Zus Gerdes Oosterbeek Een Haagse tekenares overleed in 1935 op 27-jarige leeftijd in het kraambed. Haar man hertrouwde, over haar werd nog weinig gesproken. Tot een kunsthistorica haar werk én haarzelf op het spoor kwam. „Ik wil best (wat ze noemen) slecht zijn, als ik één moment dát heerlijke kan beleven!”
Zus Gerdes Oosterbeek, 16 juli 1933
Elke dag sterven er mensen, gewone mensen. En wie herinnert zich hen? Wat weet je nog van je eigen familieleden die pakweg een eeuw geleden zijn overleden? Na die tijd zijn mensen meestal verdwenen. Hooguit worden ze een statistiek.
Neem, bijvoorbeeld, vrouwen die sterven in het kraambed. Tegenwoordig gebeurt dat in Nederland nog maar weinig; in 2024 zes keer. Maar in 1935, toen de verloskundige zorg minder goed was, stierven ruim vijfhonderd vrouwen (op destijds 8,4 miljoen inwoners) aan wat het CBS „complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed” noemt. Ruim vijfhonderd vrouwen die nu vergeten zijn, hun levensverhaal verloren voor de geschiedenis – tenzij het door toeval weer tevoorschijn komt.
Een van die vrouwen was Anna Alide Gerdes Oosterbeek (1907-1935), roepnaam Zus, tijdens haar korte leven een succesvol tekenaar en grafisch ontwerper uit Den Haag. Ze illustreerde feuilletons in de Haagsche Courant en het Algemeen Handelsblad en maakte tekeningen voor kindertijdschriften; ze ontwierp boekomslagen, brochures, ansichtkaarten, ex-librissen en reclamedrukwerk voor ondernemers: een Haagse kleermaker, makelaars, luchtvaartmaatschappij KLM.
Zus Gerdes Oosterbeek bruiste van levenslust. In het tweepersoonsdagboekje dat ze in 1931 een paar weken bijhield met haar verloofde Jup van Rossem schreef ze hoe gelukkig ze was, „blij en vol levensmoed”. Ze reflecteerde op de mogelijkheid van verliefd worden op een ander en schreef dat aan hem: „Als er iemand komt, die me gek maakt van verliefdheid, zal ik ’t niet weggooien omdat ik alleen ontrouw zou zijn. Ik wil best (wat ze noemen) slecht zijn, als ik één moment dát heerlijke kan beleven! Niet ernaar zoeken, dat is altijd verkeerd, maar als ’t leven zoo op je aankomt, pluk ’t dan!”
„Van de week hebben we weer ontdekt hoe ontzaglijk verknocht onze zielen toch zijn”, reageerde Jup een paar dagen later. „We zijn zoo fijn eerlijk tegen elkaar. […] twee menschen, die zoo héél graag vol willen leven, met brandende harten en vaste wil.”
Vier jaar later is ze dood.
En daarna raakt ze steeds meer in de vergetelheid, „Mammie-Zus”, zoals ze na haar overlijden wordt genoemd (ze is de moeder van Just, ze stierf bij Justs geboorte). Vader Jup hertrouwt al snel, krijgt nog twee kinderen. Er hangt wel een portret van Zus in huis, maar Jup spreekt weinig over zijn eerste vrouw. Haar werk wordt vergeten.
Tot eind vorig jaar, toen kwam ze met tekeningen en al weer tot leven. Ook voor familie die ze nooit gekend heeft: Jups jongste twee kinderen, inmiddels in de tachtig, die zonder haar dood niet hadden bestaan.
„Het valt me op bij al die vrouwelijke kunstenaars”, zegt kunsthistorica Hanneke van Asperen. „Zelfs die heel succesvol waren: als ze zijn overleden, zijn ze meteen helemaal weg. Bij mannelijke kunstenaars nemen echtgenoten en kinderen vaak de taak op zich om de nalatenschap levend te houden. Bij vrouwen zijn er veel minder vaak mensen die zich geroepen voelen om dat te doen.”
Van Asperen voelt zich daar wel toe geroepen. Sinds 2023 ‘spaart’ zij vergeten vrouwelijke kunstenaars uit de negentiende en begin twintigste eeuw en geeft ze hun werk en levensverhaal alsnog een podium op haar website. Van Asperen werkt aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, waar ze een database beheert en bijhoudt van middeleeuwse insignes.
Zus tekent dit huis in Mellen (Sauerland), 27 juli 1927
Het onderzoek naar de kunstenaressen doet ze in haar vrije tijd. Tentoonstellingscatalogi doorvlooien, bevolkingsregisters uitpluizen. „Waar werd iemand geboren, hoe gaat dat leven dan, hoe zat de familie in elkaar, in welke cirkels bewogen mensen zich? Dan vind je vaak al veel om een mooi verhaal te kunnen vertellen.”
Vorig jaar bezocht ze een verzamelaar in Renkum, die haar had uitgenodigd nadat hij haar blog over schilderes Cato Kool (1860-1933) had gelezen. „Die man had zijn hele huis vol kunst hangen”, vertelt Van Asperen op haar werkkamer op de universiteit. „Hij had ook twee fantastische aquarellen van ene Annie Gerdes Oosterbeek. Toen ik daar een en ander over ging uitzoeken, ontdekte ik dat er twéé Anna Gerdes Oosterbeeks waren, Annie en Zus, en dat dat nichtjes van elkaar waren. Maar van Zus kon ik eerst helemaal geen werk vinden. En toen ontdekte ik dat Piet op zijn Flickr-pagina twee werken van haar had staan.”
Piet is Piet Schreuders, grafisch ontwerper en uitgever. Jup van Rossem was zijn oom.
Schreuders had een gelukstelegram online gezet dat Zus had ontworpen voor het ministerie van Koloniën, en een mooie aquarel waarop Jups moeder, de schoonmoeder van Zus, is afgebeeld in haar tuin. Die aquarel is gemaakt in september 1932, een jaar voor het huwelijk van Zus en Jup.
„Ik nam contact op”, zegt Van Asperen, „en Piet zei: ‘Ik heb hier nog een hele doos met werk van haar staan.’ Een hele dóós!”
„Hanneke kwam op een ochtend om even in die doos te kijken”, vertelt Piet Schreuders in zijn werkkamer thuis in Amsterdam. „Ze heeft alles bekeken en wel duizend foto’s genomen met haar telefoon. Toen zei ik: ik heb nog een tweede doos, maar dat zijn meer familiestukken, fotoalbums en zo, dagboekjes.”
„Het was geweldig”, zegt Van Asperen in Nijmegen. „Dit is gewoon zó’n compleet archief!”
Waarom had Schreuders die werken van Zus op Flickr gezet? „O, ik zet van alles op Flickr”, zegt hij terwijl hij twee oude bruine dozen met spullen van Zus op zijn werktafel zet. Hij begint er een uit te pakken, die netjes georganiseerd is in mappen met etiketten die je moest bevochtigen om ze te laten plakken, zoals je vroeger aan postzegels moest likken. Soms staat er iets op in het handschrift van oom Jup: ‘Opdrachten Zus’, bijvoorbeeld. Daar zit commercieel werk in: kindertijdschriften, boekomslagen, Sint-Nicolaas-ansichtkaarten met reclame voor Vroom & Dreesmann („Beste vrienden, Zwarte Piet is nog in Marokko. Als ge uw adres opgeeft bij de firma Vroom en Dreesmann Den Bosch, stuurt hij u vanuit zijn geboorteland een mooie ansichtkaart”). Andere mappen bevatten tekeningen, overweldigend veel: landschapjes, dieren, portretten, in zwart-wit en kleur, in verf, potlood en inkt. Alles ongeveer een eeuw oud.
Portret van Jups moeder (Albertine van Rossem-Robbers, 1872-1970) in de achtertuinvan haar huis, Cornelis Jolstraat 74, Den Haag (Scheveningen), september 1932
Piet Schreuders kreeg de dozen een paar jaar geleden in bezit, uit een erfenis van een familielid. Hij had, inderdaad overweldigd, de inhoud nog amper bekeken. Maar Van Asperen ging voortvarend te werk, vertelt hij: „Zij besloot ook de dagboeken te transcriberen.”
Schreuders mailt enkele van die uitgetikte en door hemzelf opgemaakte dagboeken. Een ervan is getiteld Kort relaas van onze zwerftocht door Sauerland 26 juli – 5 augustus 1927. In die anderhalve week maakten Zus en Jup met onder meer twee zussen van Jup (onder wie Co, de moeder van Piet Schreuders), een trein- en wandeltocht langs Duitse jeugdherbergen, waar ze onderweg een verslag van schreven. In de pdf van 35 pagina’s zitten zwart-witfoto’s van de zes Wandervögel, zoals ze zich noemen – en meer dan twintig tekeningen van Zus: landschappen, huizen en vooral mensen die ze ontmoeten.
De sfeer is studentikoos; de jongens studeerden aan de universiteit, de vrouwen deden een beroepsopleiding. Het reisverslag leest als iets van lang geleden en tegelijkertijd tijdloos dichtbij. Er wordt steeds kampeerderig buiten gegeten: „Soep vooraf, dan macaroni, waar we niet zoo heel veel van krijgen, daar Pim bij ’t afschenken de helft overboord gooit, waarmee hij zeer wordt gehoond.” De wandelschoenen slijten tot er „luchtgaten van belangrijke afmetingen” in zitten en de financiële administratie wordt met moeite bijgehouden: „Probeer maar eens netjes alles op te schrijven als 4 menschen samen één pakje Knorr betalen!” De trein terug „blijkt erg vol te zijn, maar we krijgen toch allemaal een goede plaats in een 4de-klaswagen, gelukkig een wagen zonder staanplaatsen.”
Een ander dagboek beschrijft de huwelijksreis, in september 1933, van Zus en Jup naar Parijs, de Alpen en het Comomeer. „Hotel fijn!! Prachtkamer, knechie bracht ons er netjes”. Over de huwelijksnacht: „Alles samen, zoet-gelukkig, moe, gezellig, lampje, warm bij mekaar, alles goed. Eerste getrouwde nacht.” En de volgende morgen: „Wakker worden, samen. Voorgoed blijft dit, nooit meer eenzaam.” Die ochtend schetst Zus zichzelf en Jup zittend aan de Seinekade, „op balustrade met hangende benen”.
„Zus was altijd aan het tekenen”, zegt Hanneke van Asperen. „Ook op reis. En uit die reisverslagen krijg je mee dat ze heel visueel was ingesteld, dat ze voortdurend bezig is met de kleur van dingen, dat ze als een kunstenaar kijkt.”
Zus vindt de Sacré-Coeur van buiten lelijk, „dat namaak-Byzantijnsch”, maar van binnen mooi: „vooral ’t mozaïek in ’t koor met de kolossale Jezus en discipelen!” Ze bewondert de fonteinen op de Place de la Concorde: „Prachtig door die jets d’eau de rustige paleizen op achtergrond en die massa krioelende auto’s.” (Dat zal me een massa geweest zijn, in 1933.) Ze heeft ook oog voor dieren, zoals later, in de Alpen: „prachtige witte zwanen in paarsblauwe nevel”, „gezellige koeien, zo’n mooie bruine kleur”. Ze tekent de gespen waarmee de koebellen vastzitten.
Ze schrijft vaak alsof ze het beeld wil vasthouden om later de herinnering te kunnen tekenen: „bokken, ze hebben toch malle gezichten.” „Fijn die huisjes tegen die lucht op een groene berg!” Zus tekent chalets, ze tekent de mensen die ze tegenkomen (een „patertje met leuk kalotje”, „een hooimannetje die ik een boleet noem, net een Rembrandttype”). Ze tekent de billen van haar Jup als hij zit te poepen in een alpenweide. Ze tekent Jup ook, in kleurpotlood, terwijl hij in het gras ligt met een fototoestel. „Hier herken ik helemaal mijn oom in”, zegt Schreuders over die tekening.
Terwijl Zus tekent maakt Jup foto’s van de bergketen waar de Mont Blanc toe behoort. Of misschien maakte hij maar één foto. Fotograferen was toen veel selectiever: „kiek gemaakt van mij in laantje”, schrijft Zus ergens. Een gebeurtenis, kennelijk.
De familiewieg voor de verwachte baby; de aanstaande moeder Zus tekende het ontwerp voor de bekleding
De dagboeken brengen niet alleen de kleine geschiedenis dichtbij, maar ook de grote. Een jaar later reizen Zus en Jup weer door Duitsland, op weg naar Oostenrijk, en Zus schrijft op 1 augustus 1934: „Nu rijden we door Beieren, komen net door Dachau waar ’t concentratiekamp [van] Hitler ligt, vertelt ons de chauffeur.” Het allereerste nazi-concentratiekamp, het werd in maart 1933 in gebruik genomen, aanvankelijk voor politieke gevangenen (communisten, sociaal-democraten), en later ook voor andere groepen mensen (Joden, Roma, homoseksuelen).
Bij hun overstap in München nemen Zus en Jup een taxi om nog snel drie kwartier wat van de stad te zien voordat ze de trein naar Oostenrijk moeten halen. „Overal roode vlaggen met Hakenkreuz ook SA mannen in bruin hemden gezien.”
Op de terugweg ontmoeten ze in de trein van München naar Würzburg „een leuke Bremer familie”, van wie de oudste zoon Mein Kampf zit te lezen. En in Würzburg gaan ze „met tram naar Neubaustrasse. Overal in donkere straat het brallend geluid van Hitlers stem door de radio. Er groepen overal menschen in het donker, die luisteren. Van een paar vrouwen, die op een stoep zitten, krijgen we de indruk dat ze hem liever willen afzetten.”
Als Zus en Jup bij het Barockpaleis komen („een overweldigend gezicht”) is „Hitlers rede bijna ten einde. Het Duitsche volkslied (D. über alles) en het Horst Wessellied wordt aangehoord. Alles met armen uitgestrekt! Indrukwekkend. Een heele massa […] wij staan er tusschen met armen langs ons lijf. […] ’s Morgens is ’t eerste wat Jup uit het raam ziet een groote roode Hakenkreuzvlag”.
In de trein naar Utrecht spreken de twee een Duits-Joodse militair die in de Eerste Wereldoorlog had gevochten. „Vertelt van de fluitende handgranaten. Afscheid laatste keer van z’n familie, toen hij weer naar ’t front moest en dus wist naar welke hel hij weer moest. Ontzettend!” Laat die avond zijn ze thuis, waar alles nog vredig is. „Ons heerlijk huis met de zalige douche!”, schrijft Zus over de bovenwoning in de Haagse wijk Bezuidenhout.
Enkele weken daarna raakt ze in verwachting.
In de nacht van zondag 16 op maandag 17 juni 1935 beginnen de weeën. Zus is thuis. Jup heeft fragmentarische aantekeningen gemaakt. „Bloeddruk”, staat ergens in potlood. Maandagavond laat is er nog geen baby: „Bruine meconium”, schrijft Jup. „Niet zo goed!” Die eerste babypoep hoort groenzwart te zijn. „Zus is inmiddels moe.”
Jup noteert ook flarden van waarschijnlijk uitspraken van Zus: „Iemand met een frissche kijk erop”, als er een andere dokter komt. Narcose, staat er dan.
In de nacht van maandag op dinsdag gaat Zus naar kraamkliniek Villa Elisabeth op de Parkweg in Den Haag. Daar wordt Just geboren, om kwart over vier. Hij weegt maar 1.860 gram. „Bange uren”, schrijft Jup. „Cylinders. Coramien” – een middel om de ademhaling op gang te houden, het is onduidelijk of Zus of de kleine Just dat toegediend krijgt.
„Wat hebben jullie ’t toch moeilijk met me”, schrijft Jup dan. Het zou kunnen dat dat de laatste woorden van Zus zijn.
Zus en Jup op straat in Den Haag, circa 1932
Hij schrijft niet op dat ze is gestorven. Wel dat hij de familie belt, om kwart voor acht ’s ochtends.
Op woensdag gaat hij Just, die net als hijzelf officieel Marius heet, aangeven bij de burgerlijke stand. Daarna staat er: „Zwarte pak ingepakt. Enz.”
Later schrijft Jup in het eerste van een reeks dagboekjes over en aan Just: „Je lief Moedertje had zich zoo ingespannen om jou op de wereld te brengen dat haar lichaam geen kracht meer had te blijven leven. Heel vredig en gelukkig is ze in mijn armen ingeslapen – dankbaar dat jij, haar Just was geboren en helemaal gezond was. Hoe droevig het ook voor ons beiden is, Just, dat Moeder niet bij ons is gebleven om met zijn drieën gelukkig te zijn, je moet altijd bedenken dat ze in haar korte leven volkomen gelukkig is geweest en een heeleboel menschen gelukkig heeft gemaakt. […] Dat stralende Geluk van haar zal ik trachten aan jou, lieve vent, dóór te geven.”
„Hij heeft het redelijk vrolijk opgeschreven”, zegt Piet Schreuders. „Maar er zit natuurlijk een diepe ellende achter. Het was echt een familiedrama.” Hij vist de dagboekjes over Just op uit de tweede doos. Het eerste boekje begint met een foto van Zus en haar moeder die samen de wieg bekleden. Daaronder een tekening door Zus van diezelfde wieg.
„Doordat ze de laatste 6 weken voor je geboorte rustig te bed moest liggen”, schrijft Jups moeder, oma Van Rossem, in dat boekje, „had ze alle tijd om in gedachten met jou bezig te zijn.” Zus verheugde zich op de komst van haar kindje, schreef oma. „‘Om dan zo’n klein knuistje in mijn eigen grote hand te hebben!’”, citeert ze Zus.
Ze schreef het op 22 juni, de dag na de begrafenis van Zus.
„Toen mijn vader Mammie-Zus verloor, werd er naarstig gezocht naar een andere vrouw voor hem”, vertelt Wouter van Rossem, Jups derde kind, geboren in 1943. Hij woont in een groot vrijstaand huis in Ten Boer, een half uur met de bus ten noordoosten van de stad Groningen. We zitten in de keuken, hij heeft pompoensoep gemaakt, de lapjespoes komt erbij. Zijn vijf jaar oudere zus Ariette woont in Australië – zij wilde voor dit artikel niet geïnterviewd worden.
Wie zocht er dan zo naarstig naar een nieuwe vrouw voor Jup? „Nou, tante Co. Heb ik begrepen, van mijn moeder.” En zijn moeder wás die nieuwe vrouw.
Het moest iemand zijn die Zus gekend had; dat vond Jup belangrijk. Het werd Ida Meijer (1908-1999) uit Haarlem. Zij woonde op kamers bij de Van Rossems terwijl ze in Den Haag haar handenarbeid-onderwijsaktes haalde. „Zo kende ze dus mijn vader Jup, maar beter nog kende ze zijn zus Co. Die vrouwen waren heel dik met mekaar. Ze waren ook precies even oud: ze waren op dezelfde dag geboren.”
Van Rossem laat een gebonden fotoalbum zien, vol babyfoto’s van Just en met zijn naam en een patroon van kleine tulpjes in het lichtbruine leer van het omslag gestempeld. „Een voorbeeld van mijn moeders boekbindkunst. Ik vind het een heel ontroerend boekje. Ze heeft het gemaakt voor mijn vader, als bewijs van haar liefde voor haar nieuwe zoontje. Om te laten zien dat ze Just als haar eigen zoon ging opvoeden.”
Van Rossem wist altijd wel van Mammie-Zus’ bestaan. „Maar als kind speelt dat niet zo’n rol.” Hij wist ook wel dat ze goed kon tekenen, maar van haar carrière wist hij niets. „Mijn vader moet mappen met tekeningen van haar gehad hebben, maar heeft die nooit aan mij laten zien. Ook niet toen ik op de opleiding voor tekenleraar zat. Ik denk dat hij absoluut niet naar mijn moeder wilde uitstralen, maar ook naar ons niet, dat hij terugverlangde naar Zus. Hij wilde vol gaan voor Ida.” Hij wilde dat niet uitstralen, maar zou hij dat verlangen wel gevoeld hebben? „Dat weet ik niet. Ik ben er pas veel later over gaan nadenken hoe ontzaglijk moeilijk het voor hem geweest moet zijn.”
Oma en Zus met wieg 1935
Zijn halfbroer Just is in 2009 overleden, vertelt Van Rossem. Hartproblemen, suikerziekte. „Toen hij in militaire dienst zat, heb ik hem van een dunne lange knappe jongen zien worden tot iemand met een enorme buik.” Just werkte namelijk in de telefooncentrale. „Heel ouderwets met van die stekkertjes. Hele dag zitten, krat bier naast zich.”
Van Rossem laat een foto uit 1975 zien, gemaakt door fotojournalist Sem Presser (1917-1986). Toevallig staat Just erop, een forse man met wild haar en dito baard, naast een hasjverkoper met een bakfiets, op het Damrak in Amsterdam. „Just was niet iemand die matig leefde. Ik zeg altijd: als hij de hasj niet had gehad, was hij aan de drank gegaan. Hij at ook vreselijk veel. Onmatig. Maar een leuke vent. Hij was lid van Arti, kende Jan en alleman, zong liedjes van Koos Speenhoff en Dirk Witte; dat kwam er allemaal zó uit. Een stukje Shakespeare kon hij ook zo voordragen. Echt een briljante jongen. Talen vlogen hem aan, en hij was een talentvol fluitist.”
Just speelde al jong Telemann en Bach op de blokfluit, memoreerde Van Rossem in zijn crematiespeech. Maar hij zei daar ook eerlijk: „Geen school kon Just aan. Of Just kon geen school aan. Onze ouders wisten er geen raad mee. Hij had ook een handicap, je zou nu zeggen: hij had dyscalculie. En hij was acht jaar ouder dan ik en hij pestte mij behoorlijk, als hij de kans kreeg.”
Just heeft Ida nooit als stiefmoeder gezien, benadrukt Van Rossem. „Ik heb Just meerdere keren gevraagd of hij nou vond dat mijn moeder zijn moeder niet was, en dat was absoluut niet zo. Hij heeft nooit een andere moeder gekend.”
Van Rossem vindt het heel leuk dat het leven van Zus nu weer bovenkomt, zegt hij. En al dat werk, dat hij niet kende. „Ze was zó productief”, zegt hij nog steeds verbaasd. „Ik had het er heel graag met mijn vader over gehad willen hebben. Het speelde alleen nooit een rol en hij bracht het niet naar voren. Ik heb er veel respect voor dat hij altijd zo positief is gebleven. Maar ja, hij was ook dolgelukkig met Ida.”
In het dagboekje van hun huwelijksreis heeft Zus getekend hoe Jup zit te poepen in een alpenweide
In zijn werkkamer pakt Schreuders de tweede doos verder uit, die met de originele dagboeken en reisverslagen. Hij kreeg de dozen van de zoons van Justs tweede vrouw Ellis, vertelt hij. Hij wist dat zij werk van Zus moest hebben, want ze gaf in de loop der jaren regelmatig tekeningetjes aan familieleden. Toen Ellis in 2020 overleed, schreef hij aan haar zoons dat hij die spullen wel wilde hebben, als ze niet wisten wat ze ermee moesten doen. „Ik wilde niet dat het allemaal in een container werd gegooid.” Een paar jaar later kreeg hij ze.
Heeft Schreuders’ moeder Co, die haar broer Jup aan Ida had gekoppeld, eigenlijk ooit verteld hoe zij die periode na de dood van Zus beleefd heeft? „Nee, dat is jammer. Dat zou ik haar nu wel willen vragen.” Co overleed in 2008, ze was 99. „Die laatste jaren kwamen er veel verhalen uit de jaren twintig naar boven, ook over haar eerste verliefdheden. Maar over Zus ging helaas het nooit.”
Schreuders pakt het tweepersoonsdagboekje uit de doos, waarin Zus en Jup in 1931 hun intieme gedachten aan elkaar schreven, twee jaar voor hun huwelijk. Het schriftje is gekocht bij Raafs Kantoorboekhandel op de Frederik Hendriklaan 245 in Den Haag, in een tijd dat de telefoonnummers nog maar vijf cijfers hadden. Naast Jups bijna streng-klassieke handschrift danst en dartelt dat van Zus opgewekt langs de liefde, het leven, „ons zielemenschzijn samen”.
En dan is het ineens twaalf jaar later in het schrift. Jup schrijft: „Met een beetje aarzeling begin ik in dit zo geliefde boek vol herinneringen, maar lang duurt die aarzeling niet, want hoe zou ik dit schrift beter kunnen gebruiken dan voor een voortzetting van de levensbeschrijving van haar eerste zoon Just. Daarom, met fris gemoed, begin ik weer te notuleren en verbeeld ik mij daarbij gezeegend te zijn door haar die Just zo vurig verbijd heeft. Pasen 1943”.
Het was midden in de Tweede Wereldoorlog. Jup kon misschien geen schrift krijgen voor het dagboekje dat hij wilde beginnen over zijn zoon Just van zeven. Dus staan zijn aantekeningen, die net als veel andere dagboeken en brieven nog niet getranscribeerd zijn, in hetzelfde schrift als waarin zijn overleden moeder over verliefdheden filosofeerde.
Dit moet allemaal bewaard blijven, dacht Schreuders meteen al toen hij de dozen kreeg. Hij probeerde ze aan het RKD Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis te geven, maar kreeg geen reactie. „Nu ben ik daar blij om”, zegt hij, „want nu is Hanneke in het verhaal gekomen.”
Hanneke van Asperen is zo onder de indruk van het unieke, rijke materiaal dat ze een boek over Zus Gerdes Oosterbeek wil schrijven. „Het grote probleem bij vrouwelijke kunstenaars”, zegt ze, „is dat ze meestal maar heel schimmig aanwezig zijn in bronnen. Als je over ze leest is het altijd via de ogen van iemand anders.”
Zo niet bij Zus Gerdes Oosterbeek. Het zijn haar eigen gedachten die in haar brieven en dagboeken over elkaar heen buitelen. En hoewel haar taal ouderwets is, voelt het alsof ze er helemaal in tot leven komt. Hier is ze weer, deze kort geleden nog vrijwel vergeten vrouw, deze kunstenares, en ze filosofeert in het tweepersoons dagboekje over de „antipoden” eeuwigheid en tijdelijkheid – bijna alsof ze weet dat we haar nu lezen. „Nóoit te vereenigen en toch de opgaaf van ons leven. Heerlijk en wanhopig.”
Haar oplossing: „altijd probeeren het levenswonder zelf achter alle tijdelijke vraagjes te zien! De eeuwigheid, die toestand in een menschenziel moet ’t zijn, waaruit we willen doen en leven. Anders konden wij wel machines zijn.”