Datacenters
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Waterballonnen gevuld met waterstofperoxide, azijnzuur en zout: die gooide Extinction Rebellion vorige week over het hek van een bouwplaats in het Amsterdamse havengebied. De actiegroep wilde de fundering van het datacenter aantasten dat Microsoft daar laat bouwen. En dat protest staat niet op zichzelf. In juni bezette actiegroep Geef Tegengas dezelfde bouwplaats, ook elders in Europa groeit het verzet van omwonenden en milieuactivisten. In de Verenigde Staten waren volgens een telling van persbureau Reuters afgelopen weekeinde maar liefst 142 protesten tegen datacenters, in 42 staten. Er broeit deze zomer een mondiale tegenbeweging tegen datacenters en tegen de snel groeiende AI-economie die ze faciliteren.
Die woede komt niet uit de lucht vallen. NRC onthulde eerder deze maand dat één enkel Microsoft-datacenter bij het Noord-Hollandse Middenmeer in 2025 goed was voor 1 procent van het totale Nederlandse elektriciteitsverbruik, evenveel als heel Eindhoven. Netbeheerder Tennet verwacht dat het energieverbruik van alle datacenters samen in 2030 vervier- of vervijfvoudigt. Dat gebeurt op een stroomnet dat nu al zo vol zit dat woonwijken jaren op een aansluiting wachten. Daar komen het waterverbruik, het beslag op schaarse ruimte en de impact op het landschap van al die ‘blokkendozen’ nog bovenop. Dat kan niet eindeloos doorgaan.
Extra wrang is dat de politiek de onvrede zag aankomen en er iets aan probeerde te doen. Het kabinet-Rutte IV verbood in 2022 nieuwe hyperscale-datacenters buiten twee aangewezen locaties: de Eemshaven en de Wieringermeer, het gebied waar ook Middenmeer ligt. Maar deze regels zijn jarenlang omzeild met simpele trucjes: servers verdelen over meerdere gebouwen zodat het datacenter niet als hyperscaler telt, of de hoogte in bouwen zodat het onder de oppervlaktedrempel voor dat label blijft. Wetgeving die zich zo oenig laat omzeilen, ondermijnt het gezag van de overheid en voedt het cynisme waar radicale actiegroepen en extreme partijen op gedijen.
Ook de transparantie schiet tekort. Microsoft staat nu zo in de aandacht, omdat het als eerste Amerikaanse partij zijn verbruikscijfers openbaarde; concurrenten zoals Google blijven dat weigeren, terwijl Europese regels rapportage verplichten. Dat is onverdedigbaar en onhoudbaar. Dat vergt ingrijpen. Transparantie over die cijfers is namelijk nodig voor een goede maatschappelijke afweging van belangen. En die is urgent. Datacenters zijn de fysieke ruggengraat van vrijwel alles wat de digitale samenleving inmiddels vanzelfsprekend vindt: betalingsverkeer, streaming, AI, en ja, ook de sociale kanalen waarop Extinction Rebellion zijn acties aankondigt.
Datacenters hebben vaak nut, veel nut. En digitalisering kost niet alleen energie, ze kan die ook besparen. Elke vergadering via Microsoft Teams kan het heen en weer reizen van deelnemers uitsparen. De roep om meer datacenters kan ook zorgen voor verbeteringen in energieopwekking. Het is een verdelingsvraagstuk maar ook een innovatievraagstuk waar de markt een belangrijke rol kan spelen.
Toch hoort bij datacenters een ongemakkelijke waarheid die in de protesten zelden klinkt: ze staan er niet alleen omdat Big Tech daar slinks voor heeft gelobbyd, of omdat deze bedrijven zijn verwikkeld in een extreme wedloop om rekenkracht. Ze staan er ook omdat wij, burgers en internetgebruikers, ze gretig vullen. Met eindeloos gestreamde series in steeds hogere resolutie, met tienduizenden foto’s die niemand ooit terugkijkt maar die wel eeuwig in de cloud staan, met chatbots die voor elk wissewasje worden geraadpleegd. Wie ’s avonds vier uur lang netflixt en zijn halve leven in de cloud opslaat, is geen onschuldige omstander maar onderdeel van deze ontwikkeling.
Dat ontslaat techbedrijven en politiek zeker niet van hun verantwoordelijkheid, en de individuele voetafdruk van een gebruiker valt in het niet bij die van de industrie als geheel. Maar een samenleving die onbeperkte digitale consumptie als grenzeloos en vanzelfsprekend beschouwt, moet niet verbaasd zijn dat de rekening zich presenteert in de vorm van gigantische datacenters in het landschap. Het internet moet érgens staan.
Wie de protesten tegen datacenters vervolgens wegzet als technologiehaat, verwend gezeur of typisch niet-in-mijn-achtertuinprotest, zit er net zo goed naast. Burgers verzetten zich tegen het feit dat een handvol Amerikaanse giganten zonder voldoende democratische controle en inspraak de fysieke leefomgeving en de energie-infrastructuur naar hun hand zet. Dat brengt het maatschappelijk draagvlak van deze techbedrijven, hun licence to operate, onder druk.
De protesten richten zich namelijk ook op ongekende concentraties van kapitaal en politieke invloed, waardoor democratische verantwoording over AI steeds moeilijker wordt. Die boosheid is terecht, al is vandalisme niet de juiste weg.
Overheden hebben een plicht om deze bedrijven te beteugelen, ook via datacenters: met harde afspraken over banen, belastinginkomsten en energieverbruik, inclusief het afdwingen van volledige transparantie daarover. De echte les van het groeiende protest is daarom dat een verdelingsvraagstuk van deze omvang niet op losse bouwplaatsen van datacenters thuishoort, maar veel breder in de samenleving: bij de bedrijven die zich als verantwoordelijkere buren moeten opstellen naar de lokale gemeenschappen, én bij de politiek, op alle bestuursniveaus van gemeente tot Europa. Stroom, water, ruimte, natuur en netcapaciteit zijn schaars. Wie krijgt voorrang, tegen welke prijs, onder welke voorwaarden? En ten koste waarvan mag de AI-hausse gaan? Dat moeten bij uitstek democratische keuzes zijn – en dat zijn ze nu te weinig.