In het oeuvre van De Wit neemt ‘plaats’ een centraal thema in. Waar ben je? Waar hoor je thuis? Waar ga je heen en waarom? In Heim behandelt ze die vragen in het licht van haar eigen angsten.
Een zonnige dag in Chicago. Een man en een vrouw picknicken op een kleedje in het park. Iedere tien seconden zie je het stel tien keer van verderaf. De eerste keer zie je het kleedje nog liggen, de contouren van de lichamen vaag zichtbaar, maar al snel verdwijnen de mensen uit beeld. Je ziet wijk, stad, land, continent, planeet aarde, melkwegstelsel, andere sterrenstelsels.
En dan zoomt het beeld weer in, sneller nu, terug naar het stel op het kleedje; naar de hand van de man, heel veel langzamer: cellen, DNA, atomen, subatomair niveau, quarks in een proton.
Dit beeld, uit cultfilm Powers of Ten (1977), laat zien dat de mens zich ergens tussen twee onvoorstelbare extremen bevindt: het immens grote en het immens kleine. Het beangstigende gevoel waarin dat besef kan resulteren, loopt als een rode draad door de autofictionele essaybundel Heim – Of het verhaal van mijn duizeligheid van Dorien de Wit. ‘Met elke poging van mijn hoofd om zoiets onbevattelijks te vangen, voelt het alsof mijn eigen contouren vervagen, want waar ben ik, op die schaal?’, vraagt ze zich af.
De Wit is wat je noemt een transdisciplinair kunstenaar: iemand die niet gebonden is aan één medium, die steeds kiest voor de vorm die op dat moment het beste past bij wat ze wil overbrengen. Als dichter gooide ze hoge ogen met eindig de dag nooit met een vraag (winnaar Poëziedebuutprijs 2022). Naast poëzie en essayistisch proza maakte ze tekeningen, collages, korte films en organiseerde ze audiowandelingen.
Wie haar voorgaande werk bekijkt, ziet dat ‘plaats’ een centraal thema is in het oeuvre dat zich sinds 2007 aftekent. Waar ben je? Waar hoor je thuis? Waar ga je heen en waarom?
In Heim behandelt ze die vragen in het licht van haar eigen angsten. De Wit, moet je weten, is niet iemand die zomaar even op pad gaat. Agorafobie heeft ze, pleinvrees, ‘een vermomde angst, een dekmantel voor een andere angst’.
De grote vraag is wat dat dan is, die andere, verborgen (fundamentelere?) angst.
Heim in één zin: de ik-figuur – grotendeels samenvallend met De Wit – blijft het liefst dicht bij haar huis en moestuin, besluit toch weg te gaan, rapporteert over de worstelingen die ze tijdens die reis ervaart.
Om te beginnen worstelt ze met zoiets ogenschijnlijk simpels als terminologie. Want hoe noem je het, wat De Wit ervaart? Ja, ze raakt in ‘totale paniek’ als ze ‘duizenden kilometers van huis’ zou zijn, het liefst is ze ‘in één ademhaling thuis’. Maar waar heeft dat precies mee te maken? Er is dat DSM-label, agorafobie, maar dat dekt geenszins de lading.
Ze is bang, ja, maar die angst uit zich op zo veel verschillende manieren, die ze om de zoveel bladzijden heel concreet maakt door ze op te noemen onder kopjes ‘Dingen waar ik bang voor ben’. Willekeurig, lijken de dingen op die lijstjes, zoals ‘[haar] hart voelen kloppen’, ‘kernafval’, ‘dat ze [haar] dagboeken lezen als [ze] dood [is]’, ‘kanker’, ‘een plotseling einde van de zwaartekracht’.
Maar het gaat dieper dan dat. Er ligt een existentieel soort angst onder. Ze poogt het te vangen in een semantisch veld van termen die ze ermee associeert: ‘duizeligheid’, ‘ge-heim’, ‘deining’, ‘Sturzneigung’, ‘bodemloos’. En de interessantste: ‘wispelturige elastiek’. De Wit is met een ‘elastiek verbonden aan thuis’ en het ‘bepaalt [haar] actieradius als een onzichtbare grens’.
Dat elastiek is wispelturig omdat het een ‘eigen logica’ heeft: ‘vertrouwde plekken zijn dichterbij dan nieuwe plekken, plekken die goed bereisbaar zijn, lijken minder ver weg.’
Wat in ieder geval helder is: in de moestuin is ze op haar gemak, kan ze gronden, is ze op haar plek, met haar vingers in de aarde lijkt ze op te kunnen gaan in het grotere geheel.
Inmiddels is het ook in de Nederlandstalige essayistiek een beproefde techniek: de divagatie, de uitweiding, de nevenschikking. Bij De Wit openbaart die zich letterlijk door ‘komma’s als ademhalingstekens’ die de hoofdstukken van elkaar onderscheiden. Het geeft haar de associatieve vrijheid die ze nodig heeft om haar angsten te kunnen doorgronden, maar die, het moet gezegd, soms ook wel erg meanderen.
Het beste werkt het als De Wit haar stroom gedachten naar een historiserende aftakking leidt, waarmee ze haar verhaal breder maakt, minder particulier. Gegronder.
In de tweede eeuw had geneesheer Claudius Galenus het al over de onverklaarbare ‘angst om te breken’. Het zegt misschien iets over de menselijke conditie, die ‘angstgedachten van anderen uit een ver verleden’. Dat we allemaal behoefte hebben aan een vast punt vanwaaruit we onze bewegingen kunnen uitstippelen.
Dorien de Wit: Heim – Of het verhaal van mijn duizeligheid. De Arbeiderspers; 207 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant