De drempel om hulp te vragen is al hoog. Daarna treffen mensen te vaak een systeem dat gesprekken opdeelt in minuten, loketten en meetbare prestaties.
Wie om hulp vraagt, vertelt zelden meteen het hele verhaal. Vaak begint het met iets kleins: een stapel ongeopende post, een ingewikkeld formulier of een huis dat na het overlijden van een partner ineens akelig stil is geworden.
Pas wanneer iemand de tijd neemt, wordt duidelijk wat er werkelijk speelt. Achter de post blijken schulden schuil te gaan. Achter het formulier onzekerheid en verlies van grip. Achter de stilte eenzaamheid. De echte hulpvraag past zelden in een zin. Zij ontstaat tijdens een gesprek waarin iemand blijft zitten, doorvraagt en geen haast uitstraalt.
De Volkskrant beschreef onlangs waarom mensen aarzelen om hulp te vragen. Schaamte, de angst om zwak over te komen en de vrees een ander tot last te zijn, houden hen tegen. Maar wie die drempel eindelijk overwint, ontmoet soms meteen een volgende: een zorg- en welzijnssysteem waarin luisteren moet concurreren met registreren, behandelen en doorverwijzen.
Over de auteur
Jerzy Soetekouw is algemeen directeur van Humanitas.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Dat ligt niet aan een gebrek aan betrokkenheid van huisartsen, wijkteammedewerkers en andere professionals. Ook zij willen begrijpen wat er achter een eerste vraag schuilgaat. Maar hun agenda’s zijn ingericht op schaarste. In de huisartsenzorg wordt gewerkt met declaratiecategorieën van minder dan vijf minuten, vijf tot twintig minuten en twintig minuten of langer. Tijd is daarmee niet alleen een praktische beperking, maar ook een organiserend principe geworden.
In zo’n systeem past een duidelijke klacht beter dan een aarzelend verhaal. Wie precies kan vertellen wat er aan de hand is en welke hulp nodig is, vindt gemakkelijker zijn weg dan iemand bij wie schulden, eenzaamheid, opvoedstress en psychische klachten door elkaar lopen.
Juist de mensen die ondersteuning het hardst nodig hebben, zijn vaak het minst goed in staat hun situatie overzichtelijk te presenteren. Het Sociaal en Cultureel Planbureau concludeerde vorig jaar dat mensen met problemen op meerdere levensterreinen geregeld te laat, te weinig of geen passende ondersteuning krijgen. Niet omdat er nergens hulp bestaat, maar omdat verantwoordelijkheden versnipperd zijn en mensen verdwalen tussen regelingen, organisaties en loketten.
Vrijwilligerswerk heeft daarin een eigen en onmisbare functie. Een vrijwilliger staat naast iemand, niet erboven. Er is geen diagnose nodig om te mogen luisteren en geen indicatie om te mogen vragen hoe het werkelijk gaat. Het doel is niet de regie overnemen, maar iemand helpen die terug te krijgen.
Dat maakt vrijwilligers niet tot goedkope hulpverleners. Zij behandelen geen psychische aandoeningen en nemen geen professionele verantwoordelijkheden over. Zij bouwen vertrouwen op, herkennen wanneer er meer aan de hand is en helpen iemand passende ondersteuning te vinden. Soms voorkomen enkele tijdige gesprekken dat problemen verder escaleren.
Juist die ruimte staat steeds meer onder druk. Bij Humanitas zien we dat gemeentelijke subsidies en opdrachten sterk kunnen leunen op aantallen: hoeveel intakegesprekken zijn gevoerd, hoeveel deelnemers zijn bereikt, hoeveel trajecten zijn afgesloten en hoeveel mensen zijn uitgestroomd?
Die cijfers zijn begrijpelijk. Publiek geld vraagt om verantwoording. Maar prestatie-indicatoren zijn niet neutraal. Wat we tellen, gaan we doen. Wat niet in een dashboard past, dreigt minder tijd en aandacht te krijgen.
Een vrijwilliger die in drie gesprekken voorkomt dat schulden, eenzaamheid en spanningen binnen een gezin verder oplopen, kan op papier minder productief lijken dan een organisatie die tien korte contacten registreert. De werkelijke maatschappelijke opbrengst wordt vaak pas later zichtbaar: in het beroep dat níét hoeft te worden gedaan op de huisarts, schuldhulpverlening, jeugdzorg of crisisdienst.
Jaarlijkse subsidiecycli versterken de verleiding om snelle en zichtbare resultaten voorrang te geven. Organisaties moeten dan binnen enkele maanden aantonen dat hun aanpak werkt, terwijl het opbouwen van vertrouwen soms juist maanden kost. Zo verwarren we zichtbare productie met maatschappelijke impact.
Niet alles wat gemakkelijk meetbaar is, is waardevol. En niet alles wat waardevol is, laat zich binnen een begrotingsjaar bewijzen.
Dat is extra wrang in 2026, het Internationaal Jaar van Vrijwilligers voor Duurzame Ontwikkeling. Het CBS constateerde dat het aandeel Nederlanders dat georganiseerd vrijwilligerswerk doet, daalde van 49,5 procent in 2024 naar 47 procent in 2025. Ook informele hulp aan mensen buiten het eigen huishouden nam af.
Tegelijkertijd ondersteunden 18.241 vrijwilligers van Humanitas vorig jaar 83.586 mensen. Dat gebeurde niet ondanks de tijd die een goed gesprek kost, maar juist dankzij die tijd. Achter ieder cijfer staat iemand die zich gezien voelde en daardoor weer een volgende stap kon zetten.
De nieuwe gemeentebesturen hebben daarom een duidelijke keuze. Zij kunnen vrijwilligersorganisaties blijven behandelen als uitvoerders die tegen zo laag mogelijke kosten zo veel mogelijk contacten moeten produceren. Of zij kunnen erkennen dat de sociale basis juist waardevol is waar zij niet volledig in spreadsheets past.
Dat vraagt allereerst om meerjarige zekerheid. Geef vrijwilligersorganisaties niet ieder jaar opnieuw een overlevingstoets, maar financier bewezen werk voor ten minste drie jaar. Dan kunnen zij investeren in vrijwilligers, kwaliteit en samenwerking in plaats van voortdurend nieuwe aanvragen en verantwoordingen te schrijven.
Het vraagt ook om een andere manier van beoordelen. Meet hoeveel mensen zijn bereikt, maar vraag eveneens of problemen eerder zijn herkend. Tel afgesloten trajecten, maar onderzoek ook of mensen zich gezien voelden, hun regie hervonden en daadwerkelijk bij passende professionele ondersteuning terechtkwamen.
Tellen en vertellen zijn geen tegenpolen. Beide zijn nodig om te begrijpen wat maatschappelijke ondersteuning werkelijk oplevert.
Van mensen vragen we dat zij hun schaamte overwinnen, hun voordeur openen en vertellen waar zij zijn vastgelopen. Dan mogen zij achter die deur geen stopwatch aantreffen.
Soms is het gesprek niet de aanloop naar de hulp. Soms ís het gesprek de hulp.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant