Home

Antonio Gramsci was een oer-communistische denker. Nu valt ook rechts voor zijn ideeën

Met de val van het communisme verflauwde ook de aandacht voor de invloedrijke 20ste-eeuwse denker Antonio Gramsci. Inmiddels is hij weer helemaal in zwang, en heeft hij de belangstelling van het hele politieke spectrum. Hoe dat zo?

Nog niet zo lang geleden leek het communisme zo goed als dood. De muur viel. De Sovjet-Unie zakte als een kaartenhuis in elkaar. China bekeerde zich tot het kapitalisme. En in het Westen verloren communistische auteurs snel hun prominente plek binnen de universitaire curricula.

Wie toen had beweerd dat het communisme enkele decennia later een comeback zou maken, zou voor gek zijn verklaard. Toch lijkt daar nu – als je de (sociale) media en boekpublicaties in de gaten houdt – langzamerhand wel degelijk sprake van.

Een beetje zuur, natuurlijk: dat de goelags, de massale moordpartijen, het totalitarisme – kortom: de praktische uitwerking van het communisme – zo snel weer vergeten lijken.

Ons bedreigde tijdvak

Iets zonniger bezien herwint het communisme weer wat van zijn aantrekkingskracht omdat het streed tegen soortgelijke krachten als die die ons tijdvak bedreigen: het rechtspopulisme dat in het gehele Westen nietsontziend oprukt en het (neo)liberalisme dat de kloof tussen arm en rijk, winnaar en verliezer, groter en groter maakt.

In dat kader is er onlangs in de reeks ‘Kleine Klassieken’ van Boom een heruitgave verschenen van Notities uit de gevangenis van Antonio Gramsci. ‘Een uitzonderlijke filosoof, misschien een genie, waarschijnlijk de origineelste communistische denker van de 20ste eeuw in West-Europa’, aldus de beroemde communistische historicus Eric Hobsbawm.

Dat Gramsci zo groot zou worden, stond bepaald niet in de sterren geschreven. Eind 19de eeuw geboren in een straatarm gezin op Sardinië en als peuter getroffen door tuberculose (waardoor hij een bochel ontwikkelde en nooit langer dan 1,50 meter werd), leek zijn leven eerder af te stevenen op een vroegtijdige, roemloze dood.

Die vroegtijdige dood, die kwam wel. Maar roemloos was die niet: Gramsci was taai en razend slim. Hij sleepte een studiebeurs binnen en hij kon letterkunde gaan studeren in Turijn, de grote stad met zijn ronkende industrie.

In de ban van Marx

Het was hier dat Gramsci sterk geïnteresseerd raakte in de marxistische filosofie. In 1913 sloot hij zich aan bij de Partito Socialista Italiano en niet veel later begon hij voor marxistische bladen te schrijven. Daar ging hij fanatiek mee door toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en hij vanwege zijn fragiele gestel niet werd opgeroepen.

Na de Eerste Wereldoorlog richtte Gramsci samen met Amadeo Bordiga de Partito Communista Italiano op. De taakverdeling: Bordiga de charismatische leider, Gramsci de bedachtzame intellectueel op de achtergrond.

Een lang leven als politicus was hem echter niet beschoren. Zodra de fascisten in 1922 aan de macht kwamen, was dat het begin van het einde. Gramsci, net een aantal jaar parlementariër, werd in 1926 als een van de gezichten van de communistische partij gearresteerd en veroordeeld tot ruim twintig jaar celstraf, samen met andere communistische leiders .

Mussolini vond deze ‘gebochelde Sardijn met een goed stel hersens’ te gevaarlijk om vrij te laten rondlopen. Eind 30 was hij toen, en vanwege zijn kwakkelende gezondheid meende hij dat hij het in zijn kille, klamme cel, ergens in een uithoek van Italië, niet lang zou volhouden.

Voor het nageslacht

Dus nam hij de pen ter hand. ‘Voor de eeuwigheid’ zou hij schrijven; zo veel mogelijk van zijn kennis wilde hij nalaten voor het nageslacht – hoogmoed was hem niet geheel vreemd. Koortsachtig krabbelde hij in zijn cel het ene na het ander aantekeningenboekje vol, tot hij na enkele jaren duizenden pagina’s over filosofie, cultuur, literatuur, geschiedenis en politiek had verzameld.

Voilà: de Quaderni del carcere. De gevangenisschriften.

Zijn hoop om toekomstige generaties te bereiken is geenszins ijdel gebleken. Als zijn notitieboekjes na de Tweede Wereldoorlog worden uitgegeven, groeit Gramsci al snel uit tot een van de meest invloedrijke marxistische denkers en de belangrijkste Italiaanse filosoof van de 20ste eeuw.

Aan het einde van de vorige eeuw verflauwde deze aandacht, zoals gezegd gold dat om evidente redenen voor het communisme tout court. En nu, nu is Gramsci weer terug, stronger than ever, en kan hij op belangstelling van zowel linkse als, verrassend genoeg, rechtse politici rekenen.

Waarom?

Het antwoord ligt niet meteen voor het oprapen. Zijn stijl is regelmatig enigmatisch. Waarschijnlijk schreef hij bewust ondoorzichtig om de censuur in de cel te omzeilen. Dat lukte aardig. Een gevangenisinspecteur die de boekjes eens inkeek zag niets dan ‘vaagheid, onsamenhangende begrippen en regelrechte nonsens.’

Goed had hij niet gekeken. Want wie dieper graaft, ziet dat er wel degelijk een rode draad door een deel van de notities loopt. En dat is Gramsci’s zoektocht naar de oorsprong van macht. Wat is macht en hoe verover of behoud je haar?

Gramsci’s antwoord is te vinden in zijn theorie van de hegemonie. Bij Marx bepaalt de economie (de onderbouw) hoe recht, moraal, politiek en cultuur (de bovenbouw) eruitzien. Zo ziet hij bijvoorbeeld het rechtsysteem uit zijn tijd als niets meer dan de tot wet verheven wil van de bourgeoisie, teneinde haar eigendom te beschermen.

Bovendien heeft Marx een deterministische geschiedfilosofie: de geschiedenis wordt gekenmerkt door constante klassenstrijd die uiteindelijk – of de mens het nu wil of niet – zal uitmonden in een communistische revolutie, waarna de klasseloze hemel op aarde volgt.

Cultuurverandering

Gramsci nuanceert Marx op een aantal wezenlijke punten. Allereerst geeft hij veel meer betekenis aan de bovenbouw: cultuur wordt niet slechts bepaald door de economie, maar is zelf nét zo belangrijk.

Als men een communistische revolutie wil, moet daarom niet alleen (politieke) strijd voor economische hervormingen worden gevoerd, maar moet men ook de cultuur veranderen. Hoe men denkt.

Anders dan Marx geloofde Gramsci bovendien niet in het onvermijdelijke verloop van de geschiedenis: de communistische strijd kon worden gewonnen, maar net zo goed verloren, afhankelijk van hoe de strijd om de macht zou worden gestreden.

Volgens Gramsci bezit de heersende klasse de macht niet alleen omdat ze de economie en de politiek bezit, maar omdat ze de gehele samenleving beheerst.

Denk met name aan de civil society: scholen, media, vakbonden, verenigingen, et cetera. Belangrijk gevolg is dat ze via deze instituties de bevolking kan indoctrineren. Door allerlei ideologische aannames als common sense te presenteren, kan ze een maatschappijvisie opleggen die ertoe leidt dat de massa zelf ten volle instemt met de hegemonie van de heersende klasse. En zo lukt het de machthebbers het volk te laten luisteren zonder met grof geweld de orde te hoeven handhaven.

Gezond verstand

Neem Margaret Thatcher. Zij presenteerde haar economische uitgangspunten (marktwerking, privatisering, individuele verantwoordelijkheid) als onvermijdelijk en noodzakelijk. De staat kon nu eenmaal niet meer uitgeven dan het binnenkreeg. ‘There is no alternative.’ En zo vestigde ze een nieuwe hegemonie.

Dat was althans de duiding van de New Left Review na de verkiezingswinst van the iron lady in ’79. Volgens dit Britse tijdschrift had Thatcher verschillende sociale groepen met verschillende economische belangen (bankiers, kleine ondernemers, werkgevers en werknemers) achter een neoliberaal waardesysteem weten te scharen.

Maar ze deed alsof ze slechts haar gezond verstand liet spreken. Achter haar politiek zat helemaal geen visie, het was de nuchtere, economische realiteit!

Terug naar Gramsci.

Wat de gevolgen zijn van de theorie van de hegemonie voor de communistische zaak laat hij zien door een parallel met de oorlog te trekken. Die draaide in zijn tijd allang niet meer om één snelle, allesbepalende veldslag. Veeleer was het een uitputtingsslag in de loopgraven.

Hetzelfde geldt voor de strijd om de macht in de samenleving. Een plotselinge revolutie werkt niet als die niet is voorafgegaan door een langdurige ‘stellingenoorlog’. Met andere woorden: er moet een alternatieve communistische hegemonie worden ontwikkeld. De politieke strijd moet worden voorafgegaan door een culturele strijd. Via onderwijs, literatuur, media en wetenschap moeten de geesten rijp worden gemaakt voor een revolutie.

Later is dit bekend komen te staan als ‘een lange mars door de instituties’.

Het is ook precies hierom dat Gramsci’s denken bijna negentig jaar na zijn dood weer zo invloedrijk is.

Om te beginnen kreeg Gramsci – via de Jamaicaanse socioloog Stuart Hall – een prominente plek binnen de curricula van de (veelal links georiënteerde) cultural studies op Engelse en Amerikaanse campussen. Zijn theorie van de hegemonie hielp om tot het inzicht te komen dat tal van identiteiten moesten worden samengevoegd om een gezamenlijke vuist te maken tegen de bestaande (patriarchale, heteronormatieve) machtsverhoudingen.

Dat heeft er op zijn beurt weer toe kunnen leiden dat alt-rightfiguur Milo Yiannopoulos provocerend stelde: ‘Als je je afvraagt waarom je gedwongen wordt om diversiteitscursussen of colleges genderstudies te volgen op de universiteit, of waarom al je professoren een hekel lijken te hebben aan de westerse cultuur – het is de schuld van Gramsci.’

Dichter bij huis voorspelde rechtsfilosoof Paul Cliteur al eens dat Gramsci’s ‘cultuurmarxistische ideaal’ – een wereld van verstikkende politieke correctheid, diversiteitscursussen en oikofobie – binnen enkele jaren een feit zou zijn.

(Dat is natuurlijk een nogal misleidende lezing van Gramsci’s werk. Want de kleine Italiaan lichtte dan wel het belang van de cultuur uit, hij vergat de economie nooit en stelde het belang van de arbeider altijd voorop: hij wilde een klasseloze socialistische heilsstaat.)

Het is bij nieuw links eerder zijn methode die inspireert dan zijn doel.

Enigzins hypocriet

Dat geldt tegenwoordig ook voor rechts, wat hun klaagzang over Gramsci enigszins hypocriet maakt. Zijzelf zien de strijd om de hegemonie inmiddels als dé methode om hun conservatieve revolutie te bewerkstelligen.

Thierry Baudet maakte zich jarenlang – expliciet verwijzend naar Gramsci – onder meer sterk voor meer conservatieve docenten op de universiteit, om mede zo de cultuurstrijd te winnen.

In Frankrijk doet La Nouvelle Droite, en dan met name Alain de Benoist, een expliciet beroep op Gramsci’s strategie. En ook de huidige extreemrechtse Italiaanse minister van cultuur, Alessandro Giuli, omschreef in zijn boek Gramsci è vivo (2024) hoe rechts gebruik kan maken van Gramsci’s inzichten om de macht te veroveren.

De populaire politiek filosoof Chantal Mouffe ziet Gramsci tot slot weer als een belangrijke inspiratiebron voor haar ‘links populisme’. Ze meent dat verschillende politieke belangen van achterblijvers en uitgeslotenen – arbeiders, feministen, antiracisten, de ecologische beweging – tot een collectieve wil moeten worden gesmeed om zo een krachtig alternatief te vormen voor het neoliberalisme en rechtspopulisme.

En zo inspireert Gramsci beide uiteinden van het politieke spectrum.

De ironie is natuurlijk dat zijn notities zo talrijk en dermate raadselachtig zijn dat ze zich voor ieders interpretatie lenen.

Dat neemt niet weg dat het – wellicht ook juist daardoor – een ontzettend interessante verzameling gedachten is. En vertaler Arthur Weststeijn heeft in de door hem gemaakte selectie uit al die duizenden pagina’s aan hersenspinsels, notities en (halfvoltooide) essays de krenten uit de pap gehaald. Tezamen met een korte, verhelderende inleiding van zijn hand is deze nieuwe uitgave daarom een perfecte introductie tot Gramsci’s filosofie.

Antonio Gramsci: Notities uit de gevangenis. Uit het Italiaans vertaald door Arthur Weststeijn. Boom; 104 pagina’s; € 14,90.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next