We hebben geen ‘talking heads’ nodig die het beleid van sportbonden en pridebesturen op tv komen verdedigen. We hebben mensen nodig die de vinger op de zere plek durven leggen. Ook als daar lawaai voor nodig is.
Er zijn tijden waarin een beweging moet praten. Maar er zijn ook tijden waarin het gesprek een fopspeen is geworden. Een doekje voor het bloeden, voorgehouden door instituten die liever polderen met de macht dan schuren met de werkelijkheid. Wie vandaag de dag beweert dat de lhbti-gemeenschap vooral behoefte heeft aan rustige ‘denkers’ en keurige praters, zoals hoofdredacteur Bamber Delver van de Gaykrant doet, mist één cruciaal feit: de daadwerkelijke queer persoon zit allang niet meer aan die tafels.
Terwijl in de straten de verharding toeneemt en de veiligheid van onze gemeenschap holler blijkt dan ooit, vieren de grote lhbti-organisaties, sportbonden en commissies hun eigen invloed. Er worden visiedocumenten geschreven, subsidies verdeeld en netwerkborrels georganiseerd. Maar onder de motorkap van organisaties als Pride Amsterdam en, meer specifiek, gremia als de commissie Sport Pride, sportbonden, Rabobank en NOC*NSF gaat het al lang niet meer over emancipatie. Het gaat over geld, posities en de gunst van de gevestigde orde.
Dat vraagt om een reactie. Geen fluisterende reactie, maar een luide.
Over de auteur
Jan Pieter de Lugt is voorzitter van Pride and Sports, dat zich inzet voor sport als plek voor inclusiviteit, respect en gelijke kansen.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Het is een aantrekkelijk narratief: de veronderstelling dat de grote overwinningen uit ons verleden uitsluitend het resultaat waren van heren in pak die geduldig de kranten opzochten. Maar wie de geschiedenis zo herschrijft, wist de woede die de motor was van elke echte verandering.
De emancipatie van onze gemeenschap begon niet aan een vergadertafel met mineraalwater; zij begon op straat, toen de maat vol was.
Door vandaag te stellen dat we enkel nog 'gezaghebbende sprekers' nodig hebben die rustig blijven als ze worden aangevallen, verschuiven we de schuldvraag. We vragen aan slachtoffers van uitsluiting om hun toon te matigen, terwijl het systeem hun bestaansrecht uitholt. Het is de klassieke valkuil van de gevestigde orde: beschuldig de proteststem van polarisatie, zodat je niet inhoudelijk hoeft te reageren op de pijn die eronder zit.
Het echte probleem van dit moment is niet dat de gemeenschap te hard schreeuwt. Het probleem is dat de community doodgedrukt wordt.
Kijk naar de sportwereld. Sport zou de ultieme plek van verbinding moeten zijn, maar wie als lhbti-sporter of kleine grassrootsorganisatie verandering wil bewerkstelligen, stuit bij sportbonden en officiële instanties op een muur van bureaucratie. Binnen commissies wordt de agenda bepaald door marketingbelangen en corporate sponsoring. De inhoudelijke strijd voor echte inclusie, voor de trans atleet die wordt uitgesloten, voor de amateursporter die zich niet veilig voelt in de omkleedruimte en tegen de naderende verplichte seksetesten voor alle vrouwen wordt gladgestreken tot een cosmetisch regenboogvlaggetje op het wedstrijdshirt.
Wanneer de institutionele kaders zo dichtgroeien dat alleen het ‘geaccepteerde’ geluid nog een podium krijgt, ontstaat een gevaarlijke kloof. De gevestigde lhbti-organisaties versterken hiermee uitsluitend hun eigen positie als gesprekspartner van de overheid, terwijl de achterban zich niet langer vertegenwoordigd voelt. De daadwerkelijke lhbti-persoon of sporter staat buitenspel.
Het sturen op ‘rust en empathie’ richting tegenstanders klinkt nobel, maar werkt in het huidige klimaat verlammend. Het nodigt uit tot nog meer terreinverlies. Waar instituten kiezen voor de weg van de minste weerstand om hun subsidies en relaties niet in gevaar te brengen, heeft de community juist behoefte aan rauwe, ongefilterde tegenkracht.
We hebben geen ‘talking heads’ nodig die het beleid van sportbonden en pridebesturen op televisie komen verdedigen. We hebben mensen nodig die de vinger op de zere plek durven leggen. Die durven benoemen dat commercie en baantjesjagerij de activistische ziel van onze beweging hebben gekaapt.
Verandering ontstaat niet wanneer iedereen het naar z'n zin heeft aan tafel. Verandering ontstaat wanneer de tafel omver wordt geworpen omdat de helft van de mensen niet mag meepraten.
Onze principes verloochenen we niet door hardop boos te zijn. We verloochenen ze juist wanneer we stil blijven zitten terwijl de macht ons buitensluit. Het is tijd dat de zeggenschap terugkeert naar de mensen om wie het daadwerkelijk gaat. En als daar lawaai voor nodig is, dan moet het maar hard zijn.
Ken je geschiedenis
In de Volkskrant van 19 juli schrijft Bamber Delver: ‘De lhbti-gemeenschap heeft nu meer denkers dan schreeuwers nodig.’ De auteur heeft het over mensen die ‘inhoud hebben’, ‘vanuit kennis en overtuiging spreken’, (en) ‘de geschiedenis kennen’. Helaas schort het bij de auteur wel aan die kennis.
Hij gaat geheel voorbij aan de grote verscheidenheid aan wetenschappers, kunstenaars en andere sleutelfiguren die zich – met inhoud en gezag – voor de lhbti-gemeenschap hebben ingezet, en dat nog steeds doen. En weet Bamber Delver niet dat belangenorganisatie COC al jaren bij uitstek doet wat hij bepleit: rustig argumenteren op basis van feiten, geduldig lobbyen zonder onnodig te polariseren? Nee, hij verwijt het COC dat daar ooit een discussie over het huwelijk als instituut werd gevoerd.
Maar hij vermeldt niet dat, zoals ik bijvoorbeeld in mijn boek Homopolitiek in Nederland (1966-2023) laat zien, het COC steeds consequent voor gelijke behandeling heeft gestreden en in de jaren negentig de openstelling van het huwelijk uit volle borst heeft gesteund. Of dat het COC na twintig jaar lobbyen bereikte dat het verbod van discriminatie op basis van seksuele gerichtheid in de Grondwet kwam.
Voordat je om denkers schreeuwt: ken je geschiedenis!
Joke Swiebel, Amsterdam
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant