wat verval en dood.

‘Ik wil niet verkeerd begrepen worden: het is niet zo dat ik het platteland mythologiseer en enkel voorstel als iets idyllisch of engelachtigs. Ik sta meer aan de kant van Czesław Miłosz (grote Poolse schrijver, dichter en Nobelprijswinnaar, red.), die zijn hele schrijversleven in conflict stond met de natuur. Hij benadrukte dat we schrijven over de pracht van de natuur, maar dat daaronder vreselijke dingen gebeuren. Alles wordt opgeslokt. Dat fascineert me enorm.’

De ziekte van de grootmoeder staat centraal in de roman, beschreven over een periode van vier seizoenen waarin de verteller voor haar zorgt. ‘Op de uitgestrekte weide boven aan het dorp denk ik bij mezelf dat iemand die nog nooit met een stervende het bos in is gelopen gelukkig is, maar ook dat iemand die nog nooit met een stervende het bos in is gelopen ongelukkig is’, schrijft Lebda.

Waarom koos u ziekte als een van de uitgangspunten van de roman?

‘Alles wat ik schrijf is in beginsel autobiografisch en deze roman ook. Ik heb mijn moeder vergezeld toen ze ongeneeslijk ziek was. Destijds zocht ik heel erg naar iets in de literatuur… Troost is misschien een te groot woord, maar iets waarin ik mezelf en die ervaring zou kunnen herkennen. Ik vond het heel moeilijk om zoiets te vinden, dus ging ik zelf schrijven.

Die scène in het bos laat waarschijnlijk het sterkst zien wat het contrast is: hoe je die rol als mantelzorger soms kunt haten, maar hoe het ook een zegen kan zijn. Ik wilde geen boek schrijven dat een soort recept zou zijn voor hoe je je moet gedragen als verzorger. Er zijn natuurlijk veel manieren om dat te doen en te ervaren. Maar ik hoop dat het andere mensen misschien van pas kan komen.’

De roman gaat ook over het onvermogen met de ziekte om te gaan, of de taal te vinden voor deze ervaring. In de eerste plaats voor de grootvader, ‘opa, die oma’s ziekte mijdt, wie de ceremonies rondom de ziekte vreemd zijn’. Maar ook voor familie die op bezoek komt. ‘Interessant dat mensen die naar ziekte komen kijken de taal niet kunnen spreken die bij ziekte zou passen, denk ik. Ze praten over de dood, intens, hardnekkig.’ De priester komt niet veel verder dan ‘Blijf bij God’. Op een zeker moment bedenkt de verteller: ‘We moeten de ziekte benaderen, proberen haar te temmen. Haar een naam geven. Ja, zoals je zegt, als een hond. Net als met een hond.’

Hoe heeft u de taal gevonden voor deze roman?

‘De titel Onstilbaar is ontstaan uit een manier van denken over de ziekte en de dingen om ons heen. Ik herinner me dat toen mijn tante op bezoek kwam, ze in tranen uitbarstte, omdat ze niet kon geloven dat de ziekte het lichaam van mijn moeder zo had veranderd. Ik dacht toen bij mezelf dat de ziekte onstilbaar is, gulzig, zoals een dier dat kan zijn, zoals een mens dat kan zijn. Zo begon ik de hele werkelijkheid te observeren. Er zit een drijvende kracht achter al die verschillende processen van verval, en die kracht is dat ze op de een of andere manier onverzadigbaar zijn.

‘Het heeft me tien jaar gekost om de taal te vinden en het was me niet gelukt als ik niet was teruggekeerd naar het platteland. Daar lagen de geuren, de beelden, het licht binnen handbereik. Het werd heel tastbaar.

‘Daarnaast komt het schrijven bij mij voort uit het lichaam. Ik ren veel. De Beskiden zijn een plek waar je tientallen kilometers kunt hardlopen zonder iemand tegen te komen. Het ritme hielp me bij het aanscherpen van het ritme van de roman. Het hardlopen hielp ook om een taal te vinden die op een andere manier aansloot bij iets wat in de Beskiden belangrijk is, namelijk de kerk. Het gezang van de litanie, als een mantra.’

Lebda is behalve schrijver ook ultramarathonloper. In 2021 rende ze in een maand tijd de gehele Wisła af, de langste rivier van Polen. Een tocht van 1.113 kilometer, vanaf de bron in het zuiden van het land tot de riviermonding aan de Oostzee.

Tijdens het trainen schreef ze de dichtbundel Mer de Glace; de tocht zelf verwerkte ze later onder meer in een boek met de Poolse fotograaf Rafał Siderski. Mer de Glace werd in Polen bekroond met de prestigieuze Szymborska-prijs voor poëzie en verscheen eerder dit jaar in een Engelse vertaling bij uitgeverij Fitzcarraldo Editions.

Wat hoopte u te ontdekken op deze tocht langs de Wisła?

‘Ik wilde dicht bij de natuur zijn en fysiek ervaren hoe het is om nabij een organisme zoals een rivier te zijn. Het is een van de wildste rivieren die we nog hebben in Europa. In die periode was er grote onrust in Polen vanwege het aanleggen van de E40, een waterweg van de Oostzee naar de Zwarte Zee. Daarbij zouden dammen worden gebouwd, de rivier zou worden verlegd en natuurgebieden zouden verdwijnen. Ik wilde de rivier nog in al zijn wildheid meemaken.’

‘Deze loop was een doorbraak op verschillende manieren, niet alleen fysiek. Toen ik bij de Oostzee aankwam en daar het water zag, hoe de Wisła zich vermengde met de zee, besefte ik dat het een pelgrimstocht was. Ik ben geen praktiserend gelovige, maar wel zoekende. Het voelde als een cesuur: er is een Lebda van voor en van na deze loop. Het heeft mijn schrijven permanent veranderd, er zit een ritme in mijn zinnen dat voortkomt uit die tocht.’

In het slotgedicht schrijft Lebda: ‘De begrafenis van gletsjers (…) hoe kan er om hen worden gerouwd?’ De titel Mer de Glace verwijst naar een gletsjer in Frankrijk. Het is een van de snelst smeltende gletsjers ter wereld. De mens blinkt eerder uit in kortstondige dan structurele oplossingen, blijkt maar weer: voorlopig is de kabelbaan verplaatst, zodat toeristen de zich terugtrekkende ijsmassa alsnog kunnen bezichtigen.

Hoe zouden we ons moeten verhouden tot klimaatverandering?

‘Het is een onderwerp dat me aan het hart ligt, maar ik ben niet optimistisch, als je ziet hoe regeringsleiders en besluitvormers dit onderwerp terzijde schuiven. Toch ben ik van mening dat het de moeite waard is om te proberen iets te doen. Ik dacht bij mezelf: wat kan literatuur eigenlijk bewerkstelligen, wat kan poëzie bereiken? Mer de Glace is een poging om iets te signaleren. Ik wilde geen gedichten schrijven die manifesten zijn om op een spandoek te zetten, maar die vragen stellen. Dat lijkt me de subversieve kracht van poëzie: vragen stellen en vervolgens iets ontdekken in het schrijven en het lezen.’

Ook in de roman Onstilbaar laat de natuur rondom het dorp zich van haar grillige kant zien. Een aardverzakking bij het slachthuis, waar nacht in, nacht uit dieren worden gekeeld, ziet grootvader als een teken: ‘De aarde neemt wraak.’ De dorpelingen reageren met de botte bijl: ze gieten de scheuren in de aarde vol beton.

Ook het huis is ziek, het vervalt waar de inwoners bij staan. ‘Het lichaam van het huis lijkt op het lichaam van de zieke (…) Het huis is ziek en ik weet niet zeker wier ziekte eerst was, die van oma of van het huis.’ Opa is als gevolg druk in de weer met renovaties, tevens een welkome afleiding voor hem, ‘die oma’s ziekte mijdt’. De zieke grootmoeder, het vervallen huis, de vraatzuchtige natuur: alles is constant in beweging. ‘Alles tikt hier: tiktak, tiktak, tiktak, tiktak het verlies tegemoet.’

De roman laat zich lezen als een portret van een ziekbed, maar ook als allegorie op de klimaatcrisis. Rouw speelt in beide een belangrijke rol. De laatste jaren is het begrip ‘ecologische rouw’ gemunt. Hoe kijkt u daar tegenaan?

‘Onlangs hadden we in Polen drie dagen hevige hitte. Op het platteland houden we schapen, geiten, ganzen, en konik-paarden (klein Pools paard, red.). Niet dat de hitte voor hen leuk was, maar ze konden er wel mee omgaan. Wij stikten daarentegen de moord door de hitte. Toen dacht ik bij mezelf: we praten over de klimaatcrisis in toekomstige zin, maar deze is er gewoon al. We zullen een manier moeten vinden om ermee om te gaan.’

‘Als je bij een zieke bent, lijkt de wereld om ons heen eerder donker dan licht. We hebben de diagnose en we weten waar de ziekte naartoe leidt. Maar wat ik ook wilde laten zien, is een soort bewondering voor kleine dingen en voor het leven. Dat was de sleutel om ermee om te gaan. Ondanks de duisternis die boven ons hangt, laat je iets lichts zien. Iets wat misschien de moeite waard is om even bij stil te staan.’

Behalve de geluiden van het slachthuis hoort de verteller het zingen van de vogels; insecten kruipen door het huis, koeien staan in de wei. Juist de grootmoeder houdt van dit leven en koestert het. ‘Oma kan dat wat leeft niet weerstaan.’ In een treffende terugblik laat ze de koeien vrij, die vervolgens het dorp op z’n kop zetten. Rondom het dorp gaat de natuur onverstoorbaar haar gang. De vos jaagt maar wordt uiteindelijk een schoongewassen geraamte in de beek achter het huis.

Bestaat er eigenlijk nog echte wildernis in Europa?

‘De menselijke aanwezigheid is overal. Er zit plastic in de diepste krochten van de zee, maar ook in onze eigen lichamen, in kinderen die worden geboren. Maar als je krachtig inzoomt, op een kleinere schaal, zijn er nog steeds overal andere vormen van leven.

‘Gisteravond stond ik bij een vijver, alles daarin leeft. Een pad op een drempel van een huis leeft in een menselijke omgeving, maar draagt nog een zekere wildheid in zich. Er op deze manier naar kijken, stelt me in staat een zeker gevoel van hoop en evenwicht te behouden. Ja, we zijn overal. Maar we hebben nog niet alles kunnen veranderen.’

Welke Europese schrijvers inspireren u en wat weten zij van Europa in hun werk te vangen?

‘Ik reken veel schrijvers en dichters tot mijn inspiratiebronnen, zowel mannen als vrouwen. Om er een paar te noemen uit Europa: Tomas Tranströmer, vanwege zijn precisie in zijn omschrijvingen en aandacht voor de natuur; Alice Oswald, zij breidt mijn kennis uit van wat poëzie kan zijn en waarover gedichten kunnen gaan; Jon Fosse, wiens consistentie ik bewonder en de manier waarop hij met taal werkt; Max Porter, ik ben gek op zijn verbeeldingskracht en durf in het scheppen van werelden; W.G. Sebald, vanwege zijn literaire onderzoeken naar het geheugen en de kunst om de grens tussen fictie en documentatie te laten vervagen; Dubravka Ugrešić, vanwege haar compromisloze karakter en scherpe diagnose van de moderne wereld; Lukas Bärfuss, zijn proza is een plek waarin je wilt wonen… Ik kan nog heel lang doorgaan. Ik zie mezelf bovenal als een lezer – dat maakt me tot wie ik ben.’

CV MAŁGORZATA LEBDA

1985 Geboren in Nowy Sącz.
2009 Poëziedebuut met Tropy (‘sporen’).
2014 Promoveert in literatuurwetenschappen aan de Universiteit KEN in Krakau.
2021 Mer de Glace (zevende dichtbundel).
2022 Wisława Szymborska-prijs voor Mer de Glace, hoogste poëzieprijs van Polen.
2023 Romandebuut met Łakome (‘onstilbaar’).
2024 Shortlist Nike-prijs met Łakome, hoogste literaire prijs van Polen.
2025 Verschijning meest recente dichtbundel: Dunaj. Chyłe pola (‘Donau. Glooiende velden’).
2026 Verschijning Nederlandse vertaling van Onstilbaar.

Małgorzata Lebda woont samen met haar man in het dorpje Buda Ruska in het noordoosten van Polen, omringd door dieren: twee honden, drie schapen, drie geiten, drie ganzen en twee konikpaarden.

Małgorzata Lebda: Onstilbaar. Uit het Pools vertaald door Charlotte Pothuizen. Koppernik; 214 pagina’s; € 23,50.

Małgorzata Lebda: Mer de Glace. Uit het Pools vertaald door Mira Rosenthal. Fitzcarraldo Editions; 64 pagina’s; € 19,90.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next