Home

Goed haten - een handleiding door schrijver Jan van Tienen: ‘Haat moet je dusdanig inspireren dat het je artistiek in beweging brengt’

Schrijver Jan van Tienen weet (net als de meesten van ons) hoe lekker het koesteren van weerzin kan voelen. Maar hij weet ook dat de hater er niet goed op staat. Moet-ie aan zichzelf werken en een positievere houding aannemen, of is antipathie iets om te omarmen? Op weg naar het betere haten, in vijf stappen.

Schrijver Jan van Tienen weet (net als de meesten van ons) hoe lekker het koesteren van weerzin kan voelen. Maar hij weet ook dat de hater er niet goed op staat. Moet-ie aan zichzelf werken en een positievere houding aannemen, of is antipathie iets om te omarmen? Op weg naar het betere haten, in vijf stappen.

De eerste keer dat ik The Sound of Silence hoorde in de uitvoering van de metalband Disturbed, kon ik mijn oren bijna niet geloven. De afkeer die ik voelde bij het aanhoren van die bombast, die power-kitsch! Ik hoorde het in de auto, het was op de Franse radio, het was een hit: miljoenen mensen houden van die versie van het lied van Simon & Garfunkel. In de jaren die volgden heb ik de cover vaak opgezocht op YouTube, om te griezelen, om vol verlustigde afkeer aan anderen te laten horen.

Ik vind dat een ingewikkeld gevoel: enerzijds heb ik diepe liefde voor de medemens en niets dan sympathie voor bijvoorbeeld mensen die dit nummer zó mooi vinden dat ze het op de uitvaart van een geliefde draaien, anderzijds heb ik het gevoel dat er iets wezenlijks in mij kapotgaat als ik die Sound of Silence-cover aanhoor (of, God verhoede, de cover van díé versie door Henk Poort in het programma De beste zangers van Nederland). En toch zoek ik het op.

Ik heb zulke gevoelens, in wisselende intensiteit, mijn hele volwassen leven gevoeld, over uiteenlopende zaken. Er waren de mopper-tweets van een autojournalist, er was de blik in de gezichten van mannelijke modellen in parfumreclames in bushokjes, er zijn sarcastisch-satirische reacties op een stuk content dat in zichzelf al satirisch bedoeld was, er was de klets van bijvoorbeeld Limburgse complotdenkers tijdens corona, maar ook de zekerheid en het goedkope moralisme waarmee mensen dáár dan weer op inhakten.

Het internet zou mij daarmee denk ik ‘een hater’ noemen: iemand die actief aandacht geeft aan wat hij niet goed vindt, iemand die negativiteit schenkt aan wat hij niet mooi vindt en anderen juist prachtig.

Al jaren vraag ik me af wat ik nou precies met die gevoelens moet. Rationeel gezien weet ik dat het een onzinnige manier is om je tot de wereld te verhouden. Je druk maken om het bestaan van een bepaald lied dat mensen mooi vinden, en jij niet, dat is, met boerenverstand gemeten, geen geweldige tijdsbesteding.

‘De hater’ wordt dan ook vaak voorgesteld als een depressieve figuur die spreekt vanuit misprijzen en een gevoel zelf gefaald te hebben, waardoor-ie enkel nog vanuit een soort jaloezie kan reageren op de verworvenheden van anderen. Het advies aan die hater is vaak dan ook gewoon: positief zijn, simpelweg stoppen met haten.

Ik denk niet dat dat beeld helemaal klopt, noch dat het advies daarom werkt. Verreweg de meeste mensen die ik ken en wier smaak en humor ik waardeer zijn zelf soms grove haters, en ze zijn verder geenszins depressief of onsuccesvol. Gedeelde haat is ook een manier om met hen te verbinden. Ik zou bovendien niet in een wereld willen leven zonder haters, waarin alleen maar positiviteit over alles is.

Bovendien voel ik dat, hoewel de walging ergens irrationeel is, er óók iets van waarheid zit in die afkeer van bijvoorbeeld de Sound of Silence-cover van Disturbed. Als ik dat gevoel compleet zou negeren of er met louter positiviteit (‘let people enjoy things!’) overheen zou walsen, zou ik mezelf deels geweld aandoen.

Ik vraag me af: wat gebeurt er als je de figuur van de hater serieus neemt (die ik hier even opvat als iemand die zijn eigen negativiteit een plek wil geven – racisten, fascisten, misogynisten en andere anti-rechtsstatelijke vormen van haters laat ik buiten beschouwing)? Wat doet die figuur, wat wil die figuur nu echt?

Is er een manier om zelf een betere, nee, een goede hater te zijn, zonder er zelf aan onderdoor te gaan, of zonder een al te grote naarling voor anderen te worden?

Om het onderwerp behapbaar te maken heb ik het haterschap opgedeeld in vijf niveaus, en per niveau bespreek ik wat de hater daar doet, wat de valkuilen zijn en wat volgens mij het pad is voor de goede hater.

1. Binnensmonds mopperen

Het begint met onvrede. ‘De anderen, ze zijn niet zuiver genoeg, niet grappig genoeg, niet authentiek genoeg, en dat terwijl ze wel constant aan het woord zijn. Hoe kan dit? Dit is niet goed.’

Dit zijn het soort gedachten dat de hater in eerste instantie heeft. De hater hoeft zich om te beginnen niet te schamen voor de gevoelens die zij heeft, want op z’n positiefst gezien is de hater denk ik een figuur die ‘echtheid’ nastreeft, of in ieder geval een lagere tolerantie heeft voor nepheid dan anderen.

Het voordeel is dat dit duidt op de ontwikkeling en aanwezigheid van smaak: negativiteit is nodig voor onderscheidingsvermogen. Fotograaf Jan Dirk van den Burg, uitgever en maker van het Haatboek (een pastiche op het Dankboek van Ernst-Jan Pfauth, waarin je elke dag opschrijft waar je dankbaar voor bent), ziet ‘haat’ (of het uiten van negatieve gevoelens over iets wat een ander maakt of doet) als onderdeel van Martha Nussbaums ‘handelende woede’, zo vertelde hij me. Dat is, heel kort door de bocht, de woede die je aanzet om in beweging te komen en iets te willen veranderen. Dat moet je dus zeker niet altijd wegstoppen.

Ik denk dat de emotie of het affect ‘haat’ ook een voorwaarde is om kunstenaar te zijn, of in ieder geval scheppend in de wereld te staan. Jan Dirk zelf is bijvoorbeeld kunstenaar. Maar ik denk ook aan Cormac McCarthy, die de geromantiseerde clichés van het westerngenre wilde ondermijnen en toen Blood Meridian schreef, deels als reactie daarop.

Verder denk ik ook dat het vreemd is als je vandaag de dag níet haat, zeker als je veel online bent. ‘Haat’ lijkt bijna een soort algoritmisch restproduct, iets wat de scrollende mens wordt opgedrongen als affect, al is het maar als tegenvoeter voor mensen die schijnbaar zonder veel nadenken posten, posten, posten, liefst lachend, liefst vol bravoure, in een online omgeving die herhaling, imitatie, merkvastheid, al dan niet geveinsd optimisme en performativiteit beloont en soms zelfs op zichzelf waardeert, om maar niet te spreken van de beloning die een opiniemaker wacht die steevast dezelfde groep mensen boos weet te maken.

Het argument ‘dan kijk je toch niet?’ of ‘dan scroll je toch door?’ dat de hater vaak tegengeworpen krijgt, gaat daarom niet op: het is al opgemerkt. De hater heeft de walging al gevoeld. Doorscrollen neemt die gevoelens niet weg. Het is zoals Taylor Swift ooit zei: ‘Cause the players gonna play, play, play, and the haters gonna hate, hate, hate.’

Maar we moeten ook eerlijk zijn, en vaststellen dat gevoelens van negativiteit bijna altijd óók voortkomen uit gevoelens van frustratie, van onmacht, van iets wat scheef zit in het eigen leven.

Ook dit is niet intrinsiek slecht: de hater slaat aan op iets waarin hij iets van zichzelf herkent, anders zou de emotie niet zo diep zitten. Iedere antipathie is geworteld in een gedeelde leefwereld. Als mensen fake zijn binnen de wereld der patisserie dan zal dat wel; het zegt mij weinig – ik zou niet zo snel haten op andermans croissants. Maar komt er iets ergerniswekkends míjn leefwereld binnen (zeg: opiniemaker Jona van Loenen die een grap jat, die vervolgens zonder bronvermelding op tv vertelt en die tegelijkertijd online scoort met gemakkelijke dunkvideo na dunkvideo op Instagram), dan kan het bij mij snel gaan met de negativiteit.

Om in beginsel goed te haten, is het wel belangrijk om eerlijk te zijn over je gevoelens.

Moeilijk is dat mensen hier in het algemeen niet bijster sterk zijn. Ze zullen hun haat rationaliseren met een argument. Maar wees eerlijk: was muziek vroeger écht beter, of had je toen meer seks?

De goede hater is zich van al deze zaken bewust, en voor hem is haten daarmee geen staat van zijn, geen geestesgesteldheid of bron van depressie, maar juist een richting. Dat wat je boos maakt, geeft binnen die gedachte richting, een denkpad: als je ergens iets diep bij voelt, dan is dat dus een teken dat je daar ‘iets mee moet’.

2. Delen met vrienden

Het volgende niveau van haterschap bereik je door het niet bij mopperen te laten, maar door het object van haat (zeg: een maniertje waarmee iemand in de camera praat of een video van een duidelijk afgekeken grap) door te sturen naar een vriend of kennis. Je zegt: jezus, wat lame, dit. Waarom liken mensen dit? De antipathie jegens het onpure object van haat wordt uit de pure binnenwereld gehaald en naar buiten gebracht. Je deelt de steen des aanstoots en zegt: ‘Kijk. Kijk dan.’

Als je zelf weleens objecten van haat hebt gedeeld, weet je hoe goed dat kan voelen, en hoe belangrijk. En met een beetje geluk valt je bericht – of, als je je haat in den lijve bij een vriend uitspreekt, in goede aarde, en krijg je bijvoorbeeld een bericht met drie ‘ha’s’ terug, of een gulle lach. Met een beetje pech reageert de ander lauw.

Als je je hier weleens schuldig aan hebt gemaakt, weet je waarschijnlijk ook hoe het is om objecten van haat van anderen te ontvangen. Soms ben je het volledig eens met diegene die iets doorstuurt, soms denk je: oei, het gaat niet zo goed met hem of haar.

Het is met het delen van negativiteit eigenlijk niet anders dan met andere vormen van communicatie: denk je dat het delen ervan de ander zal verrukken? Denk je dat de ander er op een bepaalde manier iets nieuws van leert? Zo ja: goed. Zo niet: dan is het waarschijnlijk niet meer dan ‘gemopper’. De goede hater gaat bedachtzaam om met de tijd van de persoon met wie hij wil haten. De goede hater informeert af en toe ook vriendelijk naar het geestelijk welzijn van de medehater.

3. Reageren

De volgende trede op de escalatieladder is publiekelijk reageren op een ander. Dit is een precair, hachelijk proces.

De hater ziet van alles gepost, geschreven, gezegd en gespeeld worden en ziet in veel van die zaken onechtheid, hengelen naar likes, desinformatie enzovoort. Het internet biedt meer dan genoeg materiaal om iedere seconde van de dag te vullen met haat.

De comedian die van échte comedy houdt, gruwelt van al te makkelijke publieksinteractie-video’s. De dichter die naar boekhandel Perdu gaat voor een avond over Jeroen Mettes bekijkt somber de Instagram-gedichten van Rupi Kaur. De dj met een hele kast vol op Discogs opgesnord vinyl met obscure tracks bekijkt met afgrijzen de influencer die op play drukt en een vooropgenomen set afspeelt in een dure club op Ibiza.

Dus waarom er niet in duiken, waarom niet als hater publiekelijk je ongenoegen delen? Waarom níet dagelijks reacties achterlaten op van alles en nog wat?

Voor veel mensen is het helder: die doen dat gewoon. Het internet hangt aan elkaar van mensen die negatief op elkaar reageren. Dit is denk ik niet het pad van de goede hater.

Een argument tegen reageren is voor mij het feit dat er een asymmetrische verhouding is tussen haters en ontvangers van haat. Simpel gezegd: het object van haat schiet er meestal iets mee op, en de reageerder meestal niet. Het kost je tijd, je reputatie, je geeft sociale media zo de brandstof waar ze op draaien: meer reacties en aandacht. Bovendien wordt ijselijk veel content gemaakt met als doel juist jouw haat op te wekken en in toenemende mate zitten daar bots achter. Voor je het weet, word je woedend op een uitspraak die door AI is geschreven om jou woedend te maken.

Een ander argument komt van schrijver Simon van Teutem, die het laatst in zijn nieuwsbrief had over positiviteit, en hoe dat volgens hem altijd wint van ‘haten’. Hij had een interessante observatie: volgens hem onthouden mensen amper de feiten die je ze vertelt, maar wél hoe je ze laat voelen. En als je mensen met negativiteit een slecht gevoel geeft, dan zullen ze dat lang onthouden en je nadragen. Ik ben geneigd hem hierin gelijk te geven, en daarom de goede hater af te raden vanuit negativiteit te reageren online. Een voorbeeld nog uit de eigen praktijk om dit te illustreren:

Goodreads is een boekrecensiesite, waar ik als schrijver ook met nieuwsgierigheid heb gekeken naar wat mensen over mijn boek schreven. Een Goodreads-gebruiker postte een 1-sterren-recensie van mijn boek De verworvenheden, wat mij uiteraard ontstemde, maar de grap is dat ik ook kon zien wie die recensie likete. Zodoende zag ik dat de recensie de goedkeuring kon wegdragen van schrijver Max Urai. Ik had zijn naam weleens voorbij zien komen, had vagelijk positieve associaties bij hem, maar kende hem eigenlijk niet. Nu, puur en alleen door die like, heb ik hem een stuk lager zitten. Ik zeg niet dat dit grootmoedig, fair of zelfs maar redelijk van me is, ik zeg niet dat Max Urai dit verdient, en ik weet hoe belachelijk en miserabel dit moet overkomen, maar het is gewoon wel zo, en ik zeg het om duidelijk te maken dat online haten verre van gratuit is, dat het niet zonder gevolgen is.

Een ander argument is dat achter accounts waar je op reageert ondanks alles soms ook mensen zitten, en het dus beter voor de ziel is die in hun waarde te laten (tenzij het bijvoorbeeld politici zijn die met hun beleid mensen kapot maken, dan is het wat mij betreft fair game, maar ik weet niet of we dan nog in ‘haat’-territorium zitten of gewoon bij ‘kritiek leveren’).

Maar het is lastig. Jezelf uiten is een groot en belangrijk goed, het vrije woord is geweldig.
Van de andere kant heb ik het gevoel dat ‘online engagement’ en dat wat het oproept en veroorzaakt zó’n diepe bron van ellende zijn dat alles wat ertegenin gaat een soort daad van verzet is. Kun je iets ontregelends doen? Kan je het anderen écht ongemakkelijk maken, zonder er spektakel van te maken? Soms is zwijgen ook zeer hatelijk.

4. Er écht iets mee doen

Als je écht wil groeien in je haterschap, moet je zoeken naar constructieve en mogelijk artistieke vormen om je ongenoegen, je haat, je negativiteit in te gieten. Het moet onderdeel zijn van een duurzame connectie tussen het zelf, de maker die in jou zit, en je leefomgeving. Je moet, met andere woorden, kunnen groeien in je haterschap, opdat je kunt groeien als maker (of als je niet van het creatieve bent: als ondernemer), als mens.

Ik denk dat je haat pas echt iets voor jezelf en je omgeving doet als de reactie evenveel waarde biedt als dat waarop je reageert. Is je grap geweldig? Is je kritiek legitiem? Is de onderneming die je begint uit ongenoegen beter dan die van de persoon op wie je reageert? Stelt de vorm waarin je je ‘haat’ giet jou in staat te groeien als persoon?

Maar goed, het verschil tussen reageren, commenten en er echt werk van maken kan subtiel zijn. Teksten van Aron Groot voor het satirische studentenblad Propria Cures, die polemisch inhakken op het online werk van Adriaan ‘Sjamadriaan’ Verbraeck of Nienke ’s Gravemade, kun je zien als ‘een reactie op’ hun vorm van dunken op anderen. Er zitten beledigingen in, maar het zijn óók teksten waar serieuze kritiek en literaire vondsten in zitten, en ik geloof simpelweg dat het vanuit het soort woede komt dat iets wil rechtzetten. Bovendien worden de teksten gepubliceerd in Propria Cures, dat zich ondanks zijn geuzenstatus als vilein vod kan beroepen op serieuze literaire antecedenten, met oud-redacteuren als Menno ter Braak, Beatrijs Ritsema, Abram de Swaan en Godfried Bomans. Ik vind het ook prettig dat het redacteurschap rouleert, dat er constant nieuwe boze jonge mensen bij komen. Voorkomt dat je blijft hangen. Goed haterschap is ook een soort schoonmaakklus: je doet je zegje, dweilt de boel op, en gaat weer door.

Ik denk aan rapper Kendrick Lamar, die het imago van Drake wilde corrigeren, omdat hij Drake nep vond. Hij zette die onmin om in muziek, in een minutieus uitgedachte haatcampagne waarbinnen hij meerdere nummers uitbracht en uiteindelijk de triomfantelijke video van Not Like Us de wereld in slingerde.

Als je echt besluit werk te maken van dat wat je haat, wordt het een richtlijn, een manier om andere dingen te negeren, een manier om iets te zeggen te krijgen. Dit betekent dat het je dusdanig inspireert dat het je artistiek in beweging brengt. Dit is goed. Dit is waar je wil zijn. Op zo’n moment ben je ook in de gelegenheid om zelf risico’s te nemen, zelf iets op het spel te zetten, met het risico dat je volledig faalt en reputatieschade oploopt. Dit is goed. Nu betekent het iets.

5. De goddelijke balans vinden

Maar kijk, al die kritiek op haters komt natuurlijk ook doordat een teveel aan haat je absoluut miserabel maakt, zo merk ik ook terwijl ik dit stuk schrijf. Ik schaam me ook deels voor deze gedachten, ik moet het erbij zeggen. Zoveel tijd en aandacht voor een negatief gevoel, terwijl ik een kind heb, terwijl ik leef, terwijl ik druiven met limoensap erover in mijn vriezer stop en ze eruit haal als ik een ijskoude snack wil hebben. Focus op enkel negativiteit, zelfs al is het maar voor een essay, leidt tot een soort stilstand, een poeltje brak water waarvan je de bodem niet ziet.

Voor dit essay belde ik met Ernst-Jan Pfauth om hem wat te vragen over zijn Dankboek en hoe hij aankeek tegen negativiteit, en in dat gesprek zei hij, ik parafraseer, dat hij dacht dat je ontzettend talentvol moet zijn om een goede hater te zijn. Dat begreep ik niet direct, maar nu wel: het pad van de goede hater is een stuk ingewikkelder dan dat van iemand die de positiviteit belijdt.

Maar ik vraag me af: waarom niet van alles een beetje? ‘Haat’ is een richting, en geen vaststaande identiteit. De echt goede hater laat die negativiteit ook gewoon weer los.

Na Pfauth te hebben gesproken dacht ik na een nogal grimmige nacht ‘waarom ook niet?’ en ben ik dankbaarheid gaan betuigen. Iedere avond voor ik in slaap val, schrijf ik op wat er die dag mooi en goed was, wie me hielp, wat er grappig was, wat me in positieve zin opviel. Ik zeg je: het werkt uitstekend.

De meest vocale haters zijn vaak dom, jong, rijk en/of enorm getalenteerd. Dus als je niet Aron Groot of Kendrick Lamar bent, vrees ik dat het lokale gedragsoptimum voor de goede hater er ongeveer zo uitziet als dat voor ieder ander mens: nederig blijven, je ouders vaak genoeg bellen, dankbaar zijn voor wat je krijgt in het leven, en die haat alleen van stal halen als de anderen het écht verdienen.

De onvrede over de wereld met het ouder worden niet in cynisme laten verzanden, dat is de kunst van het leven zelf. Dat lukt alleen de allerbeste haters.

Verder hoor ik mezelf steeds vaker ‘Hello Darkness my old friend’ neuriën met het nasale stemgeluid van Disturbed-zanger David Draiman.

Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next