Voetbal Ouders van kinderen die in de Verenigde Staten op hoog niveau willen voetballen, zijn daar veel geld aan kwijt. Als we niet oppassen, gaan we volgens Pieter-Bas van Vliet in Nederland ook die kant op.
In de Verenigde Staten wordt al jaren dezelfde vraag gesteld: hoe kan een land met zo veel inwoners, geld en sportieve mogelijkheden internationaal zo weinig potten breken in de grootste sport ter wereld? Je zou het niet direct verwachten, maar het antwoord op die vraag heeft óók betrekking op Nederland, en een probleem dat voor ons jeugdvoetbal op de loer ligt.
Dat de VS weinig klaarspelen in grote toernooien, heeft volgens voetbaldeskundigen te maken met het zogeheten pay-to-play-systeem. Wie serieus wil voetballen, moet betalen. Niet alleen voor contributie en trainingen, maar ook voor kleding, begeleiding en verre reizen naar wedstrijden en toernooien. Jaarlijkse kosten van duizenden dollars zijn geen uitzondering.
In Nederland betaal je natuurlijk ook contributie en moet je ook voetbalschoenen kopen. Maar wie écht talentvol is en instroomt bij de jeugdopleiding van een profclub, zit niet in een commercieel traject waarbij ouders een vermogen moeten ophoesten om überhaupt toegang te krijgen tot betere trainers, wedstrijden en zichtbaarheid.
Pieter-Bas van Vliet is ondernemer en al jaren betrokken bij het amateurvoetbal in de regio Twente.
Georganiseerd jeugdvoetbal is in de VS dus voor een belangrijk deel een sport geworden voor kinderen van ouders die het kunnen betalen. Goede opleidingen bevinden zich vooral rond welvarende steden en woonwijken. Talent alleen is niet voldoende. Het inkomen van de ouders bepaalt mede hoeveel trainingen een kind krijgt, tegen welke tegenstanders het speelt en door welke scouts het wordt gezien.
Dat heeft nog een ander effect. Commerciële opleidingen moeten klanten aantrekken en behouden. Gewonnen toernooien, bekers en hoge rankings zijn daarbij belangrijke reclame. Daardoor verschuift het accent al op jonge leeftijd van leren, ontwikkelen en plezier maken naar selecteren, presteren en winnen.
De gevolgen worden inmiddels ook in de VS zelf onderkend. De Amerikaanse voetbalbond heeft als doel uitgesproken de kosten te verlagen, de toegankelijkheid te vergroten en de routes voor talentontwikkeling te verbeteren. De onderliggende kritiek is duidelijk: wanneer het inkomen van ouders mede bepaalt welke kansen een kind krijgt, blijft veel potentieel talent buiten beeld.
In Nederland is het jeugdvoetbal gelukkig anders georganiseerd. Anders dan in de VS, waar sport vaak via scholen, universiteiten, privéclubs en commerciële aanbieders wordt georganiseerd, hebben wij hier een fijnmazig verenigingsmodel. Vrijwel ieder kind kan bij een vereniging in de eigen woonplaats voetballen. Vrijwilligers, leden, sponsors, gemeenten en professionele voetbalorganisaties dragen gezamenlijk bij aan een breed toegankelijk voetballandschap.
Dat is waarschijnlijk een van de redenen waarom Nederland als klein land zo veel goede voetballers heeft voortgebracht. De basis is breed. Kinderen kunnen dicht bij huis voetballen, zich in hun eigen tempo ontwikkelen en worden niet bij voorbaat uitgesloten omdat hun ouders een commercieel opleidingstraject niet kunnen betalen.
In de regio Twente zie je bijvoorbeeld hoe talentontwikkeling georganiseerd kan worden zónder een commercieel parallel circuit. De gezamenlijke jeugdopleiding van FC Twente en Heracles Almelo kiest er daar bewust voor jonge kinderen bij hun eigen amateurvereniging te laten voetballen. Niet alleen vanwege de sociaal-emotionele ontwikkeling, maar ook omdat het op zeer jonge leeftijd bijzonder moeilijk is om te voorspellen wie uiteindelijk werkelijk talentvol zal blijken. Via kennisdeling, trainersopleidingen en begeleiding versterkt de opleiding bovendien de kwaliteit van al die amateurverenigingen.
Dat is wat mij betreft de kracht van het Nederlandse model: professionele clubs en amateurverenigingen werken samen, terwijl kinderen zo lang mogelijk onderdeel blijven van hun eigen club en omgeving. Wie voldoende potentie heeft, kan uiteindelijk doorstromen naar een betaaldvoetbalorganisatie. Daar hebben we geen commerciële partijen voor nodig die buiten de verenigingen om eigen teams samenstellen.
Toch wint het commerciële pay-to-play-model ook in Nederland terrein. Het begon met voetbalscholen die naast de trainingen bij de vereniging een extra trainingsmoment aanboden. Daar is op zichzelf weinig mis mee. Ouders mogen investeren in extra begeleiding en kinderen mogen ambitie hebben.
Maar inmiddels gaan steeds meer voetbalscholen verder. Ze stellen eigen teams samen en spelen op vrijdagavond, zondagochtend en tijdens vrije weekenden wedstrijden en toernooien tegen andere voetbalscholen. Soms zoeken ze aansluiting bij een bestaande amateurvereniging om met betaalde en geselecteerde teams aan reguliere competities te kunnen deelnemen. Dan is er geen sprake meer van een aanvullende training en ontstaat er een commercieel alternatief voor het verenigingsvoetbal.
In het unieke Nederlandse voetballandschap hoort voetbal in teamverband thuis bij verenigingen en bij de erkende opleidingen van betaaldvoetbalorganisaties. Verenigingen hebben leden, vrijwilligers, democratisch gekozen besturen en een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Commerciële voetbalscholen hebben in de eerste plaats betalende klanten en een verdienmodel. Dat betekent niet dat iedere commerciële trainer slechte bedoelingen heeft. Het betekent wel dat er een fundamentele spanning bestaat tussen talentontwikkeling als maatschappelijke opdracht en jeugdvoetbal als commercieel product.
Het risico is dat er naast het verenigingsvoetbal een tweede circuit ontstaat. Een circuit waarin niet alleen aanleg, inzet en plezier bepalen welke kansen een kind krijgt, maar ook de financiële mogelijkheden en bereidheid van ouders om extra te betalen en door het land te reizen. Verenigingen leiden trainers op, onderhouden accommodaties, organiseren competities en bieden kinderen van alle niveaus een plek. Commerciële partijen kunnen vervolgens de meest ambitieuze kinderen en draagkrachtige ouders uit dat systeem trekken, zonder zelf dezelfde maatschappelijke verantwoordelijkheid te dragen. Dat verzwakt uiteindelijk de verenigingen waarop de volledige Nederlandse voetbalstructuur rust.
Het Amerikaanse model laat zien waar een doorgeschoten commerciële benadering toe kan leiden: hoge kosten, uitsluiting van kinderen en een systeem waarin winnen en zichtbaarheid belangrijker worden dan een brede en langdurige ontwikkeling. Laten we die ontwikkeling niet eerst kopiëren om over twintig jaar tot dezelfde conclusie te komen.
Extra trainen bij een voetbalschool, terwijl het kind gewoon bij zijn club blijft? Een prima aanvulling. Commerciële selectieteams die als zelfstandig alternatief naast of binnen het verenigingsvoetbal opereren? Die vormen een parallel circuit waarvoor binnen het Nederlandse voetbal geen ruimte moet zijn.