Home

‘Helden zonder glorie’ bekijkt de Atheense heldendaden vanuit een onverwacht perspectief

De stem die Ferdia Lennon aan de ‘platte’ Sicilianen geeft is helder, geestig, ontroerend en vooral: overtuigend. Voor Nederlandse lezers biedt Helden zonder glorie een fijn alternatief voor het Atheense geluid uit Ilja Leonard Pfeijffers Alkibiades.

In de herfst van 413 voor Christus arriveerde een door lange zeereis ongeschoren en verwilderde vreemdeling in de haven van Athene, en spoedde zich naar de barbier.

Daar, in de stoel, deelde hij nieuws waarvan hij meende dat het in Athene al was ingeslagen als een bom: de indrukwekkende legermacht die de Atheners twee jaar daarvoor hadden uitgerust om Sicilië als wingewest voor hun zee-imperium in te lijven, was vernietigend verslagen. Dat de overlevende Atheense krijgsgevangenen, toch nog altijd duizenden in getal, waren opgesloten in de steengroeve van Syracuse, waar zij gewond en uitgeput als ze waren, op een rantsoen van slechts een beker water en twee bekers gerst per dag, ’s nachts blootgesteld aan de kou en overdag aan de brandende zon een zekere dood tegemoet zagen.

Maar de Atheners thuis wisten nog van niets. Sterker, zo hoog stond hun gesternte en prestige, dat ze de man niet geloofden. Hij werd gearresteerd als oproerkraaier en aan het rad gemarteld, tot nieuwe reizigers hetzelfde nieuws vertelden.

Athene was ten tijde van de Siciliaanse expeditie al in oorlog met Sparta. De militaire, economische en mentale gevolgen van de catastrofe kwam de stad niet meer te boven en Sparta triomfeerde.

De bakermat

De tragedie van Athene figureert nog altijd in het collectieve geheugen van het Westen – mede geholpen door de huiveringwekkende beschrijving in het werk van de historicus Thucydides, door de magische schittering vóór haar val van een stad waarin we nog altijd het Parthenon bezoeken, en wier democratische staatsvorm we nog altijd (ten onrechte) beschouwen als onze bakermat.

Helden zonder glorie, de debuutroman van de Iers-Libische Ferdia Lennon, die nu opmerkelijk goed is vertaald door Peter Valkenet uit de Ierse straattaal waarin hij is geschreven, belicht diezelfde materie, maar nu vanuit een volkomen onverwacht perspectief: niet Atheens, maar Syracusaans. Niet elitair, maar volks en arm. Tragedie speelt de hoofdrol, de personages komen uit de gelederen van komedie en pastorale.

Glorious Exploits (de originele titel is subtieler dan de Nederlandse) wordt verteld door de manke pottenbakker Lampo, in zijn eenvoud en onbeholpenheid een komisch personage, die door zijn collega Gelon op sleeptouw wordt genomen in een volkomen krankzinnig plan.

Gelon is namelijk gek op tragedie. En de tragedies uit Athene zijn nu eenmaal wereldberoemd, met name die van Euripides. Gelon, lid van een nog altijd overwegend mondelinge cultuur waarin iedereen vrijwel alles uit het hoofd kende, realiseert zich wat een potentieel aan Euripides-verzen zich in de wegkwijnende massa Atheense krijgsgevangenen in de steengroeve bevindt. Hij besluit dat te gaan uitruilen tegen brood en wijn.

Binnen de kortste keren blijkt het mogelijk uitgehongerde Atheners een hele Medea te laten opvoeren, en daarna zelfs, heet van de naald, het toen recentste stuk van de meester, De Trojaanse vrouwen.

Alles van waarde is weerloos

Het boek beschrijft de wederwaardigheden rond De Trojaanse vrouwen, die als ondertitel ‘alles van waarde is weerloos’ had kunnen krijgen. Anderzijds doet ze denken aan de opvoering van Sophokles’ Antigone op Robbeneiland waaraan Nelson Mandela als gevangene ooit meedeed. Want niet alleen bergen toneelstukken van nature verschillende perspectieven in zich, ze veranderen ook van betekenis door de omstandigheden waarin je ze opvoert.

Euripides’ Medea werd geschreven door een Athener voor Atheners, over de weerzinwekkende wraak van de oosterse prinses Medea op de harte- en trouweloze Griek Jason, die de vrouw aan wie hij zijn leven dankt, verlaat en verraadt. Maar juist in de steengroeven van Syracuse, in een uitvoering door Atheense krijgsgevangenen onder regie van lokale pottenbakkers, blijkt hoe weinig de tragedie-genietende Atheners zich indertijd hadden gerealiseerd dat een stuk over de wraak van wie flagrant onrecht moet ondergaan, ook tot denken had kunnen stemmen over de manier waarop ze zelf hun vazalstaten behandelden.

De stem die Lennon ze geeft is helder, geestig, ontroerend en vooral: wonderbaarlijk overtuigend. Juist voor Nederlandse lezers biedt Helden zonder glorie daarmee een alternatief voor het Atheense perspectief uit Ilja Leonard Pfeijffers Alkibiades. Deze staatsman, die de Atheners tot de rampzalige expeditie aanzette, schittert in Lennons boek door afwezigheid.

In plaats van de boudoirs van Alkibiades’ jetset komen we op de markten, in de kroegen, op de kaduke britsen, bij het handjeklap van de slavenhandel, kortom, in het rauwe leven; en in plaats van een halfhartige lof der democratie beleven we haar onmacht van binnenuit.

De werking van kunst

Maar het meest overtuigend en ontroerend is wat Helden zonder glorie schijnbaar terloops en zonder gewichtigdoenerij suggereert over de werking van ‘kunst’.

Ook in De Trojaanse vrouwen, een van de duisterste tragedies die we over hebben, over de krijgsgevangen vrouwen van het verwoeste Troje, dacht Euripides aan de actualiteit: de Atheners hadden net de volledige mannelijke bevolking van het afvallige eiland Melos uitgeroeid, de vrouwen verkracht en hen met hun kinderen als slaven verkocht.

De Atheners keken niet alleen met droge ogen naar de verbeelding van diezelfde moord en verkrachting, van diezelfde abjecte onmenselijkheid in een toneelstuk over de val van Troje; ze planden op datzelfde moment om dat op Sicilië nog eens over te doen, met het einde van hun imperium en een bloedige burgeroorlog in de eigen stad als gevolg. De gemeenplaats dat kunst ‘profetisch’ is en grote kunstenaars ‘zieners’, krijgt in dit boek de toevoeging dat de betekenis van een kunstwerk niet alleen per betrokkene verschilt, maar ook nog eens bij elke uitvoering verandert.

En misschien nog belangrijker: dat betekenis- en zingeving niet exclusief zijn. Lennons ‘gewone’ pottenbakkers uit de ‘provincie’ worden door superieure poëzie en muziek gegrepen als drager van iets dat ze niet ten volle begrijpen, maar waarvan ze voelen dat het waarde en betekenis heeft; betekenis die zich elke keer dat ze gezegd – dat wil zeggen: uitgevoerd – wordt op een andere manier ontvouwt, voor iedereen in het publiek verschilt en toch ‘waar’ is en zelfs levens kan redden.

Ferdia Lennon: Helden zonder glorie. Uit het Engels vertaald door Peter Valkenet. Meridiaan; 336 pagina’s; € 26,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next